18. Uit de toelichting komt naar voren dat de steller van het middel meent dat de – in zijn woorden – algemene overeenkomsten die door het hof zijn vastgesteld en de overeenkomst genoemd onder (ii) ‘an sich’ niet voldoende onderscheidend zijn, hetgeen meebrengt dat niet is voldaan aan het vereiste dat aan het gebruik van schakelbewijs wordt gesteld. Anders dan de steller van het middel, meen ik dat aan het schakelbewijsvereiste ‘op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertonen’ wel is voldaan. Voor zover de klacht inhoudt dat het hof per overeenkomst had moeten vaststellen dat de wijze waarop de feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt, vindt die opvatting geen steun in het recht. Het hof heeft mede aan de hand van camerabeelden en een foto verschillende overeenkomsten tussen zaak A en zaak B vastgesteld, welke zijn opgenomen in een nadere bewijsoverweging. Die overeenkomsten hebben niet alleen betrekking op de wijze waarop de feiten zijn begaan, maar ook op de omstandigheden waaronder die feiten hebben plaatsgevonden, het uiterlijk van de verdachte, bepaalde kledingstukken die op het moment van het begaan van de feiten werden gedragen en het wapen dat daarbij werd gebruikt. Het hof heeft overwogen dat de gang van zaken in zaak A en zaak B – kennelijk de overeenkomsten in onderlinge samenhang bezien – op zodanig essentiële punten overeenkomt, dat het voor de bewezenverklaring van zaak B gebruik kon maken van schakelbewijs uit zaak A. Dat oordeel is, gelet op het voorgaande, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. In zoverre faalt het middel.
19. De tweede deelklacht houdt in dat het hof met betrekking tot de schoenen en handschoenen, die door de dader van de overval in zaak A en zaak B zijn gedragen, door middel van zijn eigen waarneming vaststellingen heeft gedaan die niet kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen.
20. Vooropgesteld moet worden dat het oordeel van het hof is verweven met waarderingen van feitelijke aard en daarom in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.
21. Als bewijsmiddel 19 heeft het hof de eigen waarneming opgenomen betreffende onder meer een foto op pagina 20 van het dossier van zaak A, waarop de schoenen die de verdachte bij zijn aanhouding droeg, staan afgebeeld. Het hof heeft vastgesteld dat op die foto te zien is dat de verdachte ‘zwarte veterschoenen met een rood biesje en een dun soort witte foam-rand tussen de schoen en de zool’ droeg. Tevens heeft het hof als bewijsmiddel 12 de verklaring van een getuige opgenomen, waarin naar voren komt dat die getuige heeft gezien dat de dader van de overval in zaak B zwarte veterschoenen met een rood embleem op de zijkant en een dunne witte zool aan had. De verschillen tussen de verklaring van de getuige en de eigen waarneming van het hof met betrekking tot de schoenen zijn verwaarloosbaar klein en doen niet af aan de vaststelling van het hof die het in zijn nadere bewijsoverweging heeft opgenomen, namelijk dat de dader van de overval in beide zaken ‘zwarte veterschoenen met rode en witte elementen en foam tussen de schoen en de zool’ droeg. Datzelfde geldt voor de handschoenen, waarvan het hof heeft vastgesteld dat op de beelden van beide overvallen te zien is dat de dader ‘zwarte handenschoenen met daarop op de rechterhandschoen ter hoogte, en in het verlengde, van de ringvinger een lichtkleurige streep, mogelijk een rits of een merkteken’ droeg. Dat sprake zou zijn van verschillen – die minimaal te noemen zijn – tussen de plaats van de streep en de kleur en de vorm daarvan, maakt dat niet anders. Daarbij neem ik nog in aanmerking dat het hof zijn eigen waarneming met betrekking tot zowel de handschoenen als de schoenen op de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2018 heeft meegedeeld en dat daartegen niet wezenlijk verweer is gevoerd. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
22. Het tweede middel faalt in alle onderdelen.
23. Het
derde middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd voor de bewezenverklaring gebruik heeft gemaakt van een DNA-onderzoek van het NFI.
24. In de toelichting op het middel wordt allereerst geklaagd dat uit het verslag van de deskundige van het NFI van 5 januari 2017 en het aanvullende verslag van 12 februari 2018 niet blijkt dat het uit het onvolledige DNA-mengprofiel afgeleide profiel al dan niet een hoofdprofiel is en dat deze rapporten geen inzicht verschaffen in de vraag hoe sterk de overige DNA-kenmerken in het aangetroffen spoor zijn, terwijl dat van essentieel belang is bij de waardering van het aangetroffen spoor en de bewijskracht die aan het DNA-mengspoor kan worden toegeschreven. Voorts wordt geklaagd dat indien verdachte daadwerkelijk de donor van het aangetroffen spoor is, daarmee nog niet is bewezen dat hij de dader van de overval is.
25. Bij de beoordeling van het middel geldt als uitgangspunt dat de feitenrechter de selectie en waardering van het bewijsmateriaal toekomt. Het hof heeft blijkens zijn nadere bewijsoverwegingen bewijswaarde toegekend aan een DNA-rapport, waaruit volgt dat de juistheid van de hypothese dat de bemonstering celmateriaal bevat van verdachte en één willekeurige onbekende persoon ten minste één miljard keer waarschijnlijker is dan de juistheid van de hypothese dat de bemonstering celmateriaal bevat van twee willekeurige onbekende personen. Blijkens een aanvullend rapport van het NFI – dat overigens in eerste aanleg nog niet beschikbaar was (thans bewijsmiddel 17, zoals hierboven ook geciteerd) – komt dat taalkundig overeen met ‘extreem veel waarschijnlijker’. Mede gelet op deze rapporten is het hof tot het oordeel gekomen dat de verdachte kan worden aangemerkt als degene die ook de overval in zaak B heeft gepleegd. Daarbij heeft het hof tevens in aanmerking genomen dat er diverse overeenkomsten bestaan tussen de overval in zaak A en de overval in zaak B en dat de verdachte voor het aangetroffen en aan hem toe te schrijven biologisch materiaal, geen aannemelijke, de redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. Het oordeel van het hof is – in het licht van voornoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien – niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
26. Voorts is niet onbegrijpelijk dat het hof het DNA heeft aangemerkt als daderprofiel, nu het is aangetroffen op een paraplu op de plaats delict van zaak B en onder meer uit de beelden blijkt dat de dader van de overval een paraplu bij zich droeg.
27. Ook het derde middel faalt in alle onderdelen.
28. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
29. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.