Conclusie
1.Feiten
Aan de verplichting tot volstorting van de aandelen is niet voldaan. Op 1 juli 2005 is € 18.000,- op de rekening van de vennootschap i.o. gestort door de vorige aandeelhouder [C] B.V. Op 5 juli 2005 is dit bedrag echter weer teruggestort onder de vermelding “Overboeking tegoed”. In de boekhouding van de vennootschap is dit bedrag ook niet als lening aan [C] geboekt. Ten tijde van de oprichting d.d. 8 juli 2005 stond het startkapitaal derhalve niet werkelijk ter beschikking van de vennootschap. De curator zal de aandeelhouder aanspreken tot volstorting van het minimumkapitaal van 18.000,-. Het feit dat niet is voldaan aan de volstortingsverplichting betekent voorts dat de bestuurder van [B] hoofdelijk aansprakelijk is voor elke tijdens zijn bestuur verrichte rechtshandeling waarvoor de vennootschap is verbonden (artikel 2:180 lid 2 BW Pro).”
Verdere aanspraken heeft de curator niet jegens [verweerder] ingesteld.
2.Procesverloop
voor de leeuwen gegooid voelde”. Sinds het ongeval in 2008 werkte zijn vader weliswaar niet meer fulltime bij [B] , maar bij afwezigheid van zijn vader werd niet gecalculeerd. De bestellingen bij Aabo werden “
steeds in overleg en in opdracht van mijn vader” gedaan. Tijdens vakantieverblijf van zijn ouders van begin juli tot eind augustus 2009 in Spanje had [verweerder] telefonisch contact over de bestellingen met zijn vader (rov. 2.10). Het hof leidt uit de getuigenverklaringen van onder andere [verweerder] af dat [betrokkene 2] in de maanden juli tot 2 september 2009 via zijn zoon opdracht heeft gegeven de bestellingen bij Aabo te plaatsen (rov. 2.12).
3.Juridisch kader
die eis geldt, omdat dat minimum aan extra zekerheid, hoe bescheiden dat ook is, aan crediteuren moet worden geboden, en bovendien, en los daarvan, omdat het niet als verantwoord werd beoordeeld om een vennootschap met een nóg geringere draagkracht aan het verkeer te laten deelnemen.” [13] Het minimumkapitaalvoorschrift bood slechts een schijnzekerheid. [14] Het daadwerkelijk storten op de aandelen kon plaatsvinden in een periode van vijf maanden voorafgaand aan de oprichting van de BV. Op het moment dat een crediteur jaren later, zoals in het onderhavige geval Aabo in 2009, betaling wenst van zijn vordering biedt het voorschrift geen garantie dat het bedrag nog aanwezig is in het vermogen van de vennootschap. [15]
De bestuurders zijn naast de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor elke tijdens hun bestuur verrichte rechtshandeling waardoor de vennootschap wordt verbonden in het tijdvak voordat:(…)
Van Aken/Savelbergh, [22] Biggles, [23] WTN [24] en
Bas-C [25] . Aan de hand van deze rechtspraak kunnen verschillende gevallen worden onderscheiden. [26]
Van Aken/Savelberghuit 1981 ging het bij de oprichting van de BV om een storting in natura. Er werd een eenmanszaak met een negatief saldo ingebracht. Daarmee was volgens het hof niet aan de volstortingsverplichting voldaan en was de stortingsaansprakelijkheid van art. 2:180 lid 2 BW Pro (oud) van toepassing. De Hoge Raad overwoog: [27]
’s Hofs oordeel dat Van Aken voor 31 okt. 1980 op de desbetreffende aandelen in het geheel niets heeft gestort, geeft geen blijk van een onjuiste opvatting van het begrip 'storten' in art. 180 en Pro is voor het overige van feitelijke aard, zodat het in zoverre in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Het is in het licht van wat het Hof heeft vastgesteld omtrent hetgeen Van Aken heeft erkend — waaronder vooral van belang is diens erkenning dat 'zijn eerder door hem gedreven eenmanszaak' bij de inbreng tot storting op meerbedoelde aandelen een negatief saldo van ƒ 142 530,70 opleverde — alsmede van de overgelegde bescheiden geenszins onbegrijpelijk. Dat oordeel behoefde ook geen nadere motivering, waarbij mede in aanmerking valt te nemen dat het onder de gegeven omstandigheden op de weg van Van Aken lag om te stellen wanneer en op welke wijze hij op zijn aandelen heeft gestort en uit de stukken niet blijkt dat hij in dit verband, behalve op de door het Hof in r.o. 4a en 4b vermelde akte van 31 okt. 1980 en de naar aanleiding daarvan opgemaakte 'gewijzigde inbrengbalans', op enig ander feit heeft gewezen dan op de door het Hof in r.o. 7 behandelde voorlopige koopakte van 3 febr. 1976; het subonderdeel voert ook niet aan dat Van Aken heeft gesteld dat voor 31 okt. 1980 op de aandelen, waarvoor hij in het geplaatst kapitaal van de besloten vennootschap heeft deelgenomen, enige storting in contanten heeft plaatsgevonden.”
