Conclusie
1.Feiten en procesverloop
maatstafhoudt een terughoudende toetsing door de rechter in. Dat de gemeente één van de partijen bij het bindend advies is, betekent niet dat het bindend advies mede moet worden getoetst aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (rov. 3.2).
motivering van het bindend adviestekortschiet: naar het oordeel van het hof is het bindend advies, waarin een taxatie wordt gegeven van de waarde van de grond waarop de canon is gebaseerd, van een toereikende motivering voorzien (rov. 3.8). Dat de bindend adviseurs geen gedetailleerde berekening hebben gegeven van de door hen genoemde grondwaarden, brengt niet mee dat sprake is van een zodanig motiveringsgebrek dat het onaanvaardbaar is dat de VvE aan het bindend advies is gebonden (rov. 3.9). De bindend adviseurs hebben immers met redenen omkleed uiteengezet waarom zij van een dergelijke gedetailleerde toelichting hebben afgezien. De bindend adviseurs benadrukken het belang van hun marktkennis, ervaring en intuïtief inzicht, waarop zij hun uiteindelijke oordeel over de grondwaarden hebben gebaseerd (rov. 3.10, in verbinding met rov. 3.6 - 3.7). Bij het niet vermelden van de berekeningen van de grondwaarden in het bindend advies heeft ook een rol gespeeld dat de bindend adviseurs rekening hebben willen houden met het verzoek van de projectontwikkelaar om de door haar toegestuurde gegevens met betrekking tot verkoopopbrengsten en bouwkosten niet integraal in de rapportage op te nemen. Dit verzoek moet ook de VvE bekend zijn geweest. Het had op haar weg gelegen om de bindend adviseurs te verzoeken deze gegevens ook aan haar bekend te maken en de bindend adviseurs erop te wijzen dat zij bij de berekening van de grondwaarden geen gebruik zouden mogen maken van die gegevens zonder die gegevens bekend te maken. De deskundigen behoefden er niet van uit te gaan dat aan de zijde van de erfpachter bezwaar zou bestaan tegen het gebruik van die gegevens, althans zonder deze in de rapportage op te nemen (rov. 3.11).
tussentijdse canonherziening(d.w.z. een herziening gedurende de looptijd van een bestaand erfpachtrecht). De erfpacht is op 2 oktober 2009 onder gewijzigde voorwaarden uitgegeven en daarbij is overeengekomen dat de canon aanvankelijk gelijk zou blijven, maar per 2010 kon worden aangepast. Uit het bindend advies blijkt niet dat de bindend adviseurs daaraan voorbij hebben gezien (rov. 3.13).
depreciatie van de grondwaardevan 20% merkt het hof op dat de bindend adviseurs dit percentage in hun advies hebben toegelicht. [10] De bindend adviseurs hebben voorts in hun overwegingen betrokken dat dit percentage niet rekenkundig is te onderbouwen, maar slechts is te schatten, waarbij de lange restduur van de erfpacht moet worden betrokken. Hetgeen de VvE c.s. hebben aangevoerd leidt niet tot de conclusie dat de bindend adviseurs in redelijkheid niet tot hun beslissing hebben kunnen komen (rov. 3.14).
canonpercentagevan 3,75% oordeelt het hof dat de VvE c.s. onvoldoende concrete feiten hebben gesteld waaruit volgt dat de bindend adviseurs in redelijkheid niet tot dit percentage hebben kunnen komen. De bindend adviseurs hebben voldoende gemotiveerd waarom zij hebben gekozen voor de per 1 januari 2010 bekende rendementspercentages en niet voor alleen de Nederlandse kapitaalmarkt als referentie. Ook hebben zij gemotiveerd gereageerd op de stelling van de VvE dat de blooteigenaar slechts een beperkt (debiteuren)risico loopt (rov. 3.15).
taxatiemethode: de klacht dat het niet juist is om de marktwaarde van de grond af te leiden uit de feitelijke verkoopopbrengst en de werkelijke stichtingskosten faalt, omdat niet is gebleken dat de bindend adviseurs de marktwaarde van de grond
uitsluitendhebben gebaseerd op de feitelijke verkoopopbrengst, verminderd met de werkelijke stichtingskosten (rov. 3.17.1).
