ECLI:NL:PHR:2019:621

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2019
Publicatiedatum
11 juni 2019
Zaaknummer
18/03536
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 257c SvArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid openbaar ministerie ondanks schending beginselen goede procesorde bij snelheidsovertreding

De zaak betreft een snelheidsovertreding waarbij de verdachte aanvankelijk werd opgeroepen voor een OM-zitting met het oog op een strafbeschikking, maar later werd gedagvaard voor een rechterlijke zitting. De verdediging voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens schending van het vertrouwensbeginsel en een onevenredige belangenafweging, omdat de verdachte mogelijk een hogere straf zou krijgen dan bij een strafbeschikking.

Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat de niet nagekomen toezegging slechts een onjuiste keuze van forum betrof en niet leidde tot niet-ontvankelijkheid. De strafbeschikking en het vonnis verschillen niet wezenlijk in status, en het nadeel van een mogelijk hogere straf kan worden gecompenseerd bij de strafoplegging. De advocaat-generaal had een straf geëist die dit nadeel compenseerde.

De Hoge Raad bevestigt deze lijn en stelt dat het openbaar ministerie slechts in uitzonderlijke gevallen niet-ontvankelijk verklaard kan worden wegens schending van beginselen van een goede procesorde. In deze zaak was het verzuim relatief beperkt en voldoende gecompenseerd. Het beroep wordt verworpen en de bestreden uitspraak blijft in stand.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging ondanks de niet nagekomen toezegging omtrent strafbeschikking.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/03536
Zitting18 juni 2019

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 2 augustus 2018 wegens “overtreding van het bepaalde bij artikel 62, bord A 1 van bijlage I, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990” veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. C.E. Hok-A-Hin, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelbehelst de klacht dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging van de verdachte, althans dat diens voordeel ontoereikend is gemotiveerd.
Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:
“hij op 1 februari 2015 te Rotterdam als bestuurder van een motorvoertuig (motorfiets), op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A20, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 100 kilometer, per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 189 kilometer per uur.”
5. Uit de tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 juli 2018 overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte als preliminair verweer heeft gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens schending van beginselen van een goede procesorde. Zij heeft daartoe in de eerste plaats betoogd dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, aangezien de officier van justitie per brief van 11 januari 2016 aan de verdachte had toegezegd dat zijn zaak zou worden afgedaan met een strafbeschikking. In de tweede plaats heeft zij aangevoerd dat de vervolging in strijd is met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging, omdat de verdachte, doordat hij is gedagvaard, de kans loopt een hogere straf opgelegd te krijgen dan vermoedelijk bij strafbeschikking aan hem zou zijn opgelegd.
6. Het hof heeft dit verweer in zijn arrest verworpen en heeft daartoe het volgende overwogen:
“Het hof stelt vast dat uit het dossier blijkt dat de verdachte aanvankelijk is opgeroepen voor een OM-zitting, mogelijk leidend tot heb opleggen van een strafbeschikking. De betreffende oproeping is door het Openbaar Ministerie ingetrokken in verband met de onmogelijkheid van de verdachte om op het bepaalde moment aanwezig te zijn, met de toezegging dat hij een nieuwe oproeping voor een OM-zitting zal ontvangen. In plaats van een nieuwe oproeping te ontvangen, is de verdachte vervolgens gedagvaard voor een zitting bij de politierechter, en daarna (toen de politierechter zich onbevoegd had verklaard) voor een zitting bij de kantonrechter.
Naar het oordeel van het hof is deze gang van zaken zonder meer onjuist. De verdachte heeft erop mogen vertrouwen dat hij een nieuwe oproeping voor een OM-zitting zou ontvangen, en dat vertrouwen is door het Openbaar Ministerie beschaamd. De vraag is thans of het gevolg daarvan moet zijn dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard.
Naar het oordeel van het hof behelst de niet nagekomen toezegging van het Openbaar Ministerie niet de toezegging dat de verdachte voor het ten laste gelegde feit niet vervolgd zou worden. Om die reden gaat de door de raadsvrouw gemaakte vergelijking met een aantal eerdere rechterlijke uitspraken waar de toezegging wel de niet-vervolging betrof, dan ook niet op. Evenmin was er sprake van dat het de verdachte ten onrechte niet mogelijk is gemaakt om de uit een reeds afgegeven strafbeschikking voortvloeiende sanctie na te komen. Ook de vergelijking met die casus gaat dus niet op.
