Conclusie
“handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”,
“handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III”en
“opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr en met een proeftijd van twee jaren. Het hof beveelt voorts de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen als in het arrest genoemd.
middelbehelst de klacht dat het hof het verzoek van de verdediging tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft afgewezen.
waarschijnlijk” niet op de hoogte was van de terechtzitting aangezien hij op andere terechtzittingen altijd trouw is verschenen. Vanaf het moment waarop de raadsman door de strafgriffie op de hoogte werd gesteld van de dag van de terechtzitting in hoger beroep tot en met het moment van die terechtzitting zelf, heeft de raadsman de verdachte meermalen tevergeefs getracht te bereiken. Het hof heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen op de grond dat het onvoldoende is onderbouwd.
unequivocal) blijkt. [9] Het begrip ‘ondubbelzinnig’ kan niet worden gelijkgesteld aan het begrip ‘uitdrukkelijk’. [10] Afstand van recht, ofschoon niet uitdrukkelijk gedaan, kan onder omstandigheden worden
vermoed. [11] Wil afstand van recht kunnen worden vermoed, dan zullen de aanwijzingen daarvoor voldoende duidelijk moeten zijn. Dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht op aanwezigheid mag niet worden gebaseerd op speculatie, aldus begrijp ik het EHRM uit zijn casuïstische benadering van de problematiek.
onvoldoende is onderbouwd”. In dat summierlijk gemotiveerde oordeel ligt besloten dat het hof in hetgeen door de raadsman was aangevoerd géén ‘duidelijke aanwijzingen’ zag om af te wijken van het uitgangspunt dat de verdachte onder de gegeven omstandigheden mag worden geacht afstand te hebben gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Dat oordeel acht ik in dit geval niet onbegrijpelijk en bovendien (nipt) toereikend gemotiveerd, aangezien (1) de verdachte in eerste aanleg ter terechtzitting was verschenen en het vonnis (dus) op tegenspraak is gewezen, (2) de verdachte van het veroordelend vonnis in hoger beroep is gekomen, (3) de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend aan de griffier en per post is verzonden naar het inschrijvingsadres van de verdachte, (4) artikel 588a lid 1 Sv niet is veronachtzaamd, [15] (5) de raadsman – vanaf het moment dat hij bekend werd met de dag van de terechtzitting, tot op de zitting – zijn cliënt meermalen
tevergeefsheeft getracht te bereiken, en (6) aan het verzoek tot aanhouding niets méér ten grondslag is gelegd dan dat de niet-verschenen verdachte volgens de raadsman “
waarschijnlijk” niet op de hoogte was van de zitting omdat hij normaliter wel verschijnt.
niet– na overleg met zijn cliënt – op grond van (gestelde) onwetendheid of onmacht de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting verzocht, maar heeft de raadsman te kennen gegeven dat hij zelf ook niet weet of de verdachte op de hoogte is van de zitting omdat hij hem niet kon bereiken.
dat het verzoek niet dan wel onvoldoende is onderbouwd.” In dat geval mocht afstand van het aanwezigheidsrecht niet zonder meer worden aangenomen, en had het hof wél moeten toekomen aan de hiervoor bedoelde belangenafweging. Daarin schoot het hof tekort.
verhindering(onmacht) om daarvan gebruik te maken. Ook in dergelijke gevallen volgt het rechterlijk beoordelingskader het vaste stramien: (1) onderzoek naar de reden van afwezigheid van de verdachte, en zo nodig daarna (2) belangenafweging. [17] Daartoe onderzoekt de rechter
eerstof de gestelde reden van verhindering (a) correspondeert met de werkelijkheid, dat wil zeggen: ‘waar’, althans plausibel is, én (b) van voldoende gewicht is.
seeking to evade justice”, en (ad b) als hij vanwege een onbenulligheid verstek laat gaan, is dat geen teken van onmacht maar van onwil.
onvoldoende is gebleken dat verdachte niet in staat zou zijn de zitting bij te wonen”) de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet dragen, aldus oordeelde de Hoge Raad. Voor ziekte – indien plausibel – geldt immers de vrij harde regel dat zij als reden van verhindering sowieso van voldoende gewicht is. [18]
Ter terechtzitting heeft de raadsman het Hof verzocht de behandeling van de strafzaak tegen de verdachte aan te houden, opdat de verdachte bij die behandeling aanwezig zou kunnen zijn. Hij heeft daartoe aangevoerd nog recent contact te hebben gehad met verdachte, verbaasd te zijn over zijn afwezigheid en de mogelijkheid geopperd dat de verdachte zich in vreemdelingenbewaring bevond. Het Hof heeft dat verzoek afgewezen op de grond dat de dagvaarding voor de terechtzitting "op de juiste wijze lijkt te zijn betekend". Mede gelet op het hiervoor onder 2.3 vooropgestelde beoordelingskader[van HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, D.A.]
, heeft het Hof zijn beslissing daarmee niet toereikend gemotiveerd.”
lijkt” te zijn betekend, spreekt voor zich. Ook overigens brengt deze motivering niet tot uitdrukking dat het hof zich rekenschap heeft gegeven van zijn onderzoeksverplichting. Dat was hier nodig omdat de raadsman uitdrukkelijk te kennen gaf dat hij recentelijk nog contact had gehad met de niet-verschenen verdachte.