Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Procesverloop
“ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een ander”. Volgens art. 1 lid 3 onder Pro c Waadi is van ‘een ander’ geen sprake indien de onderneming waar de arbeid wordt verricht door dezelfde ondernemer in stand gehouden wordt als de onderneming die de arbeidskrachten ter beschikking stelt.
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdeel 1richten zich tegen het oordeel van het hof over de inzet door EasyJet van buitenlandse piloten tijdens de stakingsacties van VNV. De eerste drie subonderdelen betreffen de vraag of de inzet van buitenlandse piloten wordt getroffen door het ‘onderkruipersverbod’ dat in de Waadi is opgenomen. Het vierde subonderdeel stelt aan de orde of de inzet van buitenlandse piloten (anderszins) onrechtmatig en/of in strijd met goed werkgeverschap is. Alvorens de subonderdelen te behandelen stel ik, kort, een en ander voorop over de totstandkoming van de relevante bepalingen van de Waadi en de op die bepalingen betrekking hebbende jurisprudentie.
onderdeel 1.
door het inlenenvan ter beschikking gestelde arbeidskrachten. Het sluitstuk daarvan is dat het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in dergelijke situaties verboden moet zijn.
gehandhaafd.” (onderstrepingen A- G)
door het ter beschikking stellen van arbeidskrachtenafbreuk wordt gedaan aan de effectiviteit van het stakingsmiddel, en daarmee de arbeidsverhoudingen worden verstoord.
De ervaring leert evenwel dat door de inzet van uitzendkrachten het effect van de staking wordt afgebroken en dat daarmee de arbeidsverhoudingen als regel ernstige schade oplopen. Dat heeft zowel de SER, als de Stichting van de Arbeid ertoe gebracht om – onder volledige erkenning van het primaat van de onderhandelende partijen in het conflict – unaniem handhaving van het onderkruipersverbod te bepleiten.Het, hogere, belang van instandhouding van goede collectieve arbeidsverhoudingen rechtvaardigt de
continuering van deze bepalingdie al sedert haar instelling – voor wat betreft arbeidsbemiddeling sinds 1930, voor wat betreft het ter beschikking stellen van arbeidskrachten sinds 1970 – haar nut heeft bewezen.
In de onderneming waar een arbeidsconflict speelt tussen werkgever en werknemers wordt door eigen personeel arbeid verricht. Hier is geen sprake van «het ter beschikking stellen van arbeidskrachten». De Waadi is niet van toepassing.
Donner: De heer Spekman ging in op de WAADI. Ik heb de Kamer gisteren een brief gestuurd waarin vragen daarover worden beantwoord. Ook hier moet goed de discussie worden onderscheiden die men steeds wil voeren over stakingsbreking. In Nederland is de staking niet wettelijk geregeld. Staking is in wezen een strijdmiddel waarmee men buiten contractuele relaties treedt. Derhalve is het bij uitstek niet het meest centrale recht. Het is ook door het Sociaal Handvest erkend als element dat nodig kan zijn bij de collectieve belangenbehartiging. Het is daarmee onderdeel van de vragen van de jurisprudentie: wat wel en wat niet. Het is alleen geregeld in het kader van de WAADI, als het gaat om de inlening van arbeidskrachten en intermediairs.
De vraag is of een werkgever met wie een conflict is, eigen personeel mag inzetten of personeel van een onderneming waarvoor hij ook verantwoordelijk is, ook in een situatie van staking, en of dat voorwerp is van het bepaalde in artikel 10. Het is gewoon onderdeel van de definitie wanneer er sprake is van het uitlenen en inlenen van arbeidskrachten en wanneer niet. Daarom valt de bedoelde situatie überhaupt niet onder de WAADI, maar is deze bij definitie uitgezonderd in artikel 1, derde lid, onder c.Dan heb ik het over de algemene vraag wanneer iets wel of niet in strijd is met het stakingsrecht. De WAADI is alleen gericht op uitzendbureaus en verbiedt hun om mee te werken aan het uitzenden in die situaties waarin men kan weten of moet vermoeden dat er sprake is van een staking. Dat geldt heel specifiek bij de inzet door de werkgever zelf. (…)” (onderstreping A-G)
uitzendkrachteninhuurt om het werk van de stakende werknemers over te nemen. De opdrachtgever staat dus in zijn recht om de opdracht door iemand anders te laten uitvoeren.
