ECLI:NL:PHR:2019:348
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wegens niet-stellen van zekerheid voor proceskosten in cassatie tegen faillissementsverzet
Verzoekster, voormalig indirect bestuurder en aandeelhouder van een failliete vennootschap, kwam op grond van artikel 10 Faillissementswet Pro in verzet tegen de faillietverklaring van die vennootschap. De curator verzocht om zekerheidstelling voor proceskosten, welke door de rechtbank werd toegewezen, waarna verzoekster niet-ontvankelijk werd verklaard in het verzet. Na hoger beroep en schorsing van het geding werd het verzoek tot ontslag van instantie toegewezen.
Verzoekster stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, waarop de curator een incidenteel verzoek deed tot zekerheidstelling voor de proceskosten in cassatie. De Hoge Raad oordeelde dat de strekking van artikel 224 Rv Pro ook van toepassing is op derden die op grond van artikel 10 Fw Pro in verzet komen, en gaf verzoekster de opdracht zekerheid te stellen voor de proceskosten.
Verzoekster stelde deze zekerheid niet, ondanks de duidelijke waarschuwing dat niet-naleving zou leiden tot niet-ontvankelijkheid. De Procureur-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkheid van verzoekster in het cassatieberoep. Verzoekster verzocht nog om af te zien van niet-ontvankelijkheid, maar dit werd afgewezen vanwege het ontbreken van zekerheidstelling. De Hoge Raad bevestigde hiermee de sanctie van niet-ontvankelijkheid wegens niet-naleving van de zekerheidstellingsverplichting.
Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet stellen van de opgelegde zekerheid voor proceskosten.