Conclusie
1.Feiten
Papyrus) is gespecialiseerd in de fabricage, verwerking en handel in (onder meer) papierwaren.
[verweerder]), geboren op [geboortedatum] 1968, is sinds op 1 december 2001 als magazijnmedewerker in loondienst getreden van Papyrus.
[betrokkene 1]). Bij het ongeval heeft [verweerder] ernstig letsel opgelopen aan zijn rechtervoet, wat uiteindelijk tot amputatie van twee tenen heeft geleid.
nietworden gestapeld, wordt het zicht in principe nooit belemmerd voor de medewerkers op de rondrijdende pompwagens en orderpicktrucks.
AHV). Daarin is onder meer het volgende opgenomen:
Verkeersreglement
afwijkingenin de
rechtervoetzijn ongevalsgevolg van 15-04-2010.
klachtenen de grote beperkingen die betrokkene aandraagt, in vergelijking met het fysisch-diagnostisch onderzoek en de beeldvormende diagnostiek: op grond van deze laatste twee zijn belangrijk minder klachten en beperkingen te verwachten dan betrokkene aandraagt. Voor deze ernstige discrepantie is op mijn vakgebied geen aanknopingspunt te vinden.
rechterschouder, waar op de ongevalsdatum mogelijk een contusie is opgetreden, is geen blijvende afwijking aanwezig. Het onderzoek levert geen aanknopingspunt voor de aard en de chroniciteit van de klachten over de rechterschouder.
2.Procesverloop
het hof). In de kern heeft [verweerder] zich op het standpunt gesteld dat sprake is van schending van de zorgplicht die Papyrus op grond van artikel 7:658 BW Pro heeft doordat zij geen maatregelen heeft genomen om de schade die [verweerder] heeft opgelopen door het hem overkomen bedrijfsongeval te voorkomen. [4]
het bestreden arrest) heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd en opnieuw rechtdoende:
niet alle aanwijzingenheeft verstrekt die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt en derhalve de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden (rov. 5.15). Het lijkt mij goed voorafgaand aan de bespreking van het cassatiemiddel weer te geven hoe het hof tot dit oordeel is gekomen.
Omdat de vorken van een orderpicktruck hoger kunnen reiken dan het plateau waarop de medewerker staat die de pompwagen bestuurt, terwijl deze daarbij - door bijvoorbeeld een kooiconstructie - niet beschermd is, en omdat de vorken door de pallet heen kunnen uitsteken, bestaat het reële (veiligheids)risico dat het lichaam van de bestuurder van de pompwagen in aanraking komt met (de vorken van) de orderpicktruck, met een kans op aanmerkelijk letsel. Gelet op dit risico had Papyrus veiligheidsmaatregelen dienen te treffen die dit risico op het hoge veiligheidsniveau dat artikel 7:658 BW Pro vergt (zie 5.3) beperkt, waarbij zij er ook nadrukkelijk rekening mee had móeten houden dat werknemers weleens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is.
Het hof merkt op dat dit verkeersreglement algemeen is en niet specifiek is toegespitst op en geschreven voor de inrichting van de werkzaamheden in het magazijn van Papyrus.
niet is gebleken dat Papyrus zich nadrukkelijk ervan heeft vergewist of [verweerder] deze instructies goed heeft kunnen lezen en ook daadwerkelijk heeft begrepen. Gelet op de aard van de instructies, die zijn gericht op een (verkeers)veilige inrichting van het magazijn (waartoe het verzamelplein behoort), en het hiervoor geschetste risico had dit wel op haar weg gelegen. En eveneens had het daarom op de weg van Papyrus gelegen om ter bewustwording bij de werknemers van de risico’s bij herhaling bijzondere aandacht te schenken aan de inhoud en het belang van de geldende verkeersregels.Hierbij klemt dat voor [verweerder] , ook al kan hij, al dan niet met hulp van een Marokkaanse collega, mondeling in het Nederlands voldoende communiceren bij uitvoering van de werkzaamheden op de werkvloer en de Nederlandse taal tot op zekere hoogte lezen getuige zijn diploma van de inburgeringscursus, het Nederlands niet zijn moedertaal is.