Ook het gebruik van de door de leden van de SP-fractie aangeduide driehoeksrelaties kan niet vallen onder het verbod krachtens artikel 10. De driehoeksrelaties hebben betrekking op intra-concern inlening en dat leidt niet tot stakingsbreking, omdat intra-concern-uitlening geen ter beschikkingstelling van arbeid vormt en deze vorm van arbeid dus niet binnen de Waadi valt.In mijn brief van 24 maart jl. ben ik hierop dieper ingegaan.” (onderstrepingen A-G)
waaromdoor die beslissing of overweging het recht is geschonden. [25] Daaraan is waar het dit op strijd met ‘de relevante internationale verdragen’ van de ILO gerichte betoog betreft mijns inziens niet voldaan.
subonderdeel 1.1, waaronder begrepen de in het slot van het subonderdeel opgenomen voortbouwende klachten, dient te falen.
Subonderdeel 1.3richt zich tegen het oordeel in (eveneens) rov. 3.10 dat, verondersteld dat sprake is van verschillende ondernemingen als door VNV betoogd, de uitzonderingssituatie van art. 1 lid 3 onder Pro c Waadi van toepassing is (terbeschikkingstelling van arbeidskrachten in een onderneming die door dezelfde onderneming in stand wordt gehouden). Het hof heeft miskend dat deze uitzonderingsbepaling restrictief moet worden uitgelegd, aldus het subonderdeel.
subonderdeel 1.3bestreden overweging ten overvloede uit rov. 3.10 gaat uit van de juistheid van de door
subonderdeel 1.2bepleite opvatting. Deze overweging dient aldus te worden begrepen dat naar het oordeel van het hof
op zijn minstsprake is van twee (of meer) ondernemingen (‘EasyJet Amsterdam’ en ‘EasyJet buitenland’) die door dezelfde ondernemer in stand worden gehouden als bedoeld in de uitzondering van art. 1 lid 3 onder Pro c Waadi. In de kern genomen betoogt VNV in
subonderdeel 1.3dat bij de toepassing van het onderkruipersverbod van art. 10 Waadi Pro ook intra-concernuitlening onder het begrip ‘ter beschikking stellen van arbeidskrachten’ zou moeten vallen, zulks in afwijking van art. 1 lid 3 onder Pro c Waadi. Dit betoogt faalt in het licht van de hiervoor weergegeven parlementaire geschiedenis en parlementaire debat, in het bijzonder de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 maart 2010 (randnummer 3.17 hiervoor), het verslag van de vergadering van de kamercommissie van 25 maart 2010 (randnummer 3.18 hiervoor) en de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 juni 2010 (randnummer 3.19 hiervoor), waaruit volgt dat ook bij toepassing van het onderkruipersverbod intra-concernuitlening niet onder het begrip ‘ter beschikking stellen van arbeidskrachten’ valt, en daarmee dus ook niet onder het verbod van art. 10 Waadi Pro. Dat de door EasyJet ingezette buitenlandse piloten niet betrokken zijn bij het cao-conflict, zoals door VNV is betoogd, doet daar niet aan af. Dit kan zich immers ook voordoen bij een arbeidsconflict binnen een onderneming waar meerdere cao’s van toepassing zijn. Voor zover het subonderdeel voortbouwt op
subonderdeel 1.1, [30] faalt het in het spoor daarvan.
subonderdeel 1.3falen derhalve. Daarmee blijft het oordeel dat
op zijn minstsprake is van twee (of meer) ondernemingen die door dezelfde ondernemer in stand worden gehouden overeind, zodat in het midden kan blijven of sprake is van één of meerdere ondernemingen binnen EasyJet. Ook als de klachten van
subonderdeel 1.2zouden slagen, zou dit dus geen afbreuk doen aan het oordeel dat het inzetten van de buitenlandse piloten niet onder het onderkruipersverbod van art. 10 Waadi Pro valt. De klachten van
subonderdeel 1.2behoeven om die reden geen afzonderlijke behandeling.
subonderdeel 1.4in beeld. Dat richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.12, dat de inzet van de buitenlandse piloten geen onrechtmatig gedrag en/of strijd met een goed werkgeverschap van EasyJet met zich brengt. Volgens subonderdeel 1.4 geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is het onvoldoende gemotiveerd. [31] Het subonderdeel betoogt dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat EasyJet niet onrechtmatig c.q. in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld
omdatde inzet van buitenlandse piloten niet in strijd is met art. 10 Waadi Pro, het hof heeft miskend dat VNV haar betoog ter zake niet heeft onderbouwd met een beroep op art. 10 Waadi Pro maar met een beroep op art. 7:611 BW Pro (goed werkgeverschap) dan wel art. 6, aanhef en onder 4, ESH (onrechtmatige daad).
geoorloofd is, onjuist/onvoldoende gemotiveerd is ‘omdat die inzet in de omstandigheden van het geval
ongeoorloofd is’. Voor zover hiermee een afzonderlijke klacht is beoogd, voldoet zij niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro en dient zij buiten beschouwing te blijven.
