Uitspraak
200606497/2) is afgewezen.
Raad van State
Appellant had bezwaar gemaakt tegen de beoordeling van zijn tentamen Belastingrecht J Spelproces, dat door twee docenten van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid met een onvoldoende (vier) was gewaardeerd. Het college van beroep voor de examens verklaarde het administratief beroep van appellant ongegrond, waarna appellant beroep instelde bij de rechtbank Amsterdam. Ook de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
Appellant stelde onder meer dat de docenten onbevoegd waren, dat zijn recht op onderwijs werd geschonden, dat de voorbereiding onzorgvuldig was en dat hij onevenredig werd benadeeld door het niet meer kunnen afleggen van het tentamen. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de examencommissie en de docenten bevoegd waren en dat het tentamen onderdeel was van de opleiding Fiscale Economie. De toetsing door de bestuursrechter is beperkt tot formele aspecten en niet de inhoud van het tentamen.
Verder oordeelde de Afdeling dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet de mogelijkheid had om de benodigde studiepunten via andere onderdelen te behalen. Ook werd geoordeeld dat de rechtbank onafhankelijk en onpartijdig had gehandeld en dat de procesrechten van appellant niet waren geschonden.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.