[d]e door de wet in art. 180 lid 2 voor Pro de b.v. (…) op straffe van hoofdelijke aansprakelijkheid voorziene storting, [ertoe] strekt, dat van meet af aan ook enigedaadwerkelijkeinbreng wordt ge[ë]ffectueerd[onderstreping A-G].” [28] Ook uit latere rechtspraak van de Hoge Raad, de hierna te bespreken
WTN- en
Bas-C-arresten, volgt dat de inbreng daadwerkelijk ter beschikking van de vennootschap moet worden gesteld. Om aan de volstortingsverplichting te voldoen moeten daadwerkelijk van buiten activa, in geld of in natura, in het vermogen van de BV vloeien. [29]
Indien niet uit de oprichtingsakte of aangehechte overeenkomst betreffende inbreng in natura blijkt dat bij de oprichting de minimaal vereiste storting heeft plaats gehad, is het aan de betrokken bestuurder-groot aandeelhouder die aan zijn hoofdelijke aansprakelijkheid wil ontkomen, om te stellen wanneer en op welke wijze hij heeft gestort.”
Van Aken/Savelberghspeelde voor de invoering van het vereiste van een bankverklaring bij storting in geld (art 2:203a BW) in 1986 (zie onder 3.3). Volgens Nieuwe Weme & Van Solinge kan uit het arrest worden afgeleid dat indien niet uit de oprichtingsakte of de aangehechte stukken blijkt dat de minimaal vereiste storting heeft plaatsgevonden, degene bij wie de aandelen zijn geplaatst, zal moeten stellen en aantonen dat en hoeveel hij heeft gestort. Dat geldt volgens hen ook voor de bestuurder-grootaandeelhouder die aan zijn hoofdelijke aansprakelijkheid ex art. 2:69/180 lid 2 BW wil ontkomen. [31]
Biggles-arrest van de Hoge Raad uit 1988 deed zich een zogenoemd “
kasrondje” voor. Met een kasrondje wordt het verschijnsel bedoeld dat de vennootschap in oprichting de gestorte gelden kort na de volstorting terugboekt aan degene die heeft gestort, waarbij de ontstane schuld in rekening-courant bij de vennootschap wordt geboekt. [32] In het
Biggles-arrest achtte de Hoge Raad een dergelijk kasrondje in beginsel niet ongeoorloofd: [33]
De ten tijde van de oprichting van de vennootschap geldende wettelijke bepalingen stonden er niet aan in de weg dat volstorting van de aandelen van een op te richten besloten vennootschap plaatsvond voor de oprichting door middel van storting van het daartoe vereiste bedrag op een rekening van de BV in oprichting, noch dat het aldus ontvangen bedrag door de BV i.o. werd gebruikt en daartoe weer van de rekening werd opgenomen (alles op voorwaarde van bekrachtiging door de BV). Indien 's hofs arrest aldus moet worden gelezen dat het hof van oordeel is dat volstorting op deze wijze niet rechtsgeldig kan plaatsvinden, geeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
tolerante” uitspraak van de Hoge Raad ten aanzien van de rechtsgeldigheid van een kasrondje speelt mee dat het hof zijn arrest “
wel erg summier had gemotiveerd”. [34] Evenals
Van Aken/Savelberghspeelde deze zaak nog voordat het vereiste van de bankverklaring in de zin van art. 2:203a BW bij storting in geld in 1986 in werking was getreden (zie onder 3.3).
WTN-arrest van de Hoge Raad uit 2000 was sprake van een zogenoemde “
vestzak-broekzakoperatie”, [35] waarbij het te storten bedrag weliswaar op een afzonderlijke rekening ten name van de vennootschap in oprichting was bijgeschreven, maar de tegenwaarde daarvan tegelijkertijd was afgeschreven ten laste van een andere rekening die ook ten name van de BV i.o. stond. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof dat met een dergelijke operatie het gestorte kapitaal niet daadwerkelijk door de oprichters aan de vennootschap ter beschikking is gesteld in stand. De Hoge Raad overwoog: [36]
Blijkens haar ontstaansgeschiedenis heeft de in art. 2:203a
neergelegde regeling ten doel zeker te stellen, dat geen oprichting van een vennootschap plaatsvindt zonder dat de oprichters het gehele volgens de akte van oprichting te storten kapitaal hetzij bij de oprichting hetzij op een eerder tijdstip (ten vroegste vijf maanden voor de oprichting gelegen) ter beschikking van de vennootschap hebben gesteld. Het zou niet met deze doelstelling stroken te aanvaarden dat de vennootschap (onderscheidenlijk, in geval van haar faillissement, haar curator) geen beroep kan doen op feiten en omstandigheden die meebrengen dat, alhoewel is voldaan aan de letter van art. 2:203a
lid 1, aanhef en onderb
, het gestorte kapitaal niet daadwerkelijk door de oprichters aan de vennootschap in oprichting ter beschikking is gesteld.”
