ECLI:NL:PHR:2019:585

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juni 2019
Publicatiedatum
3 juni 2019
Zaaknummer
18/01063
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 56a SvArt. 266 SrArt. 267 SrArt. 27a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens schending aanwezigheidsrecht verdachte in hoger beroep

De zaak betreft een verdachte die op 5 juli 2017 werd aangehouden en ingesloten op een politiebureau tijdens de behandeling van zijn hoger beroep bij het hof Den Haag. De verdachte was niet aanwezig bij de zitting, maar zijn raadsman wel. Het hof behandelde de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte, uitgaande van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.

De advocaat-generaal stelt dat dit vermoeden onjuist was, omdat de verdachte ten tijde van de zitting gedetineerd was zonder dat het hof daarvan op de hoogte was. De raadsman had bovendien aangegeven dat de verdachte hem de dag vóór de zitting had laten weten dat hij aanwezig zou zijn, maar dat hij op het moment van de zitting geen contact met hem kon krijgen.

De Hoge Raad oordeelt dat het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht is geschonden. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar het hof voor een nieuwe behandeling in aanwezigheid van de verdachte. Tevens is de redelijke termijn overschreden, maar dit wordt aan het hof overgelaten bij de herbeoordeling.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens schending van het aanwezigheidsrecht en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling in aanwezigheid van de verdachte.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/01063
Zitting4 juni 2019
(bij vervroeging)