3.Beoordelingskader
Kelderluik-factoren. [9] De publiekrechtelijke veiligheidsnormen vormen voor de werkgever een minimumnorm. De civielrechtelijke zorgplicht stelt hogere eisen. [10] Tevens is van belang dat werkgevers er rekening mee moeten houden dat werknemers wel eens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is. [11]
[.../...] [12] , enkele vuistregels ter bepaling van de omvang van de zorgplicht ontwikkeld. Preventie staat voorop, vervolgens het geven van instructies en waarschuwingen en tot slot het houden van toezicht op de naleving van deze instructies. [13] Voor alledaagse risico’s hoeven geen maatregelen te worden getroffen. [14]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onder I Astelt, kan uit de omstandigheid dat het hof in rov. 5.11 in zijn algemeenheid - dus niet toegespitst op de concrete situatie ten tijde van het ongeval - spreekt van
“het verkeer ter plaatse”en van een pallet
“die gereed wordt gezet”niet worden afgeleid dat het hof niet tot uitgangspunt heeft genomen dat [betrokkene 1] stilstond, zoals hij zelf heeft verklaard. Verder komt, ook als [betrokkene 1] stilstond, wel degelijk betekenis toe aan de relevante verkeersregels. De opvatting dat [betrokkene 1] geen verkeersdeelnemer is, enkel en alleen omdat hij tussentijds en op het moment van de aanrijding stilstond, moet als onjuist worden verworpen. Ook bij een niet bewegend voertuig kan sprake zijn van verkeersdeelname, zo werd al in 1934 uitgemaakt. [19] Of [betrokkene 1] op het moment van het ongeval verkeersdeelnemer was, kan hier niet worden vastgesteld, aangezien dit een beoordeling van feitelijke aard vergt. Er is hier overigens sprake van een ontoelaatbaar novum in cassatie, nu het standpunt dat [betrokkene 1] geen verkeersdeelnemer was in feitelijke aanleg niet is ingenomen, terwijl Papyrus zelf ook meermalen een beroep heeft gedaan op het in de AHV genoemde algemene
verkeersreglement en de in de AHV vermelde specifieke
verkeersregels.
onder I B en I C, die betrekking hebben op de betekenis die het hof in rov. 5.13 en 5.14 heeft toegekend aan de specifieke verkeersregels in de AHV en de algemene verkeersregels in het algemeen verkeersreglement. Waar Papyrus
onder I Cstelt dat de door het hof genoemde regel uit de AHV
“dat hoofdpaden in het magazijn voorrang hebben op zijpaden”uitgaat van vooruit gaande verkeersdeelnemers, terwijl [verweerder] achteruit reed, gaat zij voorbij aan het oordeel van het hof dat onvoldoende is onderbouwd dat de in 2.2.3 van de AHV opgenomen specifieke regels, waaronder deze regel, van toepassing zijn op het relevante deel van het verzamelplein.
onder I Dberust op de onjuiste veronderstelling dat [betrokkene 1] geen verkeersdeelnemer is en moet om die reden falen. Met de klacht vraagt Papyrus verder de facto om een feitelijke herbeoordeling, waar zij wijst op onvoorzichtigheid van [verweerder] en stelt dat sprake is van een algemeen bekend gevaar, zodat het hof had moeten oordelen dat Papyrus niet gehouden was specifieke maatregelen te nemen ter mitigering van dat gevaar. Voor een dergelijke herbeoordeling is in cassatie geen plaats. Het oordeel van het hof, dat Papyrus veiligheidsmaatregelen had moeten nemen ter voorkoming van het in rov. 5.11 omschreven gevaar, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft in redelijkheid kunnen oordelen - zoals het kennelijk heeft gedaan - dat het gevaar dat een pompwagen, die uit de aard van de werkzaamheden ook achteruit moet kunnen rijden en in ieder geval achteruit rijdt vanaf de schans, op het verzamelplein in aanraking kan komen met een orderpicktruck die zich ook op het verzamelplein kan bevinden en het reële risico dat het lichaam van de bestuurder van de pompwagen daarbij in aanraking komt met de vorken van de orderpicktruck met een kans op aanmerkelijk letsel, geen algemeen bekend gevaar is dat noodzakelijk aan het verrichten van de betreffende werkzaamheden verbonden is. [20]
onder I Egaat Papyrus ervan uit dat het hof het relaas van [betrokkene 1] niet consequent tot uitgangspunt heeft genomen. Ditmaal doordat in het oordeel in rov. 5.11 zou doorklinken dat het ongeval ter hoogte van het sealapparaat heeft plaatsgevonden en niet op de door [betrokkene 1] op de plattegrond aangewezen plaats. M.i. kan dat niet uit de bestreden overweging worden afgeleid zodat de klacht feitelijke grondslag mist. Dat het hof spreekt over de belijning
“ter hoogte van het sealapparaat”, houdt daarmee verband dat dit de plaats is van waaruit [verweerder] zich bewoog. Uit de vooropstelling dat veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de toedracht is geweest zoals door [betrokkene 1] is beschreven, volgt dat het hof heeft aangenomen dat het ongeval heeft plaatsgevonden op de door [betrokkene 1] aangewezen plaats. Bij dit alles is onduidelijk welk belang Papyrus bij haar klacht heeft. Voor zover hier van belang, is de essentie van ’s hofs oordeel immers dat de ter plaatse aangebrachte belijning in de omgeving van het verzamelplein niet kan voorkomen dat een pompwagen op het verzamelplein in aanraking kan komen met een orderpicktruck die zich ook op het verzamelplein kan bevinden. Papyrus stelt niet, laat staan dat zij dit onderbouwt, dat dit oordeel anders zou komen te luiden als - zo het hof dat niet al tot uitgangspunt zou hebben genomen - het ongeval op de door [betrokkene 1] aangewezen plek heeft plaatsgevonden.
