Conclusie
due diligenceonderzoek plaatsgevonden. In het kader van dit onderzoek hebben [verweersters] melding gedaan van de klanten die hun overeenkomst met één van de vennootschappen inmiddels, tegen het einde van het lopende kalenderjaar, hadden opgezegd. Deze lijst blijkt na effectuering van de transactie incompleet te zijn geweest. Maetis beroept zich vervolgens op dwaling, maar vernietigt de koopovereenkomst niet, omdat de gekochte vennootschappen door fusie zijn opgehouden te bestaan, zodat feitelijke teruglevering problematisch is. In plaats van vernietiging vordert Maetis opheffing van het door haar geleden dwalingsnadeel ex art. 6:230 lid 2 BW Pro c.q. schadevergoeding. Het hof heeft geoordeeld dat Maetis zich terecht op dwaling beroept, maar heeft de gevorderde opheffing van dwalingsnadeel c.q. vergoeding van schade afgewezen. Daarnaast vordert Maetis aanpassing van de koopprijs, op grond van de bepalingen uit de koopovereenkomst, vanwege het feit dat vóór de transactie (in 2008) aan een bepaalde klant teveel in rekening is gebracht, hetgeen na de transactie – en daardoor na de bepaling van de op de in 2008 behaalde winst gebaseerde koopprijs – aan die klant is terugbetaald. Ook deze vordering is door het hof afgewezen. Tegen deze oordelen komt Maetis in cassatie op.
1.Feiten
due diligenceonderzoek is in opdracht van Maetis verricht door M. Schuurman,
senior associatebij Middenduin Corporate Finance B.V. Het onderzoek heeft vijf weken geduurd. De uitkomsten ervan zijn vervat in een rapport, gedateerd 4 december 2008, waarin als onderzoeksbevindingen onder meer het volgende is vermeld, voor zover in cassatie nog van belang en zakelijk weergegeven:
latest estimate) € 1.715.781; resultaat voor belastingen 2008 € 215.734;
latest estimate) € 3.546.091, resultaat voor belastingen 2008 € 380.186;
latest estimate) € 5.261.872, resultaat voor belastingen 2008 € 595.920;
due diligenceonderzoek is geen
dataroomingericht geweest. Wel hebben [verweersters] in het kader van de besprekingen, ter onderbouwing van de voor 2009 verwachte bedrijfsresultaten ten aanzien van AGW en ten aanzien van [A] een ‘Omzetbegroting en kostenbudget 2009’ aan Maetis ter hand gesteld. In die bescheiden is onder meer het volgende opgenomen, zakelijk weergegeven:
2.Procesverloop
due diligenceonderzoek hebben gedaan van het aantal klanten van AGW en [A] dat hun contract met ingang van januari 2009 hadden opgezegd, onvolledig en onjuist is geweest, omdat is gebleken dat meer klanten hun contract met AGW en [A] hadden opgezegd, en dat [verweersters] in die zin de op hen rustende mededelingsplicht hebben geschonden. Die schending heeft volgens Maetis geleid tot schade (dwalingsnadeel) door gemiste omzet in de jaren 2009 en verder. Daarnaast heeft Maetis betoogd dat de jaarrekeningen 2008 op diverse punten gecorrigeerd dienen te worden in het kader van de vaststelling van de koopprijs. In cassatie is daarvan nog relevant de stelling dat [A] met een al eerder genoemde klant, Osira, per 1 april 2008 een nieuw contract met lagere tarieven heeft gesloten, maar vervolgens nog enige tijd de oude, hogere, tarieven in rekening heeft gebracht. Dit heeft geleid tot een terugbetaling aan Osira van € 42.597,64 in 2009.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
multiplierin de berekening. Het vijfde subonderdeel ten slotte betoogt dat het hof, waar het de door Maetis voorgedragen methoden om het dwalingsnadeel te berekenen ongeschikt achtte, het dwalingsnadeel in dat geval zelf had dienen te begroten althans te schatten. Alvorens aan bespreking van de subonderdelen toe te komen, stel ik kort een en ander voorop ten aanzien van art. 6:230 BW Pro. [11]
Subonderdeel 1.1 en 1.2richten zich tegen ’s hofs oordeel in rov. 3.9 dat de door Maetis voorgestelde wijze van berekening van het dwalingsnadeel, aanpassing van de EBIT 2008, niet geschikt is. Het hof heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat het door Maetis gestelde omzetverlies in 2009 zich niet verdraagt met aanpassing van de EBIT 2008 en bovendien in de koopovereenkomst is bepaald hoe de EBIT 2008 zal worden vastgesteld (artikel 6.1 onder b, hiervoor randnummer 1.8). Met dit oordeel miskent het hof volgens de subonderdelen dat het door Maetis gevorderde dwalingsnadeel bestaat uit een te hoge koopprijs, dat dit nadeel reeds is geleden, dat Maetis de EBIT 2008 slechts wil aanpassen als middel om tot een aangepaste koopprijs te komen en ten slotte dat art. 6:230 BW Pro de rechter juist een bevoegdheid geeft om in (het contractuele evenwicht van) een overeenkomst in te grijpen.
