Conclusie
1.Inleiding
3.Procesverloop
4.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdeel 1) jegens [verweerder] (
onderdeel 2); dat niet is gebleken van een tussen partijen overeengekomen krediet om te voldoen aan de marginverplichting (
onderdeel 3), mede omdat TGB geen kredietwaardigheidsonderzoek heeft gedaan (
onderdeel 4); en dat er causaal verband is tussen de zorgplichtschending en de schade (
onderdeel 6).
Onderdeel 5klaagt dat het hof de grondslag van de aansprakelijkheid onvoldoende duidelijk maakt.
onderdeel 7over het oordeel dat het beroep op de exoneratie niet slaagt en klaagt
onderdeel 8over de proceskostenveroordeling.
subonderdelen 1.1 t/m 1.4betreffen de wijze waarop het hof heeft gereageerd op het betoog van TGB en KBL, dat de zorgplicht van TGB jegens [verweerder] een beperkte omvang heeft en dat die omvang mede afhangt van de door TGB en KBL ingeroepen deskundigheid, ervaring, vermogen, risicobereidheid en risicokennis van [verweerder] .
stelling van TGB dat [verweerder] als deskundige en professionele belegger moet worden aangemerkt die wist wat hij deed en welbewust de risico's heeft genomen die aan de derivatenhandel (en de warehouseconstructie) verbonden waren, hetgeen navenant van invloed was op voormelde bijzondere zorgplicht (beperkt tot juiste executie van de transacties).” Het hof baseert die verwerping op drie argumenten: (i) [verweerder] is geen ‘professionele belegger’ in de zin van de Wft, (ii) TGB heeft [verweerder] aangemerkt als niet-professionele partij en (iii) TGB voerde niet slechts transacties uit maar heeft [verweerder] ook geadviseerd.
ten eerstedat voor zover het hof meent de in 4.13.1 bedoelde stellingen van TGB en KBL niet te hoeven beoordelen in het kader van de door het hof in rov. 3.8 en 3.11 aangenomen margin- en sluitverplichtingen, het hof heeft miskend dat bijzondere omstandigheden zoals door TGB en KBL ingeroepen kunnen afdoen aan de margin- en sluitverplichtingen en de aansprakelijkheid ter zake.
ten tweededat het hof miskent dat de door TGB en KBL gestelde overeenstemming met [verweerder] over de wijze van uitvoering van hun overeenkomst kan afdoen aan de wettelijke margin- en sluitverplichtingen, ook als het gaat om de door het hof aangenomen feitelijke bevoorschotting. Het subonderdeel betoogt dat deze klachten ook het oordeel in de laatste twee volzinnen van rov. 3.5 raken.
subonderdelen 1.6 t/m 1.8klagen over de hieronder gecursiveerde passages in rov. 3.8, waarin het hof toelicht waarom TGB niet aan haar margin- en sluitverplichting heeft voldaan:
TGB haar stelling dat de door haar gehanteerde handelwijze in overeenstemming was met de op haar rustende marginverplichtingen niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd.
Bovendien is de stelling van TGB dat zij door middel van een SPAN faciliteit en een flow zou hebben voldaan aan de geldende marginverplichtingen, tegenstrijdig met van haarzelf afkomstige mededelingen aan [verweerder] dat tegenover de derivatenposities voldoende cash moest staan om te voldoen aan de marginverplichtingen (productie 8 bij dagvaarding).Dat aan de door TGB gehanteerde methode een sluitende en juiste methode ten grondslag lag waarop margin werd berekend bij het aangaan van zijn posities en gedurende de looptijd van de posities (rekening houdend met de door [verweerder] bij TGB gehouden middelen die tot zekerheid konden en mochten dienen) is derhalve niet gebleken, noch is overigens gebleken dat zij überhaupt margin doorlopend berekende en handhaafde. Er is voorts evenmin gebleken van enig aan [verweerder] verstrekt marginoverzicht in de periode 31 december 2007 - 20 juni 2008 waarin de grote tekorten waarover partijen twisten zijn ontstaan, noch is gebleken van enige waarschuwing dat de tekorten aan het oplopen waren of dat er sprake zou zijn van onderdekking of onvoldoende saldi tot aan de margin call van 13 augustus 2008.
Ook de overzichten die [verweerder] tot 31 december 2007 wel ontvangen heeft gaven geen, althans volstrekt onvoldoende, inzicht in de risico's verbonden aan de posities en de daarbij gestelde zekerheden.Exemplarisch is dat [betrokkene 1] verklaard heeft in de dagelijkse overzichten die [verweerder] gestuurd werden geen informatie stond over de werkelijke waarde van zijn portefeuille en hij daaruit evenmin de initial margin en de variation margin kon afleiden (zie randnr. 221 e.v. mvg). Via UBS had TGB weliswaar de beschikking over de gegevens nodig voor het berekenen van de margin, zoals TGB nog stelt, echter [verweerder] heeft aangegeven dat TGB van die gegevens geen gebruik heeft gemaakt, hetgeen TGB niet heeft weersproken. Voor zover TGB in verband met de op haar rustende marginverplichtingen nog zou refereren aan zekerheden gesteld in de vorm van borgstellingen (zonder duidelijk maximum en met looptijden tot maar liefst 2049), heeft zij de stelling van [verweerder] niet betwist dat deze borgstellingen door hem niet ondertekend zijn, dat zij voor hem onbekend waren en dat zij kennelijk alleen intern bij TGB gebruikt zijn om de interne controlesystemen te omzeilen. Daaraan gaat het hof dus ook voorbij.”