dat hij in voorkomende gevallen ernstig rekening wil houden met de strekking en doelstelling van wettelijke bepalingen betreffende het kapitaalbeschermingsrecht.” [37]
Bas-C-arrest van de Hoge Raad uit 2003. [38] In dat arrest ging het om een zogenoemde “
sigaar uit eigen doos”. [39] In die zaak had de ‘storting’ plaatsgevonden ten laste van een positief saldo op de rekening van de B.V. i.o., dat was ontstaan door haar werkzaamheden in het stadium voor de oprichting en alle rechtshandelingen in het stadium voor de oprichting waren bekrachtigd. De Hoge Raad overwoog dat: [40]
3.5 (…) de volstorting van de aandelen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van middelen die tot het vermogen van de vennootschap moeten worden gerekend. Omdat het bedrag van de storting is verkregen door het eerst aan het (toekomstig) vermogen van Bas-C BV te onttrekken, is niet voldaan aan het bepaalde in art. 2:178 lid Pro 2.
Bas-C-arrest gesteld dat het kasrondje in beginsel niet (meer) door de beugel kan. [41] Hij ziet geen principieel verschil tussen het kasrondje en de “
sigaar uit eigen doos” die in het
Bas-C-arrest aan de orde was. Het kasrondje is volgens Huydecoper: [42]
een sigaar uit de doos van de ander misschien, maar dan wel een die, als alles zijn beslag heeft gekregen, gewoon weer in de oorspronkelijke doos blijkt te zijn teruggelegd.”
Ik zou thans willen onderscheiden al naar gelang het teruglenen plaats vindt vóór of na de oprichting van de BV. Vóór de oprichting ware ten aanzien van het teruglenen grote terughoudendheid te betrachten. In het licht van de onderhavige uitspraak zou al gauw kunnen worden geoordeeld dat het aldus bewerkstelligen van (slechts) een vordering ongeacht de daarbij bedongen voorwaarden de realiteit, het daadwerkelijke aan de storting heeft ontnomen. En dan geldt naast de alsnog na te komen stortingsplicht mogelijk ook de sanctie van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders aangeduid in lid 2 sub b van art. (169 en) 180 BW. (…).
grote terughoudendheid” dient te worden betracht, trekken Van Solinge & Nieuwe Weme deze waarschuwing door tot een categorisch uitsluiten van teruglenen voor oprichting in alle gevallen, zelfs als de teruglening plaatsvindt op zakelijke en marktconforme voorwaarden. [44]
vooren
naoprichting. [45] Volgens hem kan uit de rechtspraak niet worden afgeleid dat er een absoluut verbod is voor de vennootschap om gelden terug te lenen ten laste van haar vermogen, ook niet als dat voor de oprichting gebeurt. Assink ziet de verhouding tussen de vraag (i) of de storting reëel is en (ii) of de lening vanuit de vennootschap bezien zakelijk verantwoord is, als volgt: [46]
Met het eerste (reële storting) is het tweede (zakelijk verantwoorde condities) niet automatisch gegeven; andersom zal van een niet-reële storting in beginsel geen sprake zijn, indien de geldlening vanuit de vennootschap bezien op objectief zakelijk verantwoorde condities heeft plaatsgevonden.”
is €18.000,= overgemaakt op de bankrekening van Servecare BV i.o. en ING heeft vervolgens een bankverklaring afgegeven.
4.5 (…). De kernvraag die moet worden beantwoord, is of [F] en/of gedaagde 2 hebben voldaan aan de volstortplicht als bedoeld in artikel 2:191 BW Pro. Naar het oordeel van de rechtbank moet die vraag bevestigend worden beantwoord. Daartoe wordt het volgende overwogen.4.6 Bij de oprichting op 7 november 2008 van Hi-Power is door [F] een bedrag van € 18.000 voor de aandelen gestort. Van deze storting is op 7 november 2008 een bankverklaring afgegeven door ING. Op 7 november 2008 stond genoemd bedrag dus ter beschikking aan Hi-Power. Op 11 november 2008 is vervolgens een bedrag groot € 17.800 betaald aan gedaagde 2 die op dat moment aandeelhouder was. Anders dan de curator betoogt, leidt dit niet zonder meer tot de conclusie dat het gestorte bedrag niet feitelijk ter beschikking van de opgerichte vennootschap heeft gestaan. Het aan gedaagde 2 doorgestorte bedrag is immers in de vorm van een vordering in rekening-courant op gedaagde 2 in privé opgevoerd op de balans van Hi-Power en heeft dus in de vorm van een vordering op gedaagde 2 ter beschikking gestaan van Hi-Power.4.7 De omstandigheid dat aan de terugstorting geen schriftelijke overeenkomst van geldlening ten grondslag ligt - hetgeen door gedaagde 2 is erkend - rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat er geen vordering uit hoofde van een lening kan zijn ontstaan. (…).”