primairschadevergoeding vorderde wegens toerekenbare tekortkoming, reden waarom in die stukken met name van ‘schade’ wordt gesproken. Maetis heeft echter gesteld dat het in het kader van de
subsidiairevordering tot opheffing gestelde dwalingsnadeel gelijk is aan de gestelde schade. [24] Illustratief is de volgende passage:
sustainablezou zijn. De stellingen van Maetis laten zich in dat licht bezwaarlijk anders begrijpen dan dat zij niet zozeer heeft betoogd dat de EBIT 2008 als zodanig moet worden aangepast vanwege de per 2009 opzeggende klanten, maar dat zij – nu de EBIT niet
sustainablebleek te zijn – alleen met de EBIT 2008 als grondslag voor de waardebepaling had ingestemd als deze zou worden gecorrigeerd voor de inmiddels, naar de stellingen van Maetis, ontwaarde daling van de EBIT in 2009 en daarna. Aanpassing dus van de EBIT 2008 uitsluitend als grondslag voor de koopprijsbepaling en niet, zoals het hof aan lijkt te nemen, aanpassing van de EBIT 2008 als zodanig. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom een terugvallende omzet (en daarmee EBIT) in 2009, ten aanzien waarvan is gedwaald, zich ‘simpelweg’ niet verdraagt met aanpassing van de grondslag van de koopprijsbepaling, helemaal niet nu die grondslag – volgens Maetis – is gebaseerd op een
sustainableEBIT.
als zodanigwenst, maar een aanpassing van de EBIT 2008
als grondslagvoor de koopprijsbepaling. Met andere woorden: de grondslag voor de koopprijsbepaling zou naar de stelling van Maetis moeten bestaan uit de EBIT 2008, vastgesteld conform artikel 6.1 onder b van de koopovereenkomst, (vervolgens) gecorrigeerd voor het later gebleken verlies van winst. De klachten van
subonderdeel 1.1 en 1.2zijn dan ook terecht voorgesteld, zodat het bestreden arrest op dit punt niet in stand kan blijven. Mocht Uw Raad dit spoor volgen, dan zal het verwijzingshof zich alsnog dienen te buigen over de vraag of Maetis dwalingsnadeel heeft geleden dat voor opheffing in aanmerking komt.
subonderdeel 1.3.
multiplierin de koopprijsberekening. Het hof heeft hiertoe overwogen dat ook hiervoor geldt dat de aanpassing wordt onderbouwd met een verwijzing naar de gedaalde omzet in 2009. Daarnaast heeft het hof overwogen dat artikel 6.1 sub b van de koopovereenkomst aan aanpassing van de
multiplierin de weg staat, omdat dit artikel uitgaat van een vaste
multiplier, ook als de EBIT 2008 conform dit artikel uit de koopovereenkomst moet worden aangepast. Ten slotte overweegt het hof dat de overeengekomen
multiplierhet resultaat is van onderhandelingen en geen relatie heeft met de omzet, zodat het geen juiste wijze is om de hoogte van het dwalingsnadeel te berekenen.
multiplierhet resultaat is van onderhandelingen doet daar evenmin aan af, nu de stelling van Maetis juist inhoudt dat bij gebreke van dwaling een ander onderhandelingsresultaat zou zijn behaald. Ten slotte vermag ik niet in te zien waarom het feit dat het aan het gevorderde dwalingsnadeel ten grondslag gelegde omzetverlies zich (eerst) in 2009 heeft voorgedaan, in de weg zou staan aan koopprijsaanpassing door middel van aanpassing van de
multiplier. Immers is bepaald niet ondenkbaar dat een door partijen voorzien omzetverlies in de (nabije) toekomst in de onderhandelingen tussen partijen tot een lagere
multiplierzou hebben geleid.
