Conclusie
1.Feiten
Berekenen van N-term als alle examenkandidaten de maximale score zouden hebben gehaald op opgave 15. Dit blijkt een N-term van 0,3 te zijn.
Compenseren voor het scorepunt dat een deel van de leerlingen niet heeft behaald. (...)
De uiteindelijke N-term is daardoor uitgekomen op 0,3 + 0,2 = 0,5.
Hierdoor heeft de examenkandidaat behaald 9*(20/51) + 0,5 = 4,029. (...) Indien zij een maximale score voor opgave 15 zou hebben gekregen dan was zij uitgekomen op 9*(21/51) + 0,3 = 4,006. (...)
2.Procesverloop
3.Het cassatieberoep
alleleerlingen te gelden. Het CvTE kan niet alleen voor de Leerling afwijken van de beoordelingsnormen. Dit brengt mee dat – ook volgens de Staat – een vordering als de onderhavige aan de burgerlijke rechter moet worden voorgelegd. Deze kan daarover inhoudelijk oordelen, op basis van een onrechtmatige daads-vordering tegen het CvTE.
4.Juridisch kader
het vaststellen van het aantal toetsen, de tijdsduur en de aard van de toetsen, overeenkomstig het examenprogramma;
het vaststellen van het tijdstip van de toetsen, de wijze waarop en de vorm waarin de toetsen worden afgenomen;
het tot stand brengen en vaststellen van de opgaven;
het tot stand brengen en bij regeling vaststellen van de beoordelingsnormen en de daarbij behorende scores;
het geven van regels voor de omzetting van de scores in cijfers;
het tot stand brengen en bij regeling vaststellen van syllabi, overeenkomstig het examenprogramma; en
het geven van regels met betrekking tot de hulpmiddelen die gebruikt mogen worden bij het maken van de opgaven.”
regels voor de beoordeling, op grond van het Examenbesluit;
algemene regels, op grond van deze regeling;
vakspecifieke regels, op grond van een besluit van het College voor Toetsen en Examens op grond van artikel 6 of Pro 12 van deze regeling;
een beoordelingsmodel bij iedere toets.”
Bij een 5,5 in het ene jaar hoort dezelfde prestatie van de kandidaat als bij een 5,5 in een ander jaar”, zo is vermeld. Daartoe wordt eerst aan de hand van een ‘referentie-examen’, dat is een examen dat door het CvTE en het onderwijsveld wordt beschouwd als een ‘goed’ examen, een voorlopige N-term bepaald. Deze N-term wordt zo gekozen, dat voor een examen in een bepaald jaar, een zelfde percentage voldoendes en onvoldoendes wordt gehaald als in voorafgaande jaren.
.
het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is;
hij voor:
hij onverminderd onderdeel b:
hij voor geen van de onderdelen, genoemd in het tweede lid, lager dan het eindcijfer 4 heeft behaald; en
hij voor de vakken culturele en kunstzinnige vorming en lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, de kwalificatie ‘voldoende’ of ‘goed’ heeft behaald.”
‘een overwegende invloed van publiekrechtelijke corporaties op het beheer van instellingen van bijzonder onderwijs’. [27] Tenslotte, zo vermeldt de memorie van toelichting, is van belang dat aan instellingen van bijzonder onderwijs geen overheidstaken zijn opgedragen, noch de daarvoor benodigde publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend. Beslissingen die door het bevoegd gezag van een instelling van bijzonder onderwijs worden genomen, zijn in beginsel dan ook privaatrechtelijk van aard. [28] Geschillen naar aanleiding van dergelijke beslissingen dienen te worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.
bijzondereonderwijsinstelling (voor wat betreft het bepalen van de uitslag van het examen: tezamen met de secretaris). Ook in dat geval is immers sprake van de uitoefening van openbaar gezag en gaat het om beslissingen waaraan een extern rechtsgevolg is verbonden. De betreffende beslissingen zijn dus ook in het bijzonder onderwijs aan te merken als besluiten in de zin van de Awb. [35]
tijdelijkeuitzondering was. Per 1 januari 2013 is die tijdelijkheid ongedaan gemaakt. [40]
zelfeen vervangend besluit te nemen. [43] Als dat het geval is, betekent dat dat het in beroep genomen besluit óók een besluit is omtrent ‘het kennen of kunnen’, waardoor de uitzondering geldt. [44] Als dat niet het geval is – en er dus geen bevoegdheid is om een vervangend besluit te nemen – is geen sprake van een besluit omtrent ‘het kennen of kunnen’ en geldt de uitzondering niet. [45] In dat geval staat dus de bestuursrechtelijke rechtsgang open. Echter, de toets die de bestuursrechter in dat geval mag uitvoeren, is beperkt van omvang. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrecht blijkt dat de rechter het besluit in dat geval alleen mag toetsen aan voorschriften van procedurele aard die bij of krachtens de Awb of enige andere wet in formele zin zijn gesteld. [46] Indien dat anders zou zijn, zou de uitzonderingsbepaling worden omzeild.
