Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof twee “schriftelijke bescheiden houdende de verklaring van een persoon waarvan de identiteit niet blijkt” als bedoeld in artikel 344a, derde lid, Sv tot het bewijs heeft gebezigd, terwijl het hof niet in het bijzonder de redenen tot het gebruik van deze schriftelijke bescheiden als bewijsmiddel geeft. Het
tweede middelklaagt dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
als verklaring van aangever [slachtoffer]:
als relaas van bevindingen van verbalisant:
als verklaring van getuige onder nummer 11663388;
als verklaring van [getuige]:
als relaas van bevindingen van verbalisant:
als relaas van bevindingen van verbalisant:
als verklaring van [medeverdachte 1]:
als verklaring van [medeverdachte 2]:
als relaas van bevindingen van verbalisanten:
‘de NN getuige en de getuige onder nummer dezelfde persoon [betreft]’. Daarmee is het aannemelijk dat ook het hof er vanuit is gaan dat sprake is van één en dezelfde getuige en dat de anonieme getuige daarmee eveneens individualiseerbaar is. Het gebruik van beide verklaringen voor het bewijs dwingt in ieder geval niet tot de conclusie dat het hof daarvan niet is uitgegaan. Het proces-verbaal van bevindingen van 21 april 2016, bevattende de verklaring van de anonieme getuige, kan dan evenmin worden aangemerkt als een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt.
i)of de getuige in de onderhavige zaak op enig moment door de rechter-commissaris als beperkt anonieme getuige is gehoord en, zo ja,
ii)of het gebruik voor het bewijs van een verklaring van een (te individualiseren) getuige onder nummer afgelegd bij de politie nadere motivering van de rechter behoeft, wanneer dezelfde getuige naderhand door de rechter-commissaris als beperkt anonieme getuige is gehoord.
“omstreeks 20:00 uur zat ik buiten met nog wat personen (…)”).