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 19 juli 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens 1 subsidiair “opzetheling” en 2 “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft voorts beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen, nog niet teruggegeven, voorwerpen en naar aanleiding van twee vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straffen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. C. van Aken, advocaat te Geertruidenberg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelbehelst de klacht dat de verdachte in strijd met art. 6 EVRM Pro niet in de gelegenheid is gesteld bij de berechting van zijn zaak in hoger beroep aanwezig te zijn, aangezien hij ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep was ingesloten in een politiebureau en hij niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
De stukken van het geding houden, voor zover hier van belang, het volgende in:
(i) Op 18 oktober 2016 heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak bij de politierechter in de rechtbank Den Haag plaatsgevonden. De verdachte was op die terechtzitting aanwezig en de politierechter heeft op diezelfde datum mondeling vonnis gewezen.
(ii) Namens de verdachte heeft zijn raadsman, mr. A.M. Ariese, op 20 oktober 2016 ter griffie van de rechtbank Den Haag hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Dit vonnis en de appelakte vermelden als adres in de basisregistratie personen (hierna: BRP) van de verdachte [a-straat 1] , [postcode 1] , ’s-Gravenhage. Daarin is ook vermeld dat de verdachte verblijft in het Detentiecentrum “Alphen aan den Rijn” te Alphen aan den Rijn.
(iii) Een akte van uitreiking, gehecht aan de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het gerechtshof Den Haag van 5 juli 2017 om 11:05 uur, vermeldt als adres van de verdachte [b-straat 1] , [postcode 2] ‘s-Gravenhage. De akte houdt voorts in dat de appeldagvaarding op 17 mei 2017 op het adres [b-straat 1] te 's-Gravenhage is uitgereikt aan [betrokkene] (balie), [1] die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen.
(iv) De aan deze dagvaarding gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 26 mei 2017 houdt in dat de verdachte met ingang van 15 december 2016 stond ingeschreven in de BRP op het adres [b-straat 1] , [postcode 3] 's-Gravenhage. Met ingang van 17 december 2016 is van de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats bekend.
(v) Een tweede akte van uitreiking houdt in dat de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juli 2017 op 22 mei 2017 tevergeefs is aangeboden op het hiervoor onder (ii) genoemde adres van de verdachte en vervolgens – na niet te zijn afgehaald op de plaats genoemd in het bericht van aankomst – op 8 juni 2017 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Den Haag. Op 8 juni 2017 is voorts een afschrift van de dagvaarding verzonden naar het onder (ii) genoemde adres van de verdachte
(vi) De aan deze appeldagvaarding gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 8 juni 2017 heeft dezelfde inhoud als hiervoor onder (iv) vermeld.
(vii) De verdachte is niet verschenen op de terechtzitting in hoger beroep van 5 juli 2017. Zijn raadsman, mr. C. van Aken, is op die zitting wel verschenen en heeft daar verklaard uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. De raadsman voerde in dit verband het volgende aan:
“De raadsman deelt mede dat de verdachte hem gistermiddag telefonisch heeft medegedeeld dat hij heden ter terechtzitting wel aanwezig zou zijn en voorts dat hij zojuist geen contact met de verdachte heeft kunnen krijgen”.
De raadsman heeft het woord tot verdediging gevoerd. Het hof heeft op 19 juli 2017 uitspraak gedaan.
5. Aan de cassatieschriftuur is een kopie gehecht van een voorblad van een proces-verbaal van de politie Amsterdam, district Amsterdam-Centrum /-Noord, basisteam Boven IJ, opgemaakt op 5 juli 2017. Daaruit blijkt dat de verdachte op woensdag 5 juli 2017 om 04:45 uur is aangehouden voor “eenvoudige belediging ambtenaar in tegenwoordigheid mondeling” (art. 266, eerste lid, Sr jo. 267, tweede lid, Sr). De verdachte is vervolgens om 07:39 uur voorgeleid aan de hulpofficier, waarna om 07:41 uur het bevel ophouden voor onderzoek is gegeven. Op dezelfde dag om 14:59 uur is de verdachte op last van de officier van justitie heengezonden.
6. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Uitgangspunt is dat indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in de BRP rechtsgeldig is betekend, de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen en de ter terechtzitting aanwezige, door de verdachte uitdrukkelijk gevolmachtigde raadsman niet verzoekt de behandeling van de zaak aan te houden met het oog op de uitoefening van het aanwezigheidsrecht door de verdachte, de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. De mogelijkheid bestaat dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak rechtens van zijn vrijheid was beroofd zonder dat dit de rechter bekend was. Die enkele omstandigheid is daartoe evenwel niet toereikend. [2]
7. Aan de herkomst en betrouwbaarheid van het onder 5 vermelde stuk hoeft in redelijkheid niet te worden getwijfeld. Uit dat stuk kan worden afgeleid dat de verdachte in de ochtend waarop de terechtzitting bij het hof heeft plaatsgevonden (5 juli 2017), door de politie is aangehouden en vervolgens in het kader van het bevel ophouden voor onderzoek op grond van art. 56a, eerste lid, Sv is ingesloten op het politiebureau. De insluiting vond plaats ten tijde van de behandeling van de zaak door het hof. In het licht van het voorafgaande, meen ik dat de beslissing van het hof om de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte te behandelen omdat het hof een gerechtvaardigd vermoeden kon hebben dat de verdachte vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, achteraf bezien onjuist is. Daardoor is aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht tekortgedaan. Uit hetgeen hiervoor onder 6 is vooropgesteld, volgt dat de enkele omstandigheid dat de raadsman geen aanhoudingsverzoek heeft gedaan niet meebrengt dat hierover anders moet worden gedacht. Daarbij neem ik verder in aanmerking dat de raadsman het hof heeft kenbaar gemaakt dat de verdachte hem “gistermiddag” heeft meegedeeld dat hij wel ter terechtzitting aanwezig zou zijn en dat hij “zojuist” geen contact met de verdachte heeft kunnen krijgen.
8. Ten aanzien van de verhouding van de voorliggende zaak tot de zaken die hebben geleid tot de arresten van de Hoge Raad van 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1128 en van 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2240, NJ 2016/486, merk ik het volgende op. Evenals in de zaak die heeft geleid tot het eerstgenoemde arrest, vond de aanhouding van de verdachte plaats op dezelfde ochtend als de ochtend van de zitting. In die zaak werd de verdachte om 10.54 uur door de politie in verwarde toestand aangetroffen en was hij ingesloten om hem door een psychiater te laten beoordelen, terwijl hij om 11.40 uur voor de rechtbank moest verschijnen. De verdachte had aan de politie meegedeeld "dat hij om 11.40 uur een zitting had". In de onderhavige zaak heeft de raadsman opgemerkt dat de verdachte hem de middag vóór de zitting had meegedeeld dat hij ter zitting aanwezig zou zijn. De Hoge Raad heeft in het genoemde arrest van 20 juni 2017 overwogen dat die zaak verschilt van de zaak die aan de orde was in HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2240, NJ 2016/486, in die zin dat het daar ging om een verdachte die al enkele weken gedetineerd was voordat de terechtzitting plaatsvond. De Hoge Raad overwoog dat in dat geval kan worden aangenomen dat de verdachte in voldoende mate in de gelegenheid is geweest een aanhoudingsverzoek te (doen) indienen. Ook de voorliggende zaak laat zich met die situatie moeilijk vergelijken en vertoont meer gelijkenis met de zaak die heeft geleid tot het arrest van 20 juni 2017. [3]
9. Het voorafgaande brengt mij tot de volgende conclusie. Gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, dient de verdachte de mogelijkheid te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Het bestreden arrest kan niet in stand blijven.
10. Het eerste middel slaagt.
11. Het
tweede middelbehelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
12. Namens de verdachte is op 26 juli 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 14 september 2018 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld.
13. Het voorafgaande brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Nu de zaak vanwege het slagen van het eerste middel zal moeten worden teruggewezen, kan het hof na terugwijzing de overschrijding van de redelijke termijn in zijn overwegingen betrekken. [4] Dat betekent dat de Hoge Raad het middel onbesproken kan laten.
14. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel kan buiten bespreking blijven.
15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Aan de [b-straat 1] te ’s-Gravenhage is een daklozenloket gevestigd. Vgl. ook HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:60 en mijn conclusie voorafgaand aan dat arrest (ECLI:NL:PHR:2017:1463).
2.HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1128, NJ 2017, 279 rov. 2.3 en HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2240, NJ 2016/486. Vgl. voor zaken waarin verstek is verleend: HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:788, rov. 2.3, HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3224, rov. 2.3, HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1009, rov. 2.3, HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:98, rov. 2.3, HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3042, rov. 2.3, HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8984, NJ 2013,72. Vgl. voor de situatie waarin de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in eerste aanleg of hoger beroep in het buitenland is gedetineerd: HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:709. Daarin zet de Hoge Raad uiteen onder welke omstandigheden de rechter gehouden is het onderzoek ter terechtzitting te schorsen indien het voor de verdachte feitelijk niet mogelijk is ter terechtzitting te verschijnen omdat hij in het buitenland is gedetineerd.
3.Daarbij realiseer ik mij dat het tijdsbestek tussen de aanhouding en de aanvang van de zitting in de onderhavige zaak een paar uur langer is dan in de zaak die leidde tot het arrest van 20 juni 2017. Ook staat op het proces-verbaal dat als bijlage bij de schriftuur is gevoegd de naam van mr. C. van Aken als advocaat vermeld. Niet duidelijk wordt evenwel of de verdachte daadwerkelijk contact met zijn raadsman heeft gehad, terwijl mr. Van Aken ter zitting heeft verklaard dat hij zojuist geen contact met zijn cliënt kreeg.
4.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.5.3.