Biggles-arrest en geeft het hof een uiteenzetting van de feiten en het oordeel in die zaak. In rov. 4.15 concludeert het hof dat de gang van zaken in de onderhavige zaak naar het oordeel van het hof in essentie niet afwijkt van de
Biggles-casus. Het hof overweegt verder in rov. 4.15 onder meer dat het bedrag weliswaar voor de oprichting weer is teruggeboekt naar [C] , maar volgens [verweerder] via de rekening-courantverhouding met [D] wel aan [B] i.o. en (na diens oprichting) aan [B] ter beschikking zou blijven staan. In rov. 4.16 houdt het hof het ervoor dat het
Biggles-arrest zijn gelding heeft behouden voor zaken als de onderhavige, ook na de inwerkingtreding van art. 2:203a BW en na het
Bas-C-arrest. Na een uiteenzetting over de
Bas-C-zaak overweegt het hof in rov. 4.16 dat de situatie in het
Bas-C-arrest verschilt van de onderhavige zaak in de zin dat in de onderhavige zaak wel een storting (in geld) namens de oprichter heeft plaatsgevonden en dat het gestorte kapitaal (via de rekening-courantverhouding met de oprichter) ter beschikking zou zijn blijven staan van de onderneming. In rov. 4.17 komt het hof vervolgens tot het oordeel dat het er bij de vraag of is voldaan aan de volstortingsverplichting op aankomt of het teruggeboekte bedrag daadwerkelijk ter beschikking is blijven staan aan [B] (i.o.) en dat daarbij ook van belang is of deze lening zakelijk verantwoord was en of [B] (i.o.) desgewenst over dit bedrag kon blijven beschikken.
Biggles-arrest terecht tot uitgangspunt genomen. Het hof heeft onder ogen gezien dat het bedrag weliswaar vóór de oprichting is teruggeboekt (rov. 4.15), maar oordeelt dat het aankomt op de vraag of het bedrag daadwerkelijk ter beschikking is blijven staan van [B] i.o. (rov. 4.17). De strenge opvatting waarin het
Biggles-arrest zijn gelding heeft verloren en terugboeken vóór de oprichting in alle gevallen tot gevolg heeft dat van een reële storting geen sprake is, is mijns inziens terecht niet aanvaard door het hof.
4.Bespreking van de cassatieklachten
eersteonderdeel klaagt dat het hof in zijn beslissingen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans een onbegrijpelijke motivering aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, door te miskennen dat [verweerder] in eerste aanleg in rechte heeft erkend dat niet was voldaan aan de volstortingsverplichting. Het hof had de erkenning, althans niet-betwisting, van [verweerder] van het niet voldaan zijn aan de volstortingsverplichting moeten onderkennen en daar in zijn oordelen vanuit moeten gaan.
het in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij.” De in art. 154 Rv Pro omschreven erkenning kan zowel betrekking hebben op de erkenning van feiten, de erkenning van rechtsgevolgen als de erkenning van de gehele vordering. [51]
overbodig. [52] De processuele rechtsgevolgen van de gerechtelijke erkentenis zijn verstrekkend. Ten aanzien van wat in rechte wordt erkend, wordt de rechtsstrijd beëindigd. Dat heeft tot gevolg dat de rechter hetgeen is erkend, als grondslag voor zijn beslissing moet aanvaarden. [53] Asser spreekt in dit verband van de erkenning als “
een vorm van afstand van recht, een dispositieve handeling die gericht is op het teweegbrengen van een processueel rechtsgevolg (…).” [54]
aanhangige geding. Een in eerste aanleg gedane gerechtelijke erkentenis blijft dus gelden in hoger beroep en cassatie. [55] Dat de gerechtelijke erkentenis zich beperkt tot een erkenning in het aanhangige geding, betekent ook dat buitengerechtelijke erkenningen niet onder de reikwijdte van de bepaling vallen. [56] De mogelijkheden tot herroeping van een gerechtelijke erkentenis zijn op grond van lid 2 van art. 154 Rv Pro beperkt: aannemelijk moet zijn dat de erkenning door dwaling of niet in vrijheid is afgelegd.
uitdrukkelijkworden gedaan. De wetsgeschiedenis spreekt behalve over uitdrukkelijkheid ook over ondubbelzinnigheid: [57]
Tevens is de gerechtelijke erkentenis een uitdrukkelijk, ondubbelzinnig, erkennen, een handeling waarop niet mag worden teruggekomen. Zij moet worden onderscheiden van een stilzwijgende erkentenis.”