niethet geval is, zal de bestuursrechter immers niet – door middel van exceptieve toetsing – daarover kunnen oordelen. In dat geval zal de Leerling in de bestuursrechtelijke rechtsgang ook niet ter toetsing kunnen voorleggen waar het haar in wezen om gaat, namelijk dat het correctievoorschrift Frans direct had moeten worden aangepast zodat ook het door haar gegeven antwoord goed zou zijn gerekend, in plaats van het later voor iedereen goed rekenen van het antwoord op de betreffende vraag én het verhogen van de N-term. [50]
Pocketbooks II-arrest. [51]
Leenders/Ubbergen. [53] Als de bestuursrechter echter in het kader van exceptieve toetsing zijn oordeel heeft gegeven over de (on)verbindendheid van het algemeen verbindende voorschrift, kan de burger niet meer bij de civiele rechter terecht. Dit is beslist in het arrest
OZB/Staat. [54]
ter uitvoeringvan dat algemeen verbindende voorschrift krijgt voorgelegd. Het besluit van directeur en secretaris tot vaststelling van de uitslag van het schoolexamen (ex art. 48 lid 1 Eindexamenbesluit Pro VO) kan echter niet worden aangemerkt als een besluit ter uitvoering van een of meer van de regelingen als genoemd onder 4.46. Zoals gezegd, gaat het hier om een gebonden besluit, waarbij alleen getoetst wordt aan het bepaalde in art. 50 Eindexamenbesluit Pro VO. Dit betekent dat als de Leerling het besluit ex art. 48 lid 1 Eindexamenbesluit Pro VO ter toetsing aan de bestuursrechter zou voorleggen, dit nooit tot het door de Leerling in de onderhavige procedure gewenste resultaat kan leiden. Vast staat immers dat op juiste wijze toepassing is gegeven aan art. 50 Eindexamenbesluit Pro VO.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
vier onderdelendie zijn weergegeven onder 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5 en 2.1.6. Het eerste onderdeel bestaat uit
zes subonderdelen, die zijn genummerd als 2.1.3-I, 2.1.3-II, 2.1.3-III, 2.1.3-IV, 2.1.3.-V en 2.1.3-VI. Onderdeel 2.1.5 bestaat uit twee subonderdelen die zijn weergegeven onder A en B.
2.1.3-I en 2.1.3-IIwordt aangevoerd dat de beslissing van de directeur tot vaststelling van het cijfer (ex art. 47 Eindexamenbesluit Pro VO) geen besluit is in de zin van art. 1:3 Awb Pro, omdat de mededeling van het cijfer aan de kandidaat een gewone mededeling of feitelijk handelen is, en niet een op rechtsgevolg gericht besluit. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat de schriftelijkheid ontbreekt. Volgens subonderdeel
2.1.3-IIIis pas de vaststelling van de uitslag van het examen (ex art. 50 Eindexamenbesluit Pro VO) een besluit waartegen een bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat. De toetsing van dat besluit in een bestuursrechtelijke rechtsgang zal echter nooit kunnen opleveren dat bij wijze van exeptieve toetsing de door de Leerling aangevoerde bezwaren tegen de Aanvulling correctievoorschrift en de aanpassing van de N-norm worden behandeld, zo wordt in subonderdeel
2.1.3-IVaangevoerd. De vaststelling door de directeur van de uitslag van het examen vindt namelijk plaats overeenkomstig art. 50 Eindexamenbesluit Pro VO; de onderliggende regelgeving met betrekking tot de beoordeling en normering blijft buiten het zicht van de directeur. De subonderdelen
2.1.3-V en 2.1.3-VIvatten de voorgaande subonderdelen samen, en leiden tot de conclusie dat er voor de Leerling geen mogelijkheid openstond om de algemeen verbindende voorschriften waartegen haar bezwaren zich richten, aan de bestuursrechter voor te leggen. Dit betekent dat zij ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering bij de burgerlijke rechter.
subonderdeel Awordt aangevoerd dat het oordeel van het hof, dat ‘het kennen en kunnen’ niet in geding is (rov. 3.16), getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De uitspraken waar het hof naar verwijst in rov. 3.17 zien alleen op de procedurele kant van een besluit inhoudende een beoordeling van ‘het kennen of kunnen’. De Leerling vraagt echter een oordeel over de inhoudelijke kant. Dat is nu juist uitgesloten van toetsing in een bestuursrechtelijke procedure. In
subonderdeel Bwordt daaraan toegevoegd dat de uitspraken waar het hof naar verwijst, betrekking hebben op het openbaar onderwijs en niet gelden voor het bijzonder onderwijs. Als het gaat om een bijzondere onderwijsinstelling, is alleen de vaststelling van de uitslag van het examen (ex art. 48 Eindexamenbesluit Pro VO) een besluit in de zin van de Awb, aldus het subonderdeel.
onderdeel 2.1.6wordt een samenvatting gegeven van de voorgaande klachten. Geconcludeerd wordt dat het oordeel van het hof dat er een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan, onjuist is.
nietkunnen toekomen aan een toetsing van de rechtmatigheid van de onderliggende beoordelingsnormen (dan wel de wijze van toepassing van die beoordelingsnormen), daaronder begrepen de Regeling beoordelingsnormen, het op grond van die regeling door het CvTE vastgestelde correctievoorschrift, de Regeling omzetting scores en de manier waarop volgens Bijlage 1 bij die Regeling de N-term moet worden bepaald. De bezwaren van de Leerling richten zich echter juist daartegen.