subonderdeel 1.8miskent het oordeel dat de overzichten die [verweerder] heeft ontvangen onvoldoende inzicht geven in de risico’s, dat TGB zich erop heeft beroepen dat [verweerder] bekend was met en, mede gelet op zijn ervaring, inzicht had in de door hem gelopen risico’s door de aan hem verstrekte informatie en zijn eigen administratie. In dit licht kan het oordeel van het hof niet (zonder meer) bijdragen aan de door het hof aangenomen zorgplichtschendingen, aldus de klacht.
subonderdeel 1.10voortbouwt op subonderdeel 1.8, dient het daarom te falen. Voor zover het klaagt, samengevat, dat het hof zijn oordelen over de waarschuwingsplichten in het aan rov. 3.11 voorafgaande overwegingenoordeel onvoldoende heeft gemotiveerd gezien de in 4.14.1 bedoelde stelling van TGB en KBL, kan worden volstaan met een verwijzing naar de bespreking van subonderdeel 1.1.
subonderdeel 1.11kan eveneens niet slagen.
subonderdelen 2.1 t/m 2.4, eerste klacht, stellen aan de orde dat het hof in rov. 3.8, derde volzin, overweegt dat de beleggingsonderneming aansprakelijk is als zij, samengevat, de margin- en sluitverplichting niet handhaaft, zonder dat het hof echter ingaat op het op het verweer van TGB en KBL dat [verweerder] zich beroept op toezichtrechtelijke beschermingsregels terwijl aan hem als ervaren belegger, die TGB met valse stukken onjuiste informatie heeft verschaft, die bescherming niet toekomt. Dat is onjuist als het hof meent dat het relativiteitsvereiste niet in de weg kan staan aan aansprakelijkheid voor een zorgplichtschending die bestaat uit het schenden van toezichtrechtelijke regels (
subonderdeel 2.1) of meent dat TGB en KBL onvoldoende hebben gesteld (
subonderdeel 2.2), althans onvoldoende gemotiveerd (
subonderdeel 2.3). Deze subonderdelen raken ook andere door het hof vastgestelde zorgplichtschendingen (
subonderdeel 2.4, eerste klacht). Deze klachten kunnen gezamenlijk besproken worden.
subonderdeel 2.4, tweede klacht, is onjuist het oordeel in rov. 3.11, tweede volzin, dat zich met de geleden verliezen een risico heeft geopenbaard dat de zorgplicht tracht te voorkomen, voor zover het hof aldus heeft miskend dat de bijzondere zorgplicht niet strekt tot voorkoming van verliezen als zodanig.
subonderdeel 2.6is het oordeel in rov. 3.11 dat de verliezen voor [verweerder] niet zichtbaar waren, onbegrijpelijk is in het licht van (i) de door het hof niet (kenbaar) bij zijn oordeel betrokken stelling van TGB en KBL dat [verweerder] door aan hem door TGB verstrekte informatie en zelf gevoerde administratie steeds op de hoogte was van zijn posities en deze nauwlettend volgde en (ii) het betoog van TGB en KBL dat sprake was van een krediet en een begrenzing van [verweerder] verliesruimte tot € 10.000.000.
subonderdelen 3.1, 3.5 en 3.6klagen, samengevat, dat onjuist is dat het hof voor de vraag of sprake is van een kredietovereenkomst betekenis toekent aan het ontbreken van (i) een limiet, omdat dit geen totstandkomingsvoorwaarde is (
subonderdeel 3.1), (ii) een schriftelijke overeenkomst, omdat geen vormvereiste geldt (
subonderdeel 3.5) en (iii) een kredietwaardigheidstoets, omdat die toets niet nodig is voor de totstandkoming van een geldige kredietovereenkomst (
subonderdeel 3.6). Deze klachten kunnen gezamenlijk behandeld worden.
subonderdeel 3.2is het oordeel dat sprake is van tegenstrijdige standpunten onbegrijpelijk, althans geeft dat oordeel blijk van een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van TGB en KBL.
subonderdeel 3.4is ook onbegrijpelijk het oordeel in rov. 3.9 dat TGB op geen enkele wijze inzichtelijk heeft weten te maken hoe de hoogte van de feitelijke bevoorschotting werd berekend en wat het maximum was.
