Conclusie
middelklaagt er over dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, althans dat deze beslissing berust op gronden die deze niet kunnen dragen.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of het openbaar ministerie terecht niet-ontvankelijk werd verklaard omdat het aanwezigheidsrecht van de verdachte was geschonden nadat deze was overgeleverd aan Letland. De verdachte was gedetineerd in Letland terwijl tegen hem in Nederland een hoger beroep liep. De raadsman maakte herhaaldelijk kenbaar dat de verdachte gebruik wilde maken van zijn recht om bij de behandeling aanwezig te zijn, en verzocht om aanhouding van de zitting.
Het hof oordeelde dat het openbaar ministerie onvoldoende inspanningen had verricht om de aanwezigheid van de verdachte te bewerkstelligen en verklaarde het OM niet-ontvankelijk. De Hoge Raad stelt echter dat het hof niet heeft vastgesteld of sprake was van een onherstelbare inbreuk op het aanwezigheidsrecht, noch of het OM ernstig inbreuk heeft gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde.
De Hoge Raad benadrukt dat schending van het aanwezigheidsrecht niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Er moet een belangenafweging plaatsvinden tussen het aanwezigheidsrecht, het belang van een spoedige berechting en de organisatie van de rechtspleging. Het hof heeft deze afweging niet gemaakt en heeft onvoldoende onderzocht of het aanwezigheidsrecht alsnog effectueren mogelijk was.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling. Daarbij moet het hof de belangen zorgvuldig afwegen en nagaan of het aanwezigheidsrecht alsnog kan worden gerealiseerd, eventueel met compenserende maatregelen zoals beeldcommunicatie. De zaak illustreert de complexiteit van het aanwezigheidsrecht bij buitenlandse detentie en de rol van het OM en de rechter in het waarborgen van een eerlijk proces.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling vanwege onvoldoende motivering van de niet-ontvankelijkverklaring van het OM.