Conclusie
Mr. P. Vlas
forum arresti), omdat Siemens derdenbeslag heeft gelegd op tegoeden van CBI in Nederland. Het principaal cassatieberoep richt verschillende klachten tegen dit oordeel, alsmede tegen de wijze waarop het hof de door CBI verschuldigde rente heeft berekend. Tegen dit laatste richt zich ook het door Siemens ingestelde incidenteel cassatieberoep.
1.Feiten en procesverloop
in respect of commercial matters” toewijsbaar doch, ingevolge de hoofdregel van artikel 171 Iraaks Pro Burgerlijk Wetboek (IBW), eerst met ingang van het tijdstip van de inleidende dagvaarding, zijnde 19 februari 2001, nu omtrent een ander tijdstip dat ingevolge “
commercial rules and usage” zou gelden, onvoldoende is gesteld. Dat ingevolge “
commercial rules and usage” in het kader van een door een bank verleend accreditief ten behoeve van een buitenlandse leverancier het rente plafond voorzien in artikel 174 IBW Pro niet geldt is door Siemens overtuigend toegelicht. Het hof acht bedoelde rente toewijsbaar zonder een daaraan te verbinden maximum.’
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel 1valt uiteen in 10 subonderdelen. Het onderdeel is gericht tegen rov. 3.3 van het arrest van 31 maart 2015, waarin het hof heeft overwogen dat CBI blijkens haar processuele houding de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter heeft aanvaard en dat daarom haar betoog faalt dat de rechtbank zich ten onrechte bevoegd heeft geacht om van de jegens CBI ingestelde vordering kennis te nemen.
onderdelen 1.6 en 1.7voorop, omdat deze onderdelen het meest verstrekkend zijn. De onderdelen hebben betrekking op de immuniteit van jurisdictie en van executie.
onderdelen 1.1 t/m 1/5zijn gericht tegen het oordeel van het hof dat CBI de rechtsmacht van de Nederlandse rechter stilzwijgend heeft aanvaard. Volgens het hof is CBI in het geding verschenen zonder zich, zoals art. 11 Rv Pro en art. 24 EEX Pro-Verordening (nr. 44/2001) vereisen, tijdig op het ontbreken van rechtsmacht te beroepen.
Onderdeel 1.1klaagt dat het hof zijn bevoegdheidsoordeel ten onrechte (mede) heeft gebaseerd op art. 24 EEX Pro-Verordening.
Onderdeel 1.2klaagt dat voor zover het hof art. 11 Rv Pro als grondslag heeft gebruikt, die bepaling nog niet in werking was getreden op het moment dat de procedure aanhangig werd gemaakt. De
onderdelen 1.3 en 1.4betogen dat het hof is uitgegaan van een onjuiste opvatting ten aanzien van het moment waarop een bevoegdheidsverweer moet worden gevoerd.
Onderdeel 1.5klaagt dat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat uit de proceshouding van CBI zou kunnen worden afgeleid dat zij de rechtsmacht van de Nederlandse rechter aanvaardde, omdat CBI immers in eerste aanleg een beroep heeft gedaan op immuniteit van jurisdictie
onderdelen 1.8-1.10hebben betrekking op de tweede zelfstandig dragende grond voor het aannemen van rechtsmacht, te weten art. 767 Rv Pro. Volgens het middel is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over het ‘peilmoment’ voor de vraag of misbruik is gemaakt van bevoegdheid en was er wel degelijk sprake van misbruik van bevoegdheid. Verder wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat Siemens (onbestreden) heeft toegelicht dat er ten tijde van de beslaglegging reden was te veronderstellen dat het derdenbeslag onder DNB een reële verhaalsmogelijkheid bood. Dit oordeel is onbegrijpelijk, omdat in de gedingstukken zo’n toelichting van Siemens niet is terug te vinden, aldus de klacht.