subonderdeel 4.1is het oordeel in rov. 3.9, dat TGB niet zonder nader onderzoek mocht vertrouwen op het balanstotaal van Nikra, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de niet (kenbaar) door het hof bij de beoordeling betrokken essentiële stellingen van TGB en KBL dat [verweerder] daarbij een (naar achteraf blijkt gefalsificeerde) accountantsverklaring heeft overgelegd (mede gelet op art. 80c lid 3 Bgfo). [36]
subonderdeel 4.2, dat opnieuw wijst naar de gestelde valsheid in geschrifte en in zoverre de klacht van subonderdeel 4.1 herhaalt, maar nu is gericht tegen het hof oordeel in rov. 3.10 dat TGB zich onvoldoende heeft verdiept in de kredietwaardigheid van [verweerder] . De conclusie in rov. 3.10 is gebaseerd op het oordeel in rov. 3.9. Subonderdeel 4.2 faalt daarom om de eerder aangegeven reden.
subonderdeel 5.1stelt het hof in rov. 3.8 ten onrechte niet (voldoende) concreet vast in hoeverre TGB is tekortgeschoten met betrekking tot de waarschuwings- en de sluitverplichting. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure moet de grondslag voor de aansprakelijkheid voldoende vaststaan, waarvoor nodig is dat is vastgesteld wanneer (en op dat moment: waarvoor) had moeten worden gewaarschuwd en wanneer aan de sluitverplichting had moeten zijn voldaan.
Subonderdeel 5.2stelt dit punt in de vorm van een motiveringsklacht aan de orde.
subonderdeel 6.1is dit oordeel om vier redenen onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
subonderdeel 6.2, samengevat, had het hof in rov. 3.11 (en rov. 3.17) het condicio sine qua non-verband tussen zorgplichtschending en de restschuld slechts kunnen vaststellen na onderzoek in hoeverre (en wanneer) sprake is geweest van transacties die zijn aangegaan die zouden zijn uitgebleven als de door het hof aangenomen zorgplichtschending achterwege was gebleven.
subonderdeel 6.3komt erop neer dat het hof niet heeft gereageerd op stellingen van TGB die relevant kunnen zijn in het kader van de toerekening van de schade aan TGB op de voet van art. 6:98 BW Pro. Zij faalt omdat dit in de schadestaatprocedure aan de orde kan komen.
subonderdeel 7.2had het hof in concreto moeten vaststellen of en in hoeverre de door hem genoemde omstandigheden een rol spelen, dat wil zeggen: in hoeverre sprake is geweest van lichtvaardigheid of een gebrek aan inzicht en van een adviesrelatie terwijl het hof evenmin iets vaststelt over de ernst van de verweten gedragingen.
subonderdeel 8.1van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof van oordeel is dat TGB in zodanige mate in het ongelijk is gesteld dat dit haar volledige proceskostenveroordeling rechtvaardigt, is dit oordeel volgens
subonderdeel 8.2onbegrijpelijk, omdat zonder motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien dat TGB in weerwil van het in stand blijven van de toewijzing van haar reconventionele vordering van ruim € 4,5 miljoen plus rente, in zodanige mate in het ongelijk is gesteld dat dit haar volledige proceskostenveroordeling rechtvaardigt.
5.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
subonderdeel 1.1genoemde zorgplichtschendingen/tekortkomingen aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd en dat het hof de in de
subonderdelen 1.2 en 1.3genoemde schendingen/tekortkomingen heeft vastgesteld. Indien het oordeel van het hof respectievelijk het dictum zo moet worden begrepen dat het hof heeft bedoeld om het beroep van [verweerder] op de niet door het hof geadresseerde punten te verwerpen dan is dat oordeel rechtens onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof dan niet heeft gerespondeerd op deze gemotiveerde stellingen van [verweerder] , aldus de
subonderdelen 1.4 en 1.5.
subonderdeel 1.2onder a, c, d, e, g en h genoemde punten en met de in
subonderdeel 1.3genoemde punten. De in subonderdeel 1.2 onder b en f genoemde punten komen hierna nog aan bod.
subonderdeel 1.2heeft het hof ook een zorgplichtschending of tekortkoming vastgesteld ten aanzien van (b) de kwalificatie van [verweerder] als particuliere belegger (rov. 3.7). Het hof is er bij zijn beoordeling van uitgegaan dat [verweerder] moet worden aangemerkt als consument (rov. 3.7), zodat punt (b) is verdisconteerd in de in 5.3 geïnventariseerde punten en geen afzonderlijke behandeling behoeft.
subonderdeel 1.2heeft het hof ook een zorgplichtschending of tekortkoming vastgesteld ten aanzien van (f) het omzeilen van interne controlesystemen (rov. 3.8). Hierover heeft het hof zich blijkens rov. 3.9 niet uitgelaten. Dat behoefde het hof ook niet te doen, gezien zijn oordelen in rov. 3.8 en 3.10.
subonderdelen 1.4 en 1.5bij gebrek aan feitelijke grondslag waar zij veronderstellen dat het hof daarop niet zou hebben gereageerd. Voor het overige falen de
subonderdelen 1.4 en 1.5omdat het hof niet gehouden was om nader op deze stellingen in te gaan.