gegevens met betrekking tot verkoopopbrengsten en bouwkostende uitkomst van het bindend advies niet rechtvaardigen: uit die (inmiddels in hoger beroep overgelegde) gegevens volgt dat het verschil tussen de verkoopopbrengsten en de bouwkosten nagenoeg gelijk is aan de door de bindend adviseurs vastgestelde grondwaarde van € 1.800.000,-. Het is aannemelijk dat de bindend adviseurs deze rekensom ook hebben gemaakt en het is niet onbegrijpelijk dat zij mede op die grondslag een grondwaarde van € 1.800.000,- gerechtvaardigd vonden. Een en ander is overigens voor de beoordeling van het bindend advies niet beslissend. De bindend adviseurs hebben immers niet nagelaten te benadrukken dat zij vooral op basis van hun marktkennis, ervaring en intuïtief inzicht tot de vastgestelde grondwaarde zijn gekomen. Het betoog van de VvE c.s. dat de bindend adviseurs een rekenfout hebben gemaakt door geen rekening te houden met de door de projectontwikkelaar betaalde
aankoopsom van het erfpachtrechtvan € 2.100.000,-, snijdt in elk geval geen hout. Het is immers evident dat die aankoopsom niet van betekenis is bij de bepaling van de grondwaarde volgens de door de deskundigen toegepaste residuele berekeningsmethode (rov. 3.17.3).
berekeningswijze van de waarde van de appartementsrechten. Uit art. 5:116 lid 6 BW Pro volgt niet dat partijen niet vrij zijn in het bepalen van de hoogte van de waardevergoeding die de grondeigenaar bij de overgang van het appartementsrecht verschuldigd is. Uit art. 5:87 lid 3 BW Pro volgt evenmin dat een beding in de erfpachtakte waarin een wijze van bepaling van die waarde is vastgesteld, nietig is. Art. 9 van Pro de akte bevat niet anders dan een regeling ter bepaling van de waarde van het appartementsrecht die moet worden vergoed. Dat die waarde lager is dan de op dat moment geldende marktwaarde, doet aan de geldigheid van dat beding niet af. Niet gezegd kan worden dat de gemeente door het doen opnemen van art. 9 in Pro de akte een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden (rov. 3.23).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1betreft de maatstaf voor vernietiging van een bindend advies en de rol van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in dat verband.
Onderdeel 2stelt aan de orde of het hof op goede gronden heeft geoordeeld dat in dit geval niet aan die maatstaf is voldaan.
Onderdeel 3betreft de rechtsgeldigheid van art. 9 van Pro de erfpachtakte (de eisvermeerdering in appel).
Onderdeel 4bevat slechts een voortbouwende klacht die geen afzonderlijke bespreking behoeft.
houdenmoet worden getoetst aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (
onderdeel 1.1). Het hof zou hebben miskend dat “het houden door de Gemeente van de VvE c.s. aan de uitkomst van het bindend advies” wordt beheerst door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (
onderdeel 1.2).
onderdeel 1. Op zichzelf is juist dat de gemeente als bestuursorgaan is gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, ook voor zover zij privaatrechtelijke bevoegdheden uitoefent (art. 3:14 BW Pro). Dit betekent dat de gemeente bij het uitoefenen van haar bevoegdheden uit de erfpachtverhouding de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht dient te nemen. [18] Dat wil niet zeggen dat het bindend advies (zelf) aan die beginselen moet worden getoetst. [19] Art. 7:904 BW Pro is toegespitst op (i) de inhoud en (ii) de wijze van totstandkoming van het bindend advies. Indien (zoals hier) het bindend advies is opgesteld door een derde, niet zijnde bestuursorgaan, wordt de beoordeling van inhoudelijke of totstandkomingsgebreken – en daarmee de rechtsgeldigheid van het bindend advies – niet beïnvloed door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voor een derde als bindend adviseur gelden die beginselen immers niet. Wel is denkbaar dat een bestuursorgaan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur schendt, door zich tegenover haar contractuele wederpartij te beroepen op de bindende kracht van het advies. Men denke bijvoorbeeld aan situaties van gewekt vertrouwen of ongelijke behandeling.
ernstige gebrekenin het bindend advies tot vernietiging kunnen leiden. Bovendien ligt in cassatie niet het bindend advies, maar het bestreden arrest ter toetsing voor. Het gaat er dus niet om of en in hoeverre de door de VvE c.s. aangevoerde bezwaren steekhoudend zijn, maar of het hof heeft kunnen oordelen dat het bindend advies, ondanks die bezwaren, in stand kan blijven. Hieronder zal ik toelichten dat dat het geval is. Het hof heeft de bezwaren stuk voor stuk behandeld en uitvoerig gemotiveerd waarom het bindend advies (desondanks) niet de grenzen overschrijdt waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen. Het daarop gebaseerde oordeel dat gebondenheid van de VvE c.s. aan het bindend advies niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, berust op een aan het hof voorbehouden waardering van de feiten (het bindend advies en de daartegen aangevoerde bezwaren), die niet onbegrijpelijk is voor de lezer. Hierop stuit het onderdeel in zijn geheel af.