Subonderdeel 1.4faalt derhalve, en daarmee
onderdeel 1.
onderdeel 2richt VNV zich tegen het in rov. 3.18.2 gemotiveerde in stand houden van het door de voorzieningenrechter opgelegde verbod om gedurende de vier weekenden volgend op de datum van het vonnis (hierna: de verbodsweekenden) te staken. Het hof heeft, kort gezegd, geoordeeld dat EasyJet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat stakingen tijdens de verbodsweekenden grote gevolgen zouden hebben gehad voor de passagiers, omdat het de piekweekenden in de zomervakantie betrof waarop veel van en naar vakantiebestemmingen zou worden gevlogen en het uitvallen van vluchten vanuit Amsterdam zou leiden tot een veelvoud van vervallen vluchten die veel passagiers in hun vakantieplannen zouden treffen. Deze nadelige gevolgen en de belangen van de passagiers brengen naar het oordeel van het hof met zich dat het maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk was om stakingen gedurende de verbodsweekenden te verbieden.
NS-arrest [35] van Uw Raad is uiteengezet welke collectieve acties, bij welke belangengeschillen, onder het stakingsrecht vallen. Daarnaast is in dit arrest geoordeeld dat als een actie onder het stakingsrecht en derhalve binnen de reikwijdte van art. 6, aanhef en onder 4, ESH valt, deze in beginsel rechtmatig is en alleen onrechtmatig kan worden geacht als er zwaarwegende procedureregels (‘spelregels’) zijn overtreden dan wel als op grond van een afweging van alle omstandigheden van het geval (met inachtneming van de beperkingen gesteld in art. G. ESH) moet worden geoordeeld dat de bonden niet in redelijkheid tot de actie hadden kunnen komen.
Douwe Egberts-arrest, [36] dat inmiddels is verlaten (hierna), hield in dat eerst diende te worden getoetst of erbij het uitroepen van de actie zwaarwegende procedureregels zijn overtreden, de zogenaamde ‘spelregeltoets’. Tot de spelregeltoets behoorde onder meer de wijze van aanzegging van de collectieve actie, maar ook de vraag of de collectieve actie wel als uiterste middel (‘ultimum remedium’) is toegepast. Pas als de ‘spelregeltoets’ was doorstaan, kon worden toegekomen aan de vraag of de bonden op grond van de omstandigheden van het geval in redelijkheid tot de actie hadden kunnen komen (ook wel de ‘proportionaliteitstoets’ genoemd). Met name het vereiste uit de ‘spelregeltoets’ dat de staking werd ingezet als ‘ultimum remedium’, heeft tot kritiek geleid van het Europees Comité van Sociale Rechten van het ESH, omdat het feit dat de rechter bepaalt of een staking prematuur is inbreuk maakt op de wezenlijke inhoud van het stakingsrecht. [37]
Enerco [38] en
Amsta [39] van Uw Raad herzien. [40] In het
Enerco-arrest is overwogen dat als een collectieve actie valt onder art. 6, aanhef en onder 4, ESH, hetgeen in deze zaak dus niet in geschil is, deze in beginsel dient te worden geduld als een rechtmatige uitoefening van het stakingsrecht, doch in verband met art. G. ESH kan worden verboden of beperkt indien zij gelet op de zorgvuldigheid die krachtens art. 6:162 BW Pro in het maatschappelijk verkeer in acht moet worden genomen ten aanzien van een derde, in zodanige mate inbreuk maakt op diens rechten dat beperkingen, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk zijn. Of dit het geval is, is een vraag die moet worden beslist door – met inachtneming van alle omstandigheden van het geval – de met de uitoefening van het recht op staking gediende belangen af te wegen tegen die waarop inbreuk wordt gemaakt.
