Conclusie
P. Vlas
1.Feiten en procesverloop
2.Schorsing en hervatting van het geding
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Onderdeel I.1en
onderdeel I.2zijn gericht tegen rov. 21, 22 [8] en 23 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat [betrokkene 1] niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep en er geen gronden aanwezig zijn om de tutor alsnog in de gelegenheid te stellen om het verzuim te herstellen. Kort samengevat wordt geklaagd dat het hof ten onrechte het Spaanse recht in plaats van het Nederlandse recht heeft toegepast ten aanzien van de vraag wat de gevolgen zijn van de handelingsonbekwaamheid van [betrokkene 1] , meer in het bijzonder welke rechtshandelingen zij mag verrichten. De klachten nemen tot uitgangspunt dat uit het Nederlandse recht, meer specifiek uit art. 1:381 lid 6 BW Pro en de daarop gebaseerde vaste jurisprudentie van de Hoge Raad [9] , volgt dat door de handelingsonbekwame verrichte nietige proceshandelingen vatbaar zijn voor bevestiging door de curator. De
onderdelen I.3, I.4 en I.5bouwen op deze klachten voort.
Onderdeel I.6richt ten slotte ‘zekerheidshalve’ klachten tegen de ten overvloede gegeven overwegingen in rov. 24 t/m 27.