Conclusie
1.Feiten
“moet nog veel verteld worden hoe iets moet”. Onderdeel (B), Taakuitoefening, bestaat uit 14 subonderdelen. De leidinggevende heeft vier keer een M ingevuld, zes keer een N en vier keer een G. Het hokje ‘samenvattend oordeel’ is niet ingevuld. Onder het kopje ‘toelichting’ is niets ingevuld. Onderdeel (C), Sociale Vaardigheden, bestaat uit vier subonderdelen. Op alle subonderdelen heeft de Werknemer een N gescoord. Bij de toelichting is vermeld:
“is verder goed.”Onderdeel (D), Teamkwaliteiten, bestaat uit vijf subonderdelen. De leidinggevende heeft in elk geval twee keer een M ingevuld en een keer een N. De overige twee scores zijn in het overgelegde exemplaar niet goed leesbaar. Als toelichting is vermeld:
“is soms teveel met andere dingen bezig (praten).”
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Ihoudt
primairin dat art. 10 CAO Pro een bijzondere regel van bewijslastverdeling geeft, als bedoeld in art. 150 Rv Pro, laatste zinsnede. Daarmee is het aan de werkgever om te bewijzen dat de werknemer níet voldoet aan de eisen van zijn functie.
Subsidiairwordt betoogd dat deze regel geldt op grond van redelijkheid en billijkheid, nu de Werknemer door toedoen van Lapack in een onredelijk zware bewijspositie is geraakt. Daarbij wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de omstandigheid dat Lapack de Werknemer geen schriftelijke functiebeschrijving heeft verstrekt en niet op regelmatige basis beoordelings- en functioneringsgesprekken met de Werknemer heeft gevoerd.
door toedoenvan de wederpartij in bewijsnood verkeert; in dat geval kan er wél aanleiding zijn om de bewijslast bij de wederpartij te leggen. [10]
hoofdregelis dat de werknemer het normloon ontvangt. Dit is in de
eerste plaatsaf te leiden uit het woord ‘normloon’. Dat woord impliceert immers dat dát loon de norm is, dus “
de toestand die voor een categorie van personen of zaken de gewone is of waarnaar zij zich kunnen of moeten richten” (volgens de eerste betekenis die in Van Dale aan het woord ‘norm’ wordt toegekend). Dat het ontvangen van het normloon de hoofdregel is, wordt in de
tweede plaatsbevestigd doordat dit als eerste situatie (sub a) wordt omschreven; de uitzondering wordt daarna genoemd (sub b). Dat het de hoofdregel is dat de werknemer het normloon ontvangt, volgt in de
derde plaatsuit de omstandigheid dat dit het loon is dat geldt voor de werknemer die aan de eisen van zijn functie voldoet. Het voldoen aan de eisen van de functie kan als de gebruikelijke situatie worden beschouwd; het niet voldoen aan de functie-eisen is een afwijking van de gebruikelijke situatie. Dat de hoofdregel is dat de werknemer het normloon ontvangt, is in de
vierde plaatsaf te leiden uit de omstandigheid dat de werknemer die het norminkomen nog niet ontvangt (maar in de instroomschaal zit), versneld naar het normloon toegroeit. Hij ontvangt immers jaarlijks een periodiek totdat het normloon is bereikt, in plaats van de gebruikelijke twee jaarlijkse periodiek (art. 10 sub Pro c).
hoofdregelis dat de werknemer het normloon ontvangt, is af te leiden dat het aan de werkgever is om te stellen en te bewijzen dat de hoofdregel níet van toepassing is. Op degene die zich beroept op een ‘tenzij-bepaling’ – dus op een uitzondering, als afwijking van een hoofdregel – rust immers de stelplicht en de bewijslast voor het van toepassing zijn van die ‘tenzij-bepaling’. [20] Daarmee is het aan de werkgever om te stellen en te bewijzen dat de werknemer onder de uitzondering van art. 10, onder b, CAO valt, omdat deze niet aan de eisen van de functie voldoet en om die reden kan worden ingedeeld in de instroomschaal.
doelvan collectieve loonafspraken als de onderhavige is dat werknemers verzekerd zijn van een bepaald loonniveau; de werkgever mag daar niet in hun nadeel van afwijken. Een collectieve loonafspraak brengt rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de werknemer mee. [21] Loonafspraken in een CAO strekken dan ook in de eerste plaats ter bescherming van de werknemer. [22] Als van de werknemer gevergd wordt dat hij stelt en bewijst dat hij aanspraak heeft op het normloon dat in de CAO is vastgelegd, wordt aan die strekking afbreuk gedaan.
werkgever. Het ligt immers op de weg van de werkgever om functioneringsgesprekken te voeren en te zorgen voor deugdelijke verslaglegging daarvan. [23] Dit is een verplichting die voortvloeit uit de eisen van goed werkgeverschap. Wanneer geen periodieke functioneringsgesprekken zijn gevoerd of wanneer geen deugdelijke verslaglegging daarvan heeft plaatsgevonden, zal het voor de werknemer in het algemeen zeer moeizaam of zelfs onmogelijk zijn om te bewijzen dat hij voldoet aan de functie-eisen.
nietaan de eisen van zijn functie voldoet en daarom
geenrecht heeft op het normloon.
Kacar Kisacik /Stegeman. [25] In deze zaak ging het om het beroep van een ontslagen werkneemster op het opzegverbod wegens zwangerschap van art. 1639h lid 4 BW (thans: art. 7:670 lid 2 BW Pro). De Hoge Raad overwoog het volgende:
Voorop moet worden gesteld dat ingevolge art. 1639h lid 4 eerste zin, een ontslag ‘gedurende de zwangerschap’ van de werkneemster nietig is. Blijkens de parlementaire geschiedenis, weergegeven in de conclusie van het OM, is de strekking van deze regel de arbeidsrechtelijke positie van de werkneemster te versterken en een wettelijke waarborg te geven dat de werkneemster niet tijdens haar zwangerschap haar arbeidsplaats verliest, waarbij kennelijk heeft meegewogen dat het voor een werkneemster in het algemeen moeilijk zal zijn om tijdens haar zwangerschap aan nieuw werk te komen.