eerste klachtis gericht tegen de voorlaatste volzin van rov. 3.10 (en het slot van rov. 3.7), waar het hof het door de bindend adviseurs genoemde argument weergeeft dat de canon binnen de bandbreedte bleef van de door de partijdeskundigen berekende canonbedragen. Volgens de VvE c.s. is dat geen redengevend argument: dat de uitkomst van de berekening blijft binnen de bandbreedtes van andere berekeningen, zegt op zichzelf niets over de juistheid van die berekening (
onderdeel 2.1.1). Bovendien zijn de bindend adviseurs volgens de VvE c.s. juist niet binnen de bandbreedtes van de eerdere taxaties gebleven: daarin werden grondwaarden variërend van € 950.000,- tot € 1.559.286,- genoemd, in plaats van de door de bindend adviseurs gehanteerde grondwaarde van € 1.800.000,- (
onderdeel 2.1.2).
uitkomstenvan die taxaties, oftewel het beloop van de door de partijdeskundigen becijferde
canonbedragen. [23] Die varieerden van € 36.000,- tot € 60.000. [24] Inderdaad is de door de bindend adviseurs vastgestelde canon van € 55.000,- binnen die bandbreedtes gebleven. [25] Het is niet onbegrijpelijk dat de bindend adviseurs daarin een steunargument hebben gevonden voor het achterwege laten van een nadere cijfermatige onderbouwing, en dat het hof dit steunargument als zodanig heeft aanvaard.
tweede klachtis gericht tegen de derde volzin van rov. 3.10, waar het hof overweegt dat de bindend adviseurs hun “uiteindelijke oordeel” over de grondwaarden hebben gebaseerd op “hun marktkennis, ervaring en intuïtief inzicht”. Volgens de VvE c.s. is die overweging onbegrijpelijk, omdat het bindend advies wel degelijk is gebaseerd op een becijfering (
onderdeel 2.1.3). Althans zou het hof hebben miskend dat in dit geval geen plaats is voor het stellen van “lagere motiveringseisen”, passend bij een op intuïtief inzicht gestoeld bindend advies, aangezien (i) een erfpachtcanon rekenkundig kan worden vastgesteld en (ii) het bindend advies is ingewonnen in het kader van een tussen partijen gerezen geschil over de canonherziening, zodat het meer het karakter heeft van rechtspraak dan van het vellen van een oordeel gebaseerd op intuïtief inzicht (
onderdeel 2.1.4).
louterop intuïtieve inzichten berust, en evenmin dat om die reden
lagere motiveringseisenaan het advies kunnen worden gesteld. Het hof heeft, conform de door de bindend adviseurs zelf gegeven uitleg (weergegeven in rov. 3.6-3.7), aangenomen dat de vaststelling van de grondwaarden enerzijds berust op cijfermatige scenario’s uit de residuele berekeningsmethode en anderzijds op “marktkennis, ervaring en intuïtief inzicht” van de bindend adviseurs. Die laatste, meer intuïtieve aanknopingspunten hebben volgens het hof weliswaar de doorslag gegeven bij het uiteindelijke oordeel van de bindend adviseurs over de grondwaarden, maar zij waren daarvoor niet zelfstandig dragend. [26] Hierop stuit de klacht af.
onderdeel 2.2.1). Bovendien zou de geciteerde overweging innerlijk tegenstrijdig zijn, omdat het maken van winst door de projectontwikkelaar onhaalbaar zou zijn, als bij de berekening van de canongrondslag de aankoopsom van het erfpachtrecht niet in mindering mag worden gebracht (
onderdeel 2.2.2).
niet zonder meerovergenomen. Het hof overweegt – onbestreden in cassatie – dat de erfpacht op 2 oktober 2009 onder gewijzigde voorwaarden uitgegeven is en dat daarbij is overeengekomen “dat de canon aanvankelijk hetzelfde bedrag zou zijn maar per 2010 kon worden aangepast”. Kennelijk heeft het hof de gang van zaken als een mengvorm van verlenging en heruitgifte beschouwd. [29] Dit verdraagt zich niet met het beweerde “uitgangspunt” dat de gemeente kon en mocht handelen alsof zij een “vrij perceel grond” aan de erfpachters uitgaf (daargelaten of dit uitgangspunt de door de VvE c.s. bepleite consequenties rechtvaardigt). [30] Bovendien hebben de VvE c.s. de door hen beweerde essentiële stelling in de feitelijke instanties niet naar voren gebracht: het middel vermeldt daarvan ook geen vindplaatsen. [31] Ten slotte doet die stelling mijns inziens geen afbreuk aan de begrijpelijkheid van de geciteerde overweging van het hof. De bindend adviseurs zijn uitgegaan van een taxatiemethode waarin de aankoopsom van het erfpachtrecht geen rol speelde. Daarom konden zij buiten beschouwing laten of de projectontwikkelaar, gezien de hoogte van die aankoopsom, winst kon maken op het project.