subonderdeel 1.4mijns inziens dient te slagen.
subonderdeel 1.5betoogt Maetis dat het hof, waar het de door Maetis aangedragen berekeningsmethoden voor het dwalingsnadeel niet geschikt achtte, het dwalingsnadeel zelf op andere wijze had moeten vaststellen, zo nodig bij wege van schatting daarvan. Maetis trekt daartoe een parallel met de (hier niet toepasselijke) [30] regels voor schadebegroting en stelt dat het ‘discretionaire’ karakter van art. 6:230 BW Pro ‘vooral’ ziet op de vraag of de desbetreffende situatie zich eerder leent voor wijziging dan voor vernietiging. Nu het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat Maetis opheffing van het dwalingsnadeel kan vorderen en zonder meer aannemelijk is dat Maetis als gevolg van de dwaling inderdaad enig nadeel heeft geleden, had het hof dit nadeel zelf dienen vast te stellen, aldus het onderdeel.
Subonderdeel 1.5faalt derhalve.
onderdeel 1voor het overige faalt.
Subonderdeel 2.1veronderstelt dat het hof de op deze grondslag ziende stellingen niet ongegrond heeft bevonden. Het subonderdeel richt vervolgens vijf klachten, genummerd (i) tot en met (v) tegen de afwijzing van de gevorderde schadevergoeding.
subonderdeel 2.1niet tot cassatie kan leiden.
[.../...], [36] waarin Uw Raad als volgt heeft overwogen:
[.../...]heeft Uw Raad in een arrest van 7 september 2018 overwogen dat als sprake is van een toerekenbare tekortkoming, de benadeelde partij in beginsel recht heeft op volledige vergoeding van de door haar als gevolg van die tekortkoming geleden schade en dat als de rechter van oordeel is dat het bestaan van schade aannemelijk is maar vaststelt dat de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, de rechter de omvang van de schade, al dan niet na nadere instructie, op de voet van art. 6:97 BW Pro moet schatten, dan wel partijen naar de schadestaatprocedure moet verwijzen, ook zonder dat dit uitdrukkelijk is gevorderd. [37]
[.../...]volgt dat het hof deze schade had moeten begroten/schatten dan wel partijen naar een schadestaatprocedure had moeten verwijzen indien het hof de mogelijkheid van schade aannemelijk heeft geacht. Het hof heeft ook dit niet met zoveel woorden geoordeeld (maar het tegendeel evenmin). Uit de een-na-laatste zin van rov. 3.11 leid ik echter, voorzichtig, af dat het oordeel zo moet worden begrepen dat het hof de mogelijkheid van schade inderdaad aannemelijk heeft geacht. Het hof overweegt immers “
Het hof heeft in de stellingen van Maetis voorts geen concrete aanknopingspunten gevonden omde door haar geleden schadeop een andere wijze te begroten.” [onderstreping van mij, A-G]. Het hof oordeelt niet dat de mogelijkheid van schade, bij gebreke van concrete aanknopingspunten, niet aannemelijk is geworden en spreekt bovendien van de door Maetis
geledenschade, in plaats van de door Maetis
gesteldeschade.
subonderdeel 2.2.
onderdeel 2alleen het tweede subonderdeel tot cassatie kan leiden.
nietvolgt dat de jaarrekening al op 3 juni 2009 is vastgesteld en dus (ii) bij gebreke aan andere informatie ervan uit moet worden gegaan dat de jaarrekening is vastgesteld op de datum van depot (29 juni 2009), die wel vaststaat. Het oordeel dat uit productie 21 niet volgt dat de jaarrekening al op 3 juni 2009 is vastgesteld, kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. De productie bevat slechts een e-mail waarin wordt verwezen naar een “memo inzake de afronding van de jaarcijfers”. Dat het hof hieruit niet heeft kunnen afleiden dat de jaarcijfers op de dag van die e-mail zijn vastgesteld, is niet onbegrijpelijk. Daarop stuiten de klachten af, zodat
onderdeel 3dient te falen.
onderdeel 4dat zich richt tegen de overwegingen in rov. 3.24-3.26, 4.1-4.2 en het dictum, treft doel voor zover het voortbouwt op de slagende subonderdelen van onderdelen 1 en 2.