Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof poging tot doodslag bewezenverklaard heeft, terwijl uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat sprake was van een aanmerkelijke kans op een frontale confrontatie tussen verdachte en [betrokkene 1] . Voorts wordt geklaagd dat het hof is voorbijgegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat verdachte slechts een geringe stuurcorrectie naar links heeft gemaakt waardoor hij niet op de rijbaan van [betrokkene 1] terecht kwam.
tweede middelklaagt dat het voorwaardelijk opzet op de dood van [betrokkene 1] niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, omdat het hof (tevens) de verklaring van verdachte dat hij ten tijde van het maken van een stuurbeweging naar links [betrokkene 1] niet heeft gezien, als bewijsmiddel heeft gebruikt.
derde middelklaagt dat het hof de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] voor feit 1 in zijn geheel heeft toegewezen tot een bedrag van € 600,-, terwijl de rechtbank de vordering reeds voor feit 5 heeft toegewezen tot een bedrag van € 400,- en het hof het vonnis van de rechtbank op dit punt in stand heeft gelaten, waardoor er ten onrechte twee executietitels naast elkaar bestaan.
(…)