Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
in potentiekon worden gemaakt, zou dus tot de gewenste hogere waarde kunnen leiden. Onder eliminatie van de nieuwe bestemming tot wegvak zou die hogere waarde eventueel hebben kunnen voortvloeien uit een ten tijde van de onteigening bestaande, maar nog niet gerealiseerde lucratieve bestemming. [5] Van een zodanige bestemming was echter al evenmin sprake. De voorafgaand aan de nieuwe bestemming (waarvoor onteigend wordt) geldende bestemmingen van de onroerende zaak waren ‘verkeer’, ‘water’ en ‘groen’. [6]
nietgaat om de waarde die de grond voor (enkel) de eigenaar heeft. Zie de uitdrukkelijke bepaling van art. 40b lid 1 Ow. In plaats daarvan gaat het om de waarde die de grond voor een redelijk handelende koper heeft (art. 40b lid 2 Ow). Wel hebben de deskundigen willen aannemen dat een redelijk handelend koper uit zal gaan van een toekomstige bestemming tot bedrijfsterrein. [7] Maar dat is juist de bestemming waarvoor wordt onteigend en op basis waarvan de deskundigen met toepassing van de egalisatieregel aan het onteigende een werkelijke waarde hebben toegekend van € 40,— per vierkante meter.
die de redelijk handelende koper verwacht, nóg lucratiever is dan de zojuist bedoelde bestemming tot bedrijfsterrein
waarvoor wordt onteigend, bijvoorbeeld omdat eerstbedoelde bestemming de vestiging van zwaardere industrie toelaat dan de laatstbedoelde. Daar staat dan echter tegenover dat de door de redelijk handelende koper verwachte nieuwe bestemming inderdaad slechts wordt
verwacht– er bestaat, in de woorden van de deskundigen, onder meer ‘onzekerheid betreffende de daadwerkelijke inhoud en doorlooptijd van de planologische besluitvorming’ – terwijl de bestemming waarvoor wordt onteigend, uit de aard der zaak niet meer onzeker is. Volgens de deskundigen kan er geen twijfel over bestaan dat dit laatste ertoe leidt dat de verwachtingswaarde van de onroerende zaak hoe dan ook lager uitkomt dan de door hen met toepassing van de egalisatieregel begrote waarde op basis van de bestemming waarvoor wordt onteigend. [8]
bovendiennodig was met het oog op het naastgelegen bedrijventerrein Harselaar-Zuid en daarom ook zou zijn gerealiseerd als het bedrijventerrein Harselaar-Driehoek er niet was gekomen. Ook de tijdsvolgorde is bij dit uitgangspunt niet bepalend. Naar aanleiding van stelling e (zie hiervoor onder 3.12) voeg ik nog toe dat de verwijzing door deskundigen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 december 2012 allerminst irrelevant is. Alleszins begrijpelijk hebben de deskundigen daarin een bevestiging gezien voor hun standpunt dat voor eliminatie van ‘de slinger’ geen grond bestond, omdat de Afdeling oordeelt dat BPN c.s. niet aannemelijk hebben gemaakt dat de aanleg daarvan in hoofdzaak is vereist voor het nabijgelegen bedrijventerrein Harselaar-Zuid , welk oordeel mede berust op onderzoeksgegevens volgens welke 66% van het verkeer over ‘de slinger’ een relatie heeft met het bedrijfsterrein Harselaar-Driehoek , tegen 29% met het bedrijfsterrein Harselaar-Zuid .
door niets anders daneen reeds ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan al bestaand concreet plan. Zij is immers minst genomen mede bepaald door het
nieuweplan (hier het bedrijfsterrein Harselaar-Driehoek ). Ook kan niet worden gezegd dat het bestemmingsplan wat betreft de bedoelde verkeerskundige ontsluiting ‘niet zijn normale rol in de ruimtelijke ordening heeft vervuld’.
positiefde bedoelde bedrijfsmatige exploitatie toestond. Dit vereiste past mijns inziens bij de centrale positie die het bestemmingsplan in de ruimtelijke ordening inneemt en de waarborgen waarmee de totstandkoming van dat plan zijn omgeven. Er kunnen allerlei meer of minder concrete verwachtingen bestaan voor lucratieve bestemmingen, die echter lang niet alle uitkomen. Eerst op het moment dat een bestemmingsplan de lucratieve bestemming toestaat is sprake van een verworven positie waarmee in geval van onteigening rekening behoort te worden gehouden.
wegdenken van een bestaande bestemming, maar niet tot het
indenken van een nieuwe bestemming.’ [15]
terloopsverwijst naar een bevoegdhedenovereenkomst met de Gemeente en andere omstandigheden, lijkt haar redenering mij uitsluitend in te houden dat als het plan voor het werk waarvoor wordt onteigend wordt geëlimineerd, de door haar zo gewenste bestemming die de exploitatie van een betonfabriek mogelijk maakt, er gekomen zou zijn. Dat is niet een kant waar we met het leerstuk van de exploitatieschade mee op moeten. Ten slotte nog: indien de Gemeente tekort zou zijn geschoten in de nakoming van de door BPN gestelde (bevoegdheden)overeenkomsten van augustus 2001 en februari 2005, [16] vertaalt dat zich in een aanspraak uit hoofde van art. 6:74 BW Pro.