(i) Op 18 oktober 2016 heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak bij de politierechter in de rechtbank Den Haag plaatsgevonden. De verdachte was op die terechtzitting aanwezig en de politierechter heeft op diezelfde datum mondeling vonnis gewezen.
(ii) Namens de verdachte heeft zijn raadsman, mr. A.M. Ariese, op 20 oktober 2016 ter griffie van de rechtbank Den Haag hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Dit vonnis en de appelakte vermelden als adres in de basisregistratie personen (hierna: BRP) van de verdachte [a-straat 1] , [postcode 1] , ’s-Gravenhage. Daarin is ook vermeld dat de verdachte verblijft in het Detentiecentrum “Alphen aan den Rijn” te Alphen aan den Rijn.
(iii) Een akte van uitreiking, gehecht aan de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het gerechtshof Den Haag van 5 juli 2017 om 11:05 uur, vermeldt als adres van de verdachte [b-straat 1] , [postcode 2] ‘s-Gravenhage. De akte houdt voorts in dat de appeldagvaarding op 17 mei 2017 op het adres [b-straat 1] te 's-Gravenhage is uitgereikt aan [betrokkene] (balie),die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen.
(iv) De aan deze dagvaarding gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 26 mei 2017 houdt in dat de verdachte met ingang van 15 december 2016 stond ingeschreven in de BRP op het adres [b-straat 1] , [postcode 3] 's-Gravenhage. Met ingang van 17 december 2016 is van de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats bekend.
(v) Een tweede akte van uitreiking houdt in dat de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juli 2017 op 22 mei 2017 tevergeefs is aangeboden op het hiervoor onder (ii) genoemde adres van de verdachte en vervolgens – na niet te zijn afgehaald op de plaats genoemd in het bericht van aankomst – op 8 juni 2017 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Den Haag. Op 8 juni 2017 is voorts een afschrift van de dagvaarding verzonden naar het onder (ii) genoemde adres van de verdachte
(vi) De aan deze appeldagvaarding gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 8 juni 2017 heeft dezelfde inhoud als hiervoor onder (iv) vermeld.
(vii) De verdachte is niet verschenen op de terechtzitting in hoger beroep van 5 juli 2017. Zijn raadsman, mr. C. van Aken, is op die zitting wel verschenen en heeft daar verklaard uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. De raadsman voerde in dit verband het volgende aan:
“De raadsman deelt mede dat de verdachte hem gistermiddag telefonisch heeft medegedeeld dat hij heden ter terechtzitting wel aanwezig zou zijn en voorts dat hij zojuist geen contact met de verdachte heeft kunnen krijgen”.
De raadsman heeft het woord tot verdediging gevoerd. Het hof heeft op 19 juli 2017 uitspraak gedaan.