Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Beoordeling van de overige middelen
20 maart 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor poging tot moord en meervoudige bedreiging. De Hoge Raad behandelde een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 mei 2017.
De verdachte stelde onder meer dat hem het recht op het laatste woord was onthouden. Uit het proces-verbaal bleek echter dat de verdachte dit recht wel was gelaten en dat de raadsman daarna het woord voerde, wat geen belemmering vormde. Dit middel werd verworpen.
Verder klaagde de verdachte over de strafoplegging door het hof, dat het vonnis van de rechtbank deels vernietigde en deels bevestigde. De Hoge Raad bevestigde dat een gedeeltelijke vernietiging en bevestiging van de sanctieoplegging mogelijk is en dat het arrest van het hof ondubbelzinnig moet aangeven welke straffen en maatregelen zijn opgelegd.
Uiteindelijk werd het beroep verworpen en bleef de gevangenisstraf van zes jaren gehandhaafd, met inachtneming van de tijd die verdachte in voorarrest had doorgebracht.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het hofarrest en legt een gevangenisstraf van zes jaar op met inachtneming van voorarrest.