In het onderhavige geval kan niet ter discussie staan dat het de bedoeling van het Openbaar Ministerie was dat aan de verdachte voor de ten laste gelegde gedraging (een forse snelheidsovertreding) een strafsanctie zou worden opgelegd. Dit was ook voor de verdachte duidelijk. Deze sanctie zou echter niet beoordeeld en opgelegd moeten worden door de kantonrechter, maar door de officier van justitie in het kader van een OM-zitting. Het verzuim van het Openbaar Ministerie is dus slechts gelegen in een onjuiste keuze van het forum, niet meer en niet minder.
Naar het oordeel van het hof leidt dit relatief beperkte verzuim niet zonder meer tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het hof wijst er in dit verband op dat de status van een strafbeschikking niet wezenlijk afwijkt van die van een strafvonnis. Ook een strafbeschikking is een op een schuldvaststelling gebaseerde strafsanctie, die bij voorbeeld bij de toepassing van artikel 63 Wetboek Pro van Strafrecht en bij een strafverhoging op grond van recidive gelijk staat met een vonnis of arrest.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte door de hiervoor omschreven gang van zaken mogelijk nadeel ondervindt doordat bij een rechterlijke toetsing mogelijk een hogere straf zal worden opgelegd dan in geval van een strafbeschikking.
Het hof stelt voorop dat de omstandigheid dat niet een strafbeschikking maar een vonnis of arrest aan de opgelegde sanctie ten grondslag ligt, niet kan worden aangemerkt als een reëel nadeel voor de verdachte. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de vergelijkbare status van de beide afdoeningen.
Voorts overweegt het hof dat er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat bij een strafbeschikking een mildere sanctie zal worden opgelegd dan bij een vonnis of arrest. Zo blijkt uit de hier van toepassing zijnde strafvorderingsrichtlijnen dat ten aanzien van de hoogte van de sanctie geen onderscheid gemaakt wordt tussen de strafbeschikking en de eis ter terechtzitting. Evenwel kan niet uitgesloten worden dat de rechter een hogere sanctie oplegt dan de sanctie bij strafbeschikking. In zoverre
kanhet verzuim nadeel voor de verdachte opleveren.
Het hof stelt vast dat de advocaat-generaal ter terechtzitting bij haar vordering uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de door haar geëiste strafoplegging mede beoogt het mogelijk door de verdachte geleden nadeel te compenseren. Volgens de richtlijnen staat op de onderhavige snelheidsovertreding een geldboete van € 1.600,- en 4 maanden onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. De advocaat generaal heeft gevorderd dat in plaats van de door de kantonrechter opgelegde onvoorwaardelijke taakstraf van 30 uren, een voorwaardelijke taakstraf van gemelde omvang zal worden opgelegd.
Het hof ziet geen reden om de advocaat-generaal niet in haar eis te volgen. Dit betekent dat, zo er al nadeel door de verdachte is geleden, dit nadeel in ruime mate is gecompenseerd door de uiteindelijke strafoplegging. Van strijd met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging, zoals door de raadsvrouw is gesteld, is dan ook geen sprake.
De conclusie is dat het verweer wordt verworpen en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.”
7. Bij de stukken van het geding bevindt zich de door de raadsvrouw genoemde brief van de officier van justitie van 11 januari 2016. In de brief wordt de verdachte opgeroepen voor een OM-zitting op 29 januari 2016. De brief houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:
“Ik ben voornemens om een strafbeschikking aan u uit te vaardigen en wil u hierover horen. Indien u voldoet aan de opgelegde sancties van de strafbeschikking, hoeft u niet voor de rechter te verschijnen.”
8. Bij brief van 21 januari 2016, die zich eveneens bij de stukken bevindt, is de eerder toegezonden oproeping ingetrokken met als reden “overig”. Verder is in de brief vermeld dat de verdachte te zijner tijd een nieuwe oproeping kan ontvangen.
9. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. [1] De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. [2] Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen in de regel niet worden ontleend. [3] Een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur. Aan het oordeel dat het openbaar ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard dienen zware motiveringseisen te worden gesteld.
10. In de onderhavige zaak is geen toezegging aan de verdachte gedaan dat hij niet zou worden vervolgd, maar heeft de officier van justitie per brief medegedeeld dat hij “voornemens is” om een strafbeschikking aan de verdachte uit te vaardigen en dat hij hem met het oog daarop wil horen. Het uitvaardigen van een strafbeschikking is een daad van vervolging, zo volgt al uit de aanhef van titel IVA (“Vervolging door een strafbeschikking”). Als de mededeling dat het voornemen bestaat een strafbeschikking op te leggen moet worden beschouwd als een toezegging, dan is dit dus geen toezegging dat de verdachte niet zal worden vervolgd, maar dat hij door middel van een strafbeschikking zal worden vervolgd.