(…) Overigens heeft het hof niet blijk gegeven van een miskenning van het begrip gerechtelijke erkentenis in de zin van art. 154 Rv Pro. en de gebondenheid daaraan, als bepaald in het tweede lid van dat artikel. Een partij die ter zitting ervan blijk geeft zich te verenigen met een aldaar door de rechter, vooruitlopend op zijn uitspraak en al of niet voorlopig, gegeven oordeel waarbij een of meer van de stellingen van de wederpartij worden aanvaard, geeft daarmee niet zonder meer te kennen dat zij de waarheid van die stelling of stellingen erkent in de zin van art. 154 lid 1 Rv Pro. Daartoe is immers vereist dat die erkenning uitdrukkelijk en, mede met het oog op de slechts zeer beperkte gronden waarop de erkenning volgens het tweede lid van dat artikel kan worden herroepen, ondubbelzinnig betrekking heeft op de waarheid van de betrokken stellingen (vgl. de memorie van toelichting op art. 180 (oud) Rv., Parlementaire Geschiedenis nieuw bewijsrecht, blz. 114). Indien genoemd oordeel vervolgens in de uitspraak is neergelegd, kan daarom de eerstgenoemde partij, indien zij van een tegen die uitspraak openstaand beroep gebruik maakt, alsnog bezwaren tegen dat oordeel inbrengen.”
7. [D] B.V. heeft dus op datum oprichting niet voldaan aan zijn volstortingsplicht, terwijl zij dat bij de levering van de aandelen wel aan [A] B.V. en de heer [verweerder] heeft gegarandeerd.
hoger beroepvan standpunt veranderd ten aanzien van de vraag of aan de volstortingsverplichting was voldaan. Verwezen wordt naar het proces-verbaal van de comparitie van partijen bij het hof van 10 oktober 2016 (zie onder 1.5 van het middel). In het proces-verbaal is onder meer het volgende opgenomen (p. 2):
Voorzitter aan mr. Doornbos: in de procedure die inmiddels door [verweerder] is gevoerd tegen [D] B.V. en [betrokkene 1] (hierna: gezamenlijk te noemen als [G] ) stelde u zich op het standpunt dat de aandelen [B] niet volgestort waren. In deze procedure verwijst u naar de stellingen van [G] in die procedure dat er wel volstorting had plaatsgevonden. Hoe verhoudt zich dat tot elkaar?
[d]e kern van de zaak inderdaad nog [betreft] de vraag of de aandelen zijn volgestort.” [verweerder] heeft zelf tijdens de comparitie verklaard (p. 3 proces-verbaal): “
Toen was de opvatting nog dat er geen volstorting van de aandelen had plaatsgevonden.”
4.1.De feiten
4.4.4 Art. 2:180 bepaalt Pro – voor zover hier van belang – dat een bestuurder naast de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk is voor elke tijdens zijn bestuur verrichte rechtshandeling waarvoor de vennootschap wordt verbonden in het tijdvak voordat het gestorte deel van het kapitaal tenminste het bij de oprichting bepaalde minimumkapitaal bedraagt.
op zichzelfdus niet dat geen sprake was van een gerechtelijke erkenning.
vervolgensvan haar wederpartij krijgt tegengeworpen dat dat terugkomen niet is toegestaan, omdat sprake is van een gerechtelijke erkenning in de zin van art. 154 lid 1 Rv Pro. Dat ‘terugkomen op’ en het bezwaar daartegen zal zich doorgaans voordoen in appel, waarna de appelrechter zal moeten beoordelen of in de procedure bij de rechtbank sprake is geweest van een gerechtelijke erkenning (zodat daarop niet kan worden teruggekomen in appel, behoudens de uitzondering van lid 2 van art. 154 Rv Pro), of dat dat niet het geval is.
09. Dit oordeel volgt eveneens niet uit het door de rechtbank – ten onrechte – als ‘feit’ gepresenteerde niet volgestort zijn van de aandelen [B] (4.1 – waartegen grief 1 zich richt) en is onder verwijzing naar de toelichting bij grief 1 eveneens onjuist. Zoals ook hiervoor reeds aangegeven had de rechtbank [verweerder] in de gelegenheid moeten stellen [C] B.V. in vrijwaring op te roepen, in welke procedure het al dan niet volgestort zijn van de aandelen aan de orde zou zijn gekomen.
