ECLI:NL:PHR:2019:49

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 januari 2019
Publicatiedatum
16 januari 2019
Zaaknummer
18/01004
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a SvArt. 552a SvArt. 22 SvArt. 83 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking derdenbeslag wegens niet-openbare raadkamerbehandeling

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, waarbij een klaagster haar klaagschrift ex art. 552a Sv had ingediend tegen derdenbeslag op haar auto. De rechtbank had het klaagschrift ongegrond verklaard.

De kern van het cassatieberoep is dat de behandeling in de raadkamer op 2 februari 2018 niet in het openbaar heeft plaatsgevonden, terwijl dit volgens art. 552a lid 7 Sv wel vereist is. Het proces-verbaal vermeldt niet dat de behandeling openbaar was, noch dat toepassing is gegeven aan art. 22 lid 2 of Pro 3 Sv. Dit leidt tot een schending van een wezenlijk procesvoorschrift en daarmee tot nietigheid van de beschikking.

De Procureur-Generaal adviseert de Hoge Raad de beschikking te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling. Tevens wijst hij op een mogelijk structureel probleem bij het opmaken van processen-verbaal van raadkamerzittingen bij deze rechtbank en adviseert nadere inlichtingen in te winnen.

De Hoge Raad volgt dit advies en vernietigt de beschikking, wijzend de zaak terug voor nieuwe behandeling op het bestaande klaagschrift. Er is samenhang met andere zaken waarin soortgelijke kwesties spelen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling wegens niet-openbare raadkamerbehandeling.

Conclusie

Nr. 18/01004 B
Zitting: 22 januari 2019
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[klaagster]
De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 2 maart 2018 het klaagschrift van de klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het gelegde beslag en teruggave van het in beslag genomen goed, te weten een auto, ongegrond verklaard.
Er bestaat samenhang met de zaken 18/00996, 18/00997 en 18/01360. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelbevat de klacht dat de behandeling in raadkamer op 2 februari 2018 niet in het openbaar heeft plaatsgevonden.
Het is juist dat het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 2 februari 2018 niet vermeldt dat die behandeling in het openbaar heeft plaatsgevonden, zodat het ervoor gehouden moet worden dat dit niet is gebeurd. Evenmin blijkt dat door de rechtbank toepassing is gegeven aan art. 22 lid 2 en Pro 3 Sv. Dit verzuim geeft op grond van art. 552a lid 7 Sv aanleiding tot nietigheid. [1]
6. Het middel is gegrond.
7. Ambtshalve merk ik op dat mij is gebleken dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, vaker beschikkingen uitspreekt, terwijl de processen-verbaal niet inhouden dat de behandeling in het openbaar heeft plaatsgevonden. Deze vier samenhangende zaken zijn daarvan een voorbeeld. Wellicht is de omstandigheid dat er mogelijk sprake is van een meer structureel probleem bij het opmaken van processen-verbaal van raadkamerzittingen, voor de Hoge Raad aanleiding om op grond van art. 83 RO Pro over te gaan tot het inwinnen van nadere inlichtingen bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, of de behandelingen in het openbaar hebben plaatsgevonden en zo ja, of dan is verzuimd dit in het proces-verbaal op te nemen. De Hoge Raad heeft dit eerder gedaan in een vergelijkbaar geval waarbij er echter in de betreffende zaak aanknopingspunten waren te vinden dat er sprake was van een omissie. [2] Dergelijke aanknopingspunten heb ik in de onderhavige zaken niet kunnen vinden.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2237; in de beschikking staat abusievelijk dat het om het zesde lid van art. 552a Sv gaat, dit moet het zevende lid zijn nu per 1 december 2016 het nieuwe zesde lid betreffende het digitaal indienen is ingevoegd, zie
2.Vgl. HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0207, waarin de Hoge Raad in de omstandigheid dat er voorafgaand aan de beschikking twee behandelingen in raadkamer hadden plaatsgevonden, waarvan slechts één proces-verbaal niet inhield dat deze in het openbaar had plaatsgevonden, een aanknopingspunt zag voor het inwinnen van nadere inlichtingen en het proces-verbaal naar aanleiding daarvan met verbetering van de misslag las.