11. Daarbij merk ik op dat de omstandigheid dat het voornemen is geuit een strafbeschikking op te leggen niet zonder meer meebrengt dat daadwerkelijk een strafbeschikking zal worden opgelegd. Het horen van de verdachte met het oog op de oplegging van een strafbeschikking is in bepaalde gevallen verplicht gesteld in art. 257c Sr en is volgens de Aanwijzing OM-strafbeschikking tevens mogelijk als de officier van justitie horen noodzakelijk acht, “bijvoorbeeld om tot een zorgvuldige schuldvaststelling en/of strafoplegging te komen”. [4] Het horen geschiedt mede met het oog op de beantwoording van de vraag of de verdachte bereid is de aan hem opgelegde straf te voldoen. Als de verdachte zich daartoe niet bereid verklaart, kan hij alsnog worden gedagvaard. [5]
12. De vraag of het vertrouwensbeginsel kan worden ingeroepen in een geval als het onderhavige, is door de Hoge Raad – voor zover ik kon overzien – niet eerder beantwoord. Wel valt te wijzen op de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:192,
NJ2018/335 m.nt. Reijntjes. Aan de verdachte was naar aanleiding van – kort gezegd – het rijden zonder geldig rijbewijs een zogenoemde ‘combibon’ uitgereikt (vgl. art. 257c, vierde lid, Sv). Op die bon was kennelijk per abuis een kruisje gezet bij het vakje ‘aankondiging van een beschikking’, in plaats van bij het vakje ‘kennisgeving van bekeuring’. De verdachte werd uiteindelijk gedagvaard. In hoger beroep bepleitte de verdediging het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Aangevoerd werd dat door het zetten van het (onjuiste) kruisje bij de verdachte het vertrouwen was opgewekt dat hem een strafbeschikking zou worden aangeboden en dat hij dus niet zou worden gedagvaard in verband met het ten laste gelegde. Het hof verwierp het beroep op niet-ontvankelijkheid. Dit oordeel bleef in cassatie in stand. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat de enkele omstandigheid dat het verkeerde kruisje was aangekruist niet bij de verdachte het vertrouwen heeft gewekt dat aan hem een strafbeschikking zal worden aangeboden en dat hij niet zal worden gedagvaard niet onbegrijpelijk. Daarbij nam hij mede in aanmerking dat namens de verdachte in de kern was aangevoerd dat voor hem 'onduidelijk' was gebleven op welke wijze het geconstateerde feit zou worden afgedaan. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat het aangevoerde niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
13. In de onderhavige zaak houdt het in hoger beroep gevoerde verweer niet (mede) in dat bij de verdachte onduidelijkheid bestond over de wijze waarop het geconstateerde feit zou worden afgedaan. Het verweer behelst juist dat de verdachte ervan uitging dat zijn zaak met een strafbeschikking zou worden afgedaan en dat hij op de brief van de officier van justitie mocht vertrouwen. In zoverre verschilt de zaak van de hiervoor besprokene. De uitspraak van 13 februari 2018 heeft reeds daarom voor de onderhavige zaak daarom slechts beperkte betekenis.
