Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
binnen de inrichting. Deze grond wordt daarom wel aangeduid als het ‘interne’ gevaarscriterium. Dwangbehandeling op deze grond is niet aan een wettelijke maximumduur gebonden, maar dient te worden gestaakt zodra het ‘interne’ gevaar is geweken.
ex tunc’), maar – indien de patiënt bezwaar maakt tegen voortzetting van de dwangbehandeling – ook in het licht van de omstandigheden ten tijde van de beslissing op het verzoek (toetsing ‘
ex nunc’). [6]
binnen de inrichtingis duidelijk dat, na overplaatsing naar een andere inrichting, opnieuw een beoordeling moet plaatsvinden. De vraag rijst nu, of hetgeen de Hoge Raad in de aangehaalde beschikking heeft overwogen evenzeer geldt indien sprake is van een dwangbehandeling die gebaseerd is op het ‘externe’ gevaarscriterium.
Onderdeel 2.bvoegt toe dat als de rechtbank van het onder (a) bedoelde onderzoek heeft afgezien omdat de behandelaar in Franeker de dwangbehandeling had opgeschort, de bestreden beslissing onjuist is althans ontoereikend gemotiveerd.
ex tunc’(d.w.z. naar de toestand op 13 september 2018), maar ook de actuele omstandigheden in aanmerking heeft genomen; dit volgt ook uit de in rov. 3.3 opgenomen tussenzin (“en doet hij dat nog steeds”). De rechtbank behoefde daarbij niet specifiek de noodzaak tot voortzetting van de dwangbehandeling in de kliniek te Franeker te bespreken, aangezien in de procedure bij de rechtbank – en ook in cassatie − eventuele verschillen tussen de behandeling van betrokkene in Heerenveen en die in Franeker niet specifiek door hem ter discussie zijn gesteld.
in accordance with a procedure prescribed by law” en dat haar beslissing in strijd is met art. 3 EVRM Pro, art. 5 lid 1 onder Pro e en lid 4 EVRM en art. 8 EVRM Pro. Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd dat de rechtbank niet de medische noodzaak ten tijde van haar beslissing van de voortzetting van de dwangbehandeling heeft vastgesteld. Evenmin heeft de rechtbank vastgesteld of de inbreuk op de fysieke integriteit van betrokkene en zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven ten tijde van haar beslissing nog steeds gerechtvaardigd was. Hierbij verwijst het cassatieverzoekschrift naar EHRM 24 september 1992, NJ 1993/523 (Herczegfalvy/Oostenrijk) en EHRM 28 februari 2006, BJ 2006/21 (Wilkinson/V.K.).