’, maar had de rechtbank, nu zij haar oordeel daarop baseert, een beslissing moeten nemen.
Welbeschouwd voert [verweerder] twee thema’s op in de vijf grieven, te weten:
(…)
De vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [verweerder] niet heeft voldaan aan zijn volstortingsverplichtingen ex artikel 2:180 BW Pro als gevolg waarvan hij hoofdelijk aansprakelijk is voor de vorderingen van Aabo.”
konbetwisten, omdat zij het niet volgestort zijn van de aandelen in eerste aanleg uitdrukkelijk had erkend. Een dergelijk verweer is echter door Aabo niet gevoerd. Onder punt 12 van de memorie van antwoord stelt Aabo wel het volgende: “
Echter, in het kader van de diverse procedures kan [verweerder] ten aanzien van dat standpunt [het rechtsgeldig volgestort zijn van de aandelen] lichtelijk het “meewaaien met alle winden” worden verweten.” Het daarop volgende betoog mondt echter niet uit in de stelling dat sprake is van een gerechtelijke erkenning door [verweerder] op het punt van volstorting. En onder punt 13 legt Aabo vervolgens nogmaals uit – onder verwijzing naar het faillissementsverslag van de curator – waarom haars inziens geen sprake was van een rechtsgeldige volstorting.
verplichtom dat ambtshalve vast te stellen, zeker niet nu het hof de kwestie wel ter comparitie aan de orde heeft gesteld (zie onder 4.8), en ook bij die gelegenheid door Aabo niet naar voren is gebracht dat sprake was van een gerechtelijke erkenning van [verweerder] .
tweedeonderdeel klaagt dat het hof de twee-conclusie-regel heeft miskend, voor zover het hof in de grieven van [verweerder] heeft gelezen dat [verweerder] daarin bestreed dat sprake was van voldoening aan de volstortingsplicht. Het gewijzigde standpunt van [verweerder] terzake is volgens het onderdeel pas ingenomen ter gelegenheid van de comparitiezitting in hoger beroep en dat is, gelet op de twee-conclusie-regel, te laat. Verder klaagt het onderdeel dat het oordeel van het hof op dit punt (rov. 4.5 en 4.8 tussenarrest en rov. 2 eindarrest) onbegrijpelijk is.
derdeonderdeel klaagt in de eerste plaats dat rov. 2.3-2.6 van ’s hofs eindarrest blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans een onvoldoende begrijpelijke motivering, ten aanzien van de stelplicht en bewijslast die voortvloeien uit art. 2:180 lid Pro 2, aanhef en sub b, BW (oud). Het onderdeel klaagt dat onjuist is dat de stelplicht en bewijslast volgens het hof op Aabo rusten. Het hof heeft miskend dat de bewijslast van het voldaan zijn aan de volstortingsverplichting op [verweerder] rust.
Van Aken/Savelbergh-arrest uit 1981 was van een dergelijke uitzondering sprake (zie onder 3.9). In dat arrest heeft de Hoge Raad aangenomen dat in de gegeven omstandigheden de bewijslast rustte op de bestuurder. De bestuurder diende te stellen wanneer en op welke wijze hij op zijn aandelen heeft gestort. Maeijer heeft uit het arrest de bijzondere regel afgeleid dat als niet uit de oprichtingsakte of de aangehechte overeenkomst betreffende inbreng in natura blijkt dat aan de minimum volstortingsverplichting is voldaan, het aan de bestuurder is om te stellen wanneer en op welke wijze hij op de aandelen heeft gestort (zie onder 3.11). De zaak speelde voor de invoering van het vereiste van een bankverklaring bij storting in geld (art. 2:203a BW). Nieuwe Weme & Van Solinge hebben uit het arrest afgeleid dat indien niet uit de oprichtingsakte of de aangehechte stukken blijkt dat de minimaal vereiste storting heeft plaatsgevonden, degene bij wie de aandelen zijn geplaatst, zal moeten stellen en aantonen dat en hoeveel hij heeft gestort. Dat geldt volgens hen ook voor de bestuurder-grootaandeelhouder die aan zijn hoofdelijke aansprakelijkheid ex art. 2:69/180 lid 2 BW wil ontkomen. [62]
Van Aken/Savelberghin deze zaak niet aan de orde.
Abma q.q./Kooy [64] - waarin het overigens ging om een vordering van de curator tot volstorting van de aandelen - is de hoofdregel van art. 150 Rv Pro juist bevestigd. In die zaak werd echter betekenis toegekend aan de omstandigheid dat het ging om een ‘slapende’ vennootschap (rov. 5.5), zonder activa en passiva (rov. 5.6), waarvan de jaarstukken ontbraken (rov. 5.7). Onder deze omstandigheden bestond er volgens het hof gerede twijfel of de geplaatste aandelen door de oprichters wel waren volgestort (rov. 5.8). Dat leidde ertoe dat volgens het hof uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeide dat de koper van de aandelen, de bewijslast droeg dat de oprichters van de vennootschap aan hun volstortingsverplichting hadden voldaan (rov. 5.9).