14. Ik meen dat de onderhavige zaak beter kan worden vergeleken met de gevallen waarin de verdachte in afwijking van toepasselijke strafvorderingsrichtlijnen van het openbaar ministerie wordt gedagvaard. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat het dagvaarden van de verdachte in gevallen waarin volgens strafvorderingsrichtlijnen buitengerechtelijke afdoening door middel van een transactie zou moeten plaatsvinden, in strijd kan zijn met beginselen van een goede procesorde. [6] Als evenwel in afwijking van de toepasselijke richtlijn wordt gedagvaard, hoeft dit volgens de Hoge Raad niet in alle gevallen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Het geschonden belang kan in voorkomende gevallen voldoende worden gecompenseerd doordat het openbaar ministerie een straf vordert in overeenstemming met het transactieaanbod dat aan de verdachte overeenkomstig de richtlijn zou zijn gedaan en de rechter bij de strafoplegging ervan doet blijken het verzuim in zijn beoordeling te hebben betrokken. [7]
15. Mijn ambtgenoot Knigge concludeert aan de hand van (onder meer) deze rechtspraak dat “het belang dat de verdachte erbij heeft om overeenkomstig de desbetreffende beleidsregel een transactieaanbod te krijgen, volgens de Hoge Raad niet gelegen is in het feit dat hij – als hij het aanbod aanvaardt – niet in het openbaar terecht hoeft te staan. Dat belang kan evenmin – zo bevestigt het oordeel van de Hoge Raad – gelegen zijn in een mogelijk verschil in consequenties wat betreft de justitiële documentatie en de verklaring omtrent het gedrag. Het belang dat wel rechtens relevant is en bescherming verdient, is het belang om niet zwaarder gestraft te worden dan op grond van de desbetreffende beleidsregel mag worden verwacht”. [8]
16. Bij deze visie sluit aan dat de raadsvrouw ter zitting in hoger beroep desgevraagd heeft geantwoord op de vraag welk concreet nadeel is verbonden aan het ter zitting behandelen van de strafzaak in plaats van op een OM-zitting [9] :
“Het concrete nadeel is dat het Openhaar Ministerie de toezegging niet is nagekomen en er op zitting een hogere straf kan worden opgelegd. Het gaat er om dat mijn cliënt gehoord had moeten worden door de officier van justitie.”
17. De omstandigheid dat een toezegging is nagekomen zegt iets over het verzuim, maar niet over het concrete nadeel. Hetzelfde geldt voor de opmerking dat de verdachte door de officier van justitie gehoord had moeten worden. Resteert het risico dat er een hogere straf wordt opgelegd. [10] Daarmee is ook gegeven dat het desbetreffende nadeel gecompenseerd kan worden door daarmee bij het vorderen en opleggen van een straf rekening te houden. Dat geldt temeer in een situatie als de onderhavige, waarin de toezegging geen betrekking heeft op het – onder voorwaarden - uitblijven van een vervolging, zoals bij de transactie aan de orde is, maar op een bepaalde wijze van vervolging. Ook in de onderhavige zaak is een (voorwaardelijke) toezegging gedaan om de zaak niet voor de rechter te brengen, maar deze buitengerechtelijk af te doen. De omstandigheid dat de desbetreffende toezegging in een aan de verdachte gerichte brief is gedaan, maakt het voorafgaande naar mijn mening niet anders. De toezegging behelst immers geen concrete op te leggen sanctie en evenmin het afzien van vervolging.
18. Het hof heeft overwogen dat sprake is van een relatief beperkt verzuim dat niet zonder meer leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het hof heeft vervolgens overwegingen gewijd aan de vraag in hoeverre de verdachte door het verzuim nadeel heeft geleden. Het heeft vastgesteld dat uit de van toepassing zijnde strafvorderingsrichtlijnen blijkt dat ten aanzien van de hoogte van de sanctie geen onderscheid wordt gemaakt tussen de strafbeschikking en de eis ter terechtzitting. Voorts heeft het hof overwogen dat de advocaat-generaal ter terechtzitting bij haar vordering uitdrukkelijk heeft opgemerkt dat de door haar geëiste strafoplegging mede beoogt het mogelijk door de verdachte geleden nadeel te compenseren, dat op de onderhavige snelheidsovertreding volgens de richtlijn een geldboete van € 1600,- is gesteld alsmede vier maanden onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid en dat de advocaat-generaal heeft gevorderd dat in plaats van de door de kantonrechter opgelegde onvoorwaardelijke taakstraf van dertig uren, een voorwaardelijke taakstraf van gemelde omvang zal worden opgelegd. Het hof is de advocaat-generaal in die strafeis gevolgd en heeft in dat verband overwogen dat, zo er al nadeel door de verdachte is geleden, dit nadeel is gecompenseerd door de uiteindelijke strafoplegging.
19. In deze overwegingen komt het oordeel van het hof tot uitdrukking dat het verzuim in het onderhavige geval niet behoeft te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging omdat het in voldoende mate is gecompenseerd. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op hetgeen het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Ten overvloede wijs ik erop dat uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 19 juli 2018 blijkt dat de raadsvrouw heeft verzocht om geen straf of maatregel op te leggen dan wel een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen, terwijl over de strafoplegging in cassatie niet wordt geklaagd.
20. Het middel faalt.
21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Zie HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7,
2.Vgl. ook HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280,
3.Vgl. ook HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5002.
4.Aanwijzing OM-strafbeschikking,
6.HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4991.
7.HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3565,
8.Onderdeel 3.10 van de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:192,
9.Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, p. 2.
10.Vgl. onderdelen 3.9-3.13 van de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:192,