eerste klachtluidt dat het hof heeft miskend dat hogere motiveringseisen moeten worden gesteld aan de vaststelling door bindend adviseurs van “de depreciatiefactor, een belangrijk onderdeel van de vaststelling van de canon” (
onderdeel 2.3.1).
tweede klachtstelt aan de orde dat het hof in dit verband mede van belang heeft geacht dat de VvE c.s. in reactie op het concept van het bindend advies geen bezwaar hebben aangevoerd tegen het gehanteerde depreciatiepercentage. Volgens de VvE c.s. miskent het hof hiermee dat geen rechtsregel voorschrijft dat bezwaren tegen het bindend advies al in de conceptfase van het bindend advies naar voren moeten worden gebracht (
onderdeel 2.3.2).
derde klachtluidt dat het hof verschillende als essentieel aangemerkte stellingen van de VvE c.s. zonder toereikende motivering heeft gepasseerd (
onderdeel 2.3.3-2.3.4). Deze klacht stuit af op hetgeen hierboven in alinea 2.28 werd opgemerkt.
onderdeel 2.3.4), faalt de klacht eveneens. Het gaat om een in eerste aanleg gedaan (en in appel niet herhaald, maar slechts gememoreerd [36] ) bewijsaanbod ter zake van de beweerde gebruikelijkheid van een “afslag” voor de toekomstwaarde van de grond. Het hof oordeelt in zijn hierboven geciteerde overweging dat de bindend adviseurs op dit punt niet gehouden waren tot een nadere motivering van hun beslissing. Tegen die achtergrond heeft het hof het bewijsaanbod kunnen passeren als niet ter zake dienend. Het ging hier om een vaktechnische kwestie, die het hof kennelijk en begrijpelijkerwijs voor rekening van de bindend adviseurs heeft willen laten.
vierde klachtbetreft het door de VvE c.s. geformuleerde bezwaar dat de bindend adviseurs bij de vaststelling van het depreciatiepercentage ten onrechte geen rekening hebben gehouden met art. 9 van Pro de erfpachtakte. Die bepaling, waarop ook het derde middelonderdeel betrekking heeft, zou volgens de VvE c.s. een zeer aanzienlijk depreciërend effect hebben en ertoe leiden dat de appartementsrechten veel minder waard zijn dan wat de appartementsgerechtigden daarvoor hebben betaald (
onderdeel 2.3.5).
eerste klachtluidt dat het hof niet respondeert op een beweerdelijk onbetwist gelaten en essentiële stellingname van de VvE c.s., inhoudend dat het hanteren van de (hogere) Europese rentevoet voor een in Nederland gevestigd erfpachtrecht volstrekt ongebruikelijk is, en dat de bindend adviseurs ten onrechte niet inzichtelijk maken op welke lening- of obligatietermijn het percentage is gebaseerd (
onderdeel 2.4.1).
tweede klachtluidt dat het hof niet respondeert op de beweerdelijk essentiële stellingname van de VvE c.s., inhoudend dat het door de bindend adviseurs gehanteerde canonpercentage ten onrechte een “inflatiedeel” bevat en dat hiermee sprake is van een dubbeltelling, omdat de canon volgens de akte ook wordt geïndexeerd (
onderdeel 2.4.2). Deze stellingname, eveneens ingenomen bij pleidooi in hoger beroep, bouwde voort op de zo-even besproken stellingname. [38] De klacht faalt daarom op dezelfde gronden.
derde klachtluidt dat het hof niet respondeert op de beweerdelijk essentiële stellingname van de VvE c.s. (wederom ingenomen bij pleidooi in hoger beroep), dat de bindend adviseurs een percentage voor een langlopende leningsperiode hebben gekozen, terwijl de canon elke vijf jaar kan worden herzien (
onderdeel 2.5.3). [39] Ook deze stelling had betrekking op de wijze waarop de bindend adviseurs aan de hand van de door hen gekozen marktreferenties tot het vastgestelde canonpercentage zijn gekomen. Ook op dit punt kon het hof daarom volstaan met zijn hierboven geciteerde motivering.