Dongray / Gécaminesheeft de Hoge Raad geoordeeld dat art. 767 Rv Pro niet is bedoeld om de schuldeiser in Nederland een bevoegde rechter te verschaffen, zodat hij in Nederland een vonnis kan verkrijgen dat hij in het buitenland ten uitvoer kan leggen. Om die reden is van belang of de schuldeiser in Nederland reële verhaalsmogelijkheden heeft en of het beslag dus doeltreffend is geweest. [22] Is dat niet het geval en is het beslag slechts gelegd om bevoegdheid van de Nederlandse rechter te creëren, dan kan dat misbruik van bevoegdheid in de zin van art. 3:13 lid 2 BW Pro opleveren.
onderdelen 1.8-1.10zien op de verwerping door het hof van het betoog dat Siemens misbruik zou hebben gemaakt van art. 767 Rv Pro en zijn in belangrijke mate geënt op het genoemde arrest
Dongray / Gécamines .In dat arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat sprake was van misbruik van art. 767 Rv Pro, omdat het de beslaglegger ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding duidelijk was dat het beslag slechts in zeer beperkte mate doel had getroffen. De vordering van de beslaglegger bedroeg € 5.684.108,20 aan hoofdsom, terwijl beslag was gelegd op een vordering van € 100. De onderdelen betogen in de kern dat deze situatie zich thans ook voordoet.
Dongray / Gécamines. In de zaak
Dongray / Gécaminesachtte het hof inderdaad relevant wat de beslaglegger ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding wist over de mate waarin een beslag doel heeft getroffen, welk oordeel door de Hoge Raad in stand is gelaten. Daarmee heeft de Hoge Raad dus niet geoordeeld dat in dit soort gevallen steeds moet worden getoetst wat de beslaglegger weet ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding en dat dit dus het ‘peilmoment’ zou zijn. [29] Het hof is daarom niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Onderdeel 1.8 faalt dus.
Banking Law, waarin is bepaald dat voor de door banken in rekening gebrachte rente geen sprake is van een renteplafond. In het tussenarrest van 31 maart 2015 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. In haar akte uitlating renteberekening is Siemens op deze kwestie ingegaan en heeft zij verwezen naar de door haar overgelegde deskundigenopinie, waarin wordt gewezen op opinies van Iraakse juristen en op Iraakse jurisprudentie, waaruit zou blijken dat in situaties zoals de onderhavige naar Iraaks recht geen renteplafond geldt. [31] Siemens heeft in haar akte eveneens naar deze bronnen verwezen. Het hof is op grond hiervan tot het oordeel gekomen dat Siemens overtuigend heeft toegelicht dat het renteplafond in dit geval niet geldt, omdat ‘commercial rules and usage’ dit meebrengen.
Banking Law, die betrekking heeft op door banken in rekening gebrachte rente, van betekenis is voor de beoordeling van de vordering van Siemens. Ten tweede heeft CBI bepleit dat het renteplafond van art. 174 IBW Pro in alle gevallen geldt behoudens een in dit geval niet toepasselijke uitzondering, hetgeen het hof heeft miskend. Tenslotte heeft het hof miskend dat, zoals CBI heeft aangevoerd, Iraakse rechters met de nodige scepsis zullen kijken naar een uitzondering op het renteplafond, gezien het algemene verbod op rente in het islamitische recht dat een rol speelt bij de interpretatie van het IBW. Volgens het onderdeel heeft het hof niet op deze essentiële stellingen gerespondeerd.
Banking Lawuit 2004 geen renteplafond kent. Zoals hiervoor weergegeven, heeft Siemens onder verwijzing naar een aantal verschillende bronnen onderbouwd dat naar Iraaks recht in dit geval geen renteplafond geldt. De verwijzing naar de Iraakse
Banking Lawis slechts één van die bronnen. Volgens het hof is deze onderbouwing overtuigend. Verder heeft het hof de stelling dat art. 174 IBW Pro een renteplafond kent in zijn beoordeling betrokken (rov. 3.6.2 van het arrest van 31 maart 2015) en geoordeeld dat Siemens overtuigend heeft betoogd dat deze bepaling in dit geval niet geldt. CBI heeft weliswaar aangevoerd, onder verwijzing naar een door haar overgelegde deskundigenopinie, dat een dergelijke uitzondering door Iraakse rechters met ‘scepsis’ zal worden bekeken, [32] maar hieruit volgt niet dat een dergelijke uitzondering in geen geval toelaatbaar zal worden geacht. Het gaat hier dus niet om een essentiële stelling waarop het hof had moeten responderen. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk, zodat het onderdeel faalt.
3.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
contractuelerente verschuldigd kan worden. Zie ik het goed, dan is volgens de klacht ook bij deze lezing het oordeel van het hof onbegrijpelijk, omdat het hof in rov. 3.6.1 van het tussenarrest zelf geen onderscheid heeft gemaakt naar rentesoort maar spreekt over ‘de in dat kader verschuldigde rente’. Ook voert het onderdeel aan dat Siemens wel degelijk gemotiveerd heeft gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat rente verschuldigd is boven het maximumbedrag.