Palstra q.q./Ten Campis een soortgelijke zaak, [65] waarin de rechtbank Utrecht tot het oordeel kwam dat er gerede twijfel bestond of de aandelen waren volgestort, gelet op de omstandigheden dat Ten Camp de aandelen in een vennootschap zonder bezittingen en schulden had gekocht (rov. 5.3), en hij bij de aandelenoverdracht niet naar de jaarstukken van de vennootschap had gevraagd (rov. 5.4). Onder deze omstandigheden rustte volgens de rechtbank op Ten Camp de bewijslast dat de aandelen zijn volgestort (rov. 5.7).
Aabo daarover[A-G: over de voltstortingsplicht]
in eerste aanleg nauwelijks iets heeft gesteld”, terwijl uit de overwegingen rov. 4.5, 4.6 en 4.8 van het tussenarrest geen andere conclusie mogelijk is dan dat het hof de stellingen van Aabo in voldoende mate uit de gedingstukken heeft kunnen afleiden, en dat het hof van oordeel was dat Aabo had voldaan aan haar stelplicht. In het eindarrest is het hof afgeweken van die lijn. Aabo heeft terzake ook voldoende gesteld: zij heeft immers verwezen naar het verslag van de curator van 5 maart 2010, waarin de curator heeft vermeld dat niet is voldaan aan de stortingsplicht.
vierdeonderdeel geklaagd dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom Aabo niet aan haar bewijslast zou hebben voldaan, mede in het licht van de erkenning van [verweerder] in eerste aanleg en gelet op de inhoud van het verslag van de curator van 5 maart 2010.
4.17 Met betrekking tot de vraag of is voldaan aan de volstortingsverplichting komt het er op aan of het op 1 juli 2005 gestorte en op 5 juli 2005 weer teruggeboekte bedrag daadwerkelijk ( in rekening-courant verhouding) ter beschikking is blijven staan aan [B] (i.o.). Bij de beantwoording van deze vraag is ook van belang of deze lening zakelijk verantwoord was – onder zakelijke voorwaarden is aangegaan - en of [B] (i.o.) desgewenst over dit bedrag kon blijven beschikken. Volgens Aabo is dat niet het geval en is sprake geweest van een geconstelleerde constructie.
2.3 Het hof stelt bij zijn nadere beoordeling en in aanvulling op wat in het tussenarrest al is overwogen, voorop dat de stelplicht en bewijslast dat niet is voldaan aan de volstortingsverplichting rusten op Aabo .
tussenarrestkan niet anders worden begrepen dan dat het hof van oordeel was dat Aabo de ‘stelplicht-drempel’ had gepasseerd. Het hof heeft specifiek vermeld op welke punten
door [verweerder]inlichtingen moesten worden verstrekt. Die inlichtingen had het hof nodig om de kernvraag te kunnen beantwoorden, namelijk of het teruggeboekte geld ter beschikking van [B] (i.o.) is blijven staan (zie rov. 4.18 tussenarrest). Het hof is er daarmee in het tussenarrest kennelijk vanuit gegaan dat Aabo voldoende had gesteld ter onderbouwing van haar stelling dat
nietwas voldaan aan de volstortingsplicht. Ik ga er vanuit dat het hof hierbij met name acht heeft geslagen op de omstandigheid dat het bedrag van € 18.000,-- vóór oprichting teruggeboekt is door [B] , terwijl per datum oprichting (8 juli 2015) in de balans van [B] geen rekening-courant met de groepsmaatschappijen was opgenomen (tussenarrest rov. 4.18). Voorts zal het hof in aanmerking hebben genomen – overeenkomstig de stellingen van Aabo [66] – dat de curator in zijn faillissementsverslag had opgenomen dat niet voldaan was aan de volstortingsplicht, en dat [verweerder] hierover een regeling had getroffen met de curator. In het
eindarrestdoet het hof als het ware een stap terug, en wordt Aabo tegengeworpen dat zij ‘nauwelijks iets heeft gesteld’ (rov. 2.3) en dat het door haar gestelde ‘summier is’ (rov. 2.5). Het hof bespreekt níet de inlichtingen die [verweerder] in zijn akte heeft gegeven naar aanleiding van de door het hof gestelde vragen, en wat daaruit is af te leiden voor de beantwoording van de kernvraag. Niet alleen is dit niet te rijmen met de overwegingen in het tussenarrest, en de daarin door het hof aan [verweerder] voorgelegde vragen. Bovendien is niet duidelijk welke (aanvullende of meer gedetailleerde) stellingen van Aabo het hof had gewenst, welke stellingen het hof mist en en waarom het hof in het tussenarrest dan geen vragen aan