eerste klachtluidt dat rov. 3.17.1 onbegrijpelijk is, omdat het desbetreffende betoog van de VvE c.s. niet inhield dat de bindend adviseurs de marktwaarde van de grond
uitsluitendop de feitelijke verkoopopbrengst hebben gebaseerd (
onderdeel 2.5.1).
niet doorslaggevendgeweest voor de waardebepaling.
tweede klachtis gericht tegen de tweede alinea van rov. 3.17.3, waar het hof aannemelijk acht dat de bindend adviseurs de in de eerste alinea omschreven rekensom hebben gemaakt. Volgens de VvE c.s. is de op deze eigen berekening van het hof gebaseerde beslissing in strijd met het recht, althans onvoldoende gemotiveerd (
onderdeel 2.5.2). In de eerste plaats is het volgens de VvE c.s. niet aannemelijk dat de bindend adviseurs de bedoelde rekensom hebben gemaakt (
onderdeel 2.5.3). [42] Zouden zij dat wel hebben gedaan, dan had het hof nader moeten responderen op beweerdelijk essentiële stellingen van de VvE c.s., erop neerkomend dat deze rekensom onjuist was (
onderdeel 2.5.4). Het is volgens de VvE c.s. van tweeën één: ofwel de bindend adviseurs hebben de bewuste rekensom gemaakt en dan had het hof zich daarmee niet mogen verenigen, ofwel de bindend adviseurs hebben die rekensom niet gemaakt en dan had het hof moeten oordelen dat “elk houvast” voor de berekening van de grondwaarde ontbreekt (
onderdeel 2.5.5).
derde klachtis gericht tegen het zo-even bedoelde oordeel van het hof in de derde volzin van de tweede alinea van rov. 3.17.3. Volgens de VvE c.s. mist dit oordeel basis in de feiten: alleen de
uitkomstvan het bindend advies, de canon, zou
medeberusten op intuïtieve inzichten. Bovendien zou uit rov. 3.17.3 blijken dat het hof “de zelf gegeven berekening als redelijkheidstoets heeft gehanteerd” (
onderdeel 2.5.6). Zou toch moeten worden aangenomen dat het hof zich heeft aangesloten bij een niet nader gemotiveerd, op marktkennis en ervaring gestoeld, intuïtief inzicht ten aanzien van de geadviseerde canon, dan zou dat onjuist althans onbegrijpelijk zijn op de in onderdeel 2.1.4 aangevoerde gronden (
onderdeel 2.5.7).
onderdeel 3.1.1). Het samenstel van art. 5:87 en Pro 5:116 BW mag er volgens de VvE c.s. niet toe leiden dat de ingevolge art. 5:116 lid 6 BW Pro te betalen vergoeding voor alle appartementen bij elkaar, lager ligt dan de ingevolge art. 5:87 lid 2 BW Pro te vergoeden waarde bij opzegging van het erfpachtrecht als geheel (
onderdeel 3.1.2). In het licht hiervan heeft het hof de vermeerderde eis ten onrechte afgewezen (
onderdeel 3.1.3). Bovendien is onjuist althans onbegrijpelijk, dat volgens het hof het opnemen van art. 9 in Pro de erfpachtakte niet in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (
onderdeel 3.1.4).
grondenwaarop de erfpacht wegens wanprestatie van de erfpachter kan worden beëindigd te herstellen” (vgl. de eerste volzin van art. 5:87 lid 2 BW Pro). [49] Het dwingendrechtelijke karakter van art. 5.7.1.10a ontwerp BW had echter mede betrekking op de
vergoedingsverplichting(vgl. de derde volzin van art. 5:87 lid 2 BW Pro). De wetsgeschiedenis vermeldt dienaangaande:
berekeningvan de vergoeding in de akte van vestiging kan worden bepaald). [53]
berekend. Ook art. 5.7.1.10a ontwerp BW kende die beide componenten: een dwingendrechtelijke vergoedingsplicht (lid 4), met de mogelijkheid om de berekeningswijze bij akte vast te leggen (lid 3). Zolang die berekeningswijze ertoe leidt dat de erfpachter bij opzegging “de waarde die de erfpacht dan heeft” vergoed krijgt (in de zin van art. 5:87 lid Pro 2, derde volzin, BW), is naar mijn mening van een afwijking ten nadele van de erfpachter (in de zin van art. 5:87 lid 3 BW Pro) geen sprake.
executiewaardete vergoeden, in het licht van art. 5:87 lid 3 BW Pro toelaatbaar geacht. [55]