Amsta-arrest is geoordeeld dat uit het
Enerco-arrest volgt dat naleving van de ‘spelregels’ niet langer een zelfstandige voorwaarde voor rechtmatigheid is, maar dat de spelregels als gezichtspunt nog steeds van belang zijn bij toetsing aan de hand van art. G. ESH. Is een collectieve actie in beginsel rechtmatig, dan ligt het op de weg van de werkgever (of de derde) die eist dat de collectieve actie wordt beperkt of uitgesloten, om aannemelijk te maken dat deze beperking of uitsluiting naar de maatstaf van art. G. ESH gerechtvaardigd is, waarvoor vereist is dat deze beperking of uitsluiting maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is. Ten aanzien van dit laatste verwijst Uw Raad in het
Amsta-arrest naar rov. 4.3 van het
Streekvervoer-arrest, waarin als volgt is overwogen: [41]
Streekvervoer-arrest als volgt overwogen:
Streekvervoer-arrest vervolgens – in zoverre ten overvloede – ingegaan op enkele afzonderlijke onderdelen van het in die zaak gevoerde middel, waarbij Uw Raad, onder meer, heeft overwogen dat de klacht dat het hof de inzet van de staking en de houding en de belangen van de partijen bij het daaraan ten grondslag liggende conflict niet – nader – heeft beoordeeld berust op een onjuiste rechtsopvatting omdat de rechter bij de belangenafweging op grond van art. G. ESH er reeds (in beginsel) van uit moet gaan dat de voor de betrokken vakbond en haar leden bij de uitoefening van dat grondrecht betrokken belangen zwaarwegend zijn (rov. 4.6). De rechter, zo heeft Uw Raad vervolgens overwogen, heeft immers, bijzondere omstandigheden daargelaten, in beginsel niet te treden in de merites van de wederzijdse, ter zake van de aan de staking ten grondslag liggende belangengeschillen ingenomen standpunten.
Amsta-arrest dat een actie ‘op grond van art. G. ESH al snel als onrechtmatig moet worden aangemerkt’ als de actie mede personen treft met een bijzondere kwetsbaarheid (rov. 3.3.6). [42]
Enerco-arrest en het
Amsta-arrest gegeven koerswijziging, met name dat een collectieve actie niet langer alleen als rechtmatig kan worden aangemerkt als de ‘spelregeltoets’ wordt doorstaan, loopt het Nederlandse stakingsrecht (grotendeels) in de pas met de aanbevelingen van het Europees Comité van Sociale Rechten van het ESH. [43] Ook het EVRM staat erop zichzelf niet aan in de weg dat er beperkingen worden opgelegd aan het, in art. 11 EVRM Pro gewaarborgde, stakingsrecht. [44]
Amsta-arrest verschillende malen geoordeeld dat een collectieve actie in verband met art. G. ESH diende te worden beperkt of verboden. In een zaak over staking van grondpersoneel van KLM verbood de voorzieningenrechter de FNV om deze acties in de zomermaanden te laten plaatsvinden, onder meer gezien de combinatie van grote vakantiedrukte en de terreurdreiging. [45] Het hof bekrachtigde het vonnis. [46] Een staking bij NS werd, met name in verband met door de voorzieningenrechter aangenomen veiligheidsrisico’s, verboden gedurende de kerstperiode. [47] Ook een staking bij PostNL tijdens de kerstperiode werd, vanwege de verwachte schade en de maatschappelijke ontwrichting, verboden. In deze zaak werd als omstandigheid meegewogen dat nog geen sprake was van een ultimum remedium, een van de elementen uit de ‘spelregeltoets’. [48] Een staking bij VDL Nedcar werd begin dit jaar verboden vanwege het risico dat de actie zou leiden tot een groot verlies aan werkgelegenheid. [49]
onderdeel 2opgenomen klachten.
onderdeel 2geen doel treffen.
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel
onderdeel 1van het principale cassatieberoep van VNV zou(den) slagen. Aan die voorwaarde wordt mijns inziens niet voldaan. Ik bespreek de klachten van het incidentele cassatiemiddel, in zoverre ten overvloede, toch kort. Ik merk daarbij op dat VNV in haar verweerschrift heeft geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, maar zich in haar schriftelijke toelichting alsnog aan het oordeel van Uw Raad heeft gerefereerd.
onderdeel 1van het principale cassatieberoep bestreden oordeel. Het middel betoogt dat indien het principale cassatieberoep ertoe zou leiden dat de inzet van buitenlandse piloten (wellicht) niet is toegestaan, het oordeel omtrent de duur van de aankondigingstermijn in dat geval blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting (namelijk de rechtsopvatting dat de inzet van buitenlandse piloten wel is toegestaan) dan wel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
onderdeel 1treft ook het hierop voortbouwende
onderdeel 2doel.
voorwaardelijk incidenteel cassatieberoepslaagt derhalve, mocht Uw Raad daaraan toekomen.