Aaboheeft gesteld. Daarbij komt dat het verwijt dat het hof in het eindarrest maakt aan Aabo , over het uiterst summier toelichten van haar stellingen, niet terecht is. Op zichzelf is het juist dat Aabo in haar akte van 27 mei 2010 haar vordering heeft aangevuld met een beroep op art. 2:180 lid 2 BW Pro. Maar dit kan niet als een onredelijk laat moment van eiswijziging worden aangemerkt. Aabo verwees hierbij naar het door haar als productie overgelegde faillissementsverslag van 5 maart 2010 (dat Aabo , gelet op de datum van dat verslag, niet eerder
konoverleggen), waarin de curator zonder enig voorbehoud vaststelde dat niet voldaan was aan de stortingsplicht (zie de feitenvaststelling onder 1.11). Vervolgens heeft [verweerder] , zoals hiervoor uiteen is gezet (zie onder 4.10-4.11), erkend dat niet was voldaan aan de stortingsplicht. In eerste aanleg was er dan ook geen enkele aanleiding voor Aabo om nader in te gaan op het niet voldaan zijn aan de stortingsplicht. Zoals gezegd, heeft [verweerder] de vraag of voldaan is aan de stortingsplicht in hoger beroep alsnog tot onderwerp van debat gemaakt. Aabo heeft daarop ook gereageerd: zij heeft opnieuw verwezen naar het faillissementsverslag en bovendien gesteld dat uit de administratieve bescheiden niet blijkt dat sprake is geweest van een boeking van het bedrag in rekening-courant. [67] In het licht van deze stellingen is mij niet duidelijk waarom het hof van oordeel is ‘dat het door Aabo gestelde summier is’ (rov. 2.5) en dat [verweerder] het gestelde voldoende heeft betwist (rov. 2.6). Hierbij is nog op te merken dat het hof kennelijk níet bedoelt dat Aabo in haar antwoordakte na tussenarrest onvoldoende weersproken zou hebben wat [verweerder] in reactie op de vragen van het hof in zijn akte na tussenarrest naar voren heeft gebracht; [verweerder] had namelijk inhoudelijk niets nieuws met betrekking tot die vragen aangevoerd en deze gedeeltelijk ook onbeantwoord gelaten. Aabo heeft daarop in haar antwoordakte ook gewezen.
dat het gaat om feiten en omstandigheden waarvan voorstelbaar is dat [verweerder] daar niet uit eigen wetenschap kennis van heeft’ (rov. 2.5), in gelijke mate – zo niet meer – geldt voor Aabo , als schuldeiser van [B] .
vijfdeonderdeel klaagt dat het hof art. 24 Rv Pro heeft geschonden door het in rov. 2.5 “
voorstelbaar” te achten dat [verweerder] van bepaalde feiten of omstandigheden niet uit eigen wetenschap kennis heeft, en dat in die situatie geen verdergaande motivering van zijn betwisting kan worden gevergd. Nu dat een argument is dat [verweerder] in hoger beroep niet heeft aangevoerd, geeft het oordeel van het hof blijk van ontoelaatbare aanvulling van de stellingen van [verweerder] . Het onderdeel klaagt voorts dat het “voorstelbaar”-oordeel van het hof in rov. 2.5 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk is. Het is niet van belang of de bestuurder (al dan niet uit eigen wetenschap) kennis heeft van het niet voldaan zijn aan de volstortingsverplichting, omdat de volstortingsverplichting een kwalitatieve verplichting is die verbonden is aan het aandeelhouderschap.
bewijsnoodverkeert ten aanzien van de beantwoording van de door het hof gestelde vragen (in die zin dat de daarvoor benodigde informatie voor hem onbereikbaar is), en dat hem om die reden niet is tegen te werpen dat hij twee van de vier vragen niet heeft beantwoord. Het wel of niet
uit eigen wetenschapkennis hebben over bepaalde feiten is immers op zichzelf geen argument waarom een partij haar stellingen niet zou hoeven te onderbouwen of te bewijzen. [69] Het is ook geen argument om een bewijsaanbod te passeren.
hoenadere informatie zou kunnen worden verkregen over de door het hof gestelde vragen, namelijk door een specifiek bewijsaanbod te formuleren, is niet begrijpelijk waarom het hof – in het voordeel van [verweerder] – overweegt dat (door mij zo opgevat) [verweerder] in bewijsnood verkeert en dat daarom van hem ‘niet een verdergaande motivering van zijn betwisting kan worden gevergd’.