“(verschillende aspecten van) de omgang door het hof met de feitelijke toedracht van het ongeval”en valt uiteen in drie subonderdelen.
onder II Amist feitelijke grondslag. Anders dan Papyrus stelt, heeft het hof in rov. 5.15 niet miskend dat de feitelijke toedracht van belang kan zijn voor het antwoord op de vraag of sprake is van een zorgplichtschending. [21] Het hof heeft het bewijsaanbod van Papyrus gepasseerd omdat de door haar te bewijzen stellingen niet kunnen leiden tot een ander oordeel. Dat is iets anders. Onjuist of onbegrijpelijk is het oordeel van het hof niet. Bedacht moet worden dat het hof bij het oordeel goeddeels is uitgegaan van de juistheid van de door Papyrus te bewijzen aangeboden stellingen en de verklaring van [betrokkene 1] .
onder II Bbetreft eveneens het passeren van het bewijsaanbod en berust opnieuw op de onjuiste veronderstelling dat het hof wat betreft de feitelijke toedracht niet is uitgegaan van de inhoud van de door [betrokkene 1] afgelegde verklaring. Reeds daarop moet de klacht stranden. In de door Papyrus geconstateerde tegenstrijdigheden in de stellingen van [verweerder] hoefde het hof geen aanleiding te zien af te wijken van de bijzondere regel van bewijslastverdeling in art. 7:658 lid 2 BW Pro. [23]
onder II Cslaagt niet. Kort gezegd stelt Papyrus met dit subonderdeel de begrijpelijkheid ter discussie van rov. 5.13, waarin het hof heeft overwogen dat een markering van hoofd- en zijpaden ter plekke ontbrak en in verband daarmee dat het op de weg van Papyrus lag te onderbouwen hoe de in 2.2.3 van de AHV opgenomen specifieke regels van toepassing kunnen zijn op het deel van het verzamelplein waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Papyrus stelt ter onderbouwing van haar klacht dat de overweging dat de gele lijnen
primaireen logistieke functie hadden, niet noodzakelijkerwijs betekent dat zij niet ook een andere functie kunnen hebben.
ter plaatseop het verzamelplein alleen gele, voor logistiek bestemde belijning aanwezig is en zich daar geen witte lijnen bevinden die bestemd zijn om het verkeer ter plaatse te regelen met het oog op de veiligheid van de werknemers.
onder III Aberust op de onjuiste rechtsopvatting dat de omstandigheid dat de Arbeidsinspectie geen overtreding heeft vastgesteld, betekent dat de werkgever zijn zorgplicht ex. art. 7:658 BW Pro heeft nageleefd en moet reeds daarom falen. Papyrus verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar het arrest
Maatzorg/ […]. [27] Daarin is overwogen dat de omvang van de zorgplicht
in de eerste plaatsen
in elk gevalwordt bepaald door hetgeen op grond van de regelgeving op het terrein van de arbeidsomstandigheden van de werkgever wordt gevergd. [28] De publiekrechtelijke veiligheidsnormen gelden als gezegd als ondergrens (zie hiervoor, 3.3). Heeft de werkgever verplichtingen die krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en andere publiekrechtelijke regelingen ter zake van arbeidsomstandigheden geschonden, dan is de werkgever in beginsel aansprakelijk voor de letselschade die de werknemer daardoor lijdt. [29] Dat betekent uiteraard niet dat
a contrariode werkgever zijn zorgplicht zonder meer heeft nageleefd als geen overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet is vastgesteld. [30]
onder III Bmist feitelijke grondslag. Het hof heeft niet miskend dat de beoordeling welke verplichtingen in een concreet geval op de werkgever rusten moet plaatsvinden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. [31] Dat het hof bij zijn oordeel overwegende betekenis heeft toegekend aan het reële risico dat het lichaam van de bestuurder van de pompwagen in aanraking komt met de vorken van de orderpicktruck, met kans op aanmerkelijk letsel, is niet onbegrijpelijk. Overigens is de discussie tussen partijen ook niet zozeer geweest of met het oog op dit risico veiligheidsmaatregelen getroffen moesten worden, maar of de getroffen maatregelen en aanwijzingen toereikend waren.
onder III Cslaagt niet. Het hof is niet voorbijgegaan aan de stelling van Papyrus dat [verweerder] een zeer ervaren werknemer was die voorafgaand aan het ongeval al jaren met de orderpicktruck en de elektrische pompwagen werkte, en die verschillende opleidingen had gevolgd en over verschillende (relevante) certificaten beschikte. [32] De stelling komt bij de weergave van het door Papyrus in rov. 5.8 gestelde terug en is derhalve door het hof in zijn beoordeling betrokken. Gezien de overweging dat een werkgever ermee rekening heeft te houden dat werknemers weleens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is (rov. 5.3, 5.11 en 5.12), is voldoende duidelijk waarom dit een en ander het hof niet tot een ander oordeel heeft gebracht. [33]
onder III D en III Elijken op twee gedachten te hinken: enerzijds wordt het hof verweten blijkens rov. 5.12 een te strenge maatstaf te hebben gehanteerd, anderzijds wordt geklaagd dat het hof de maatstaf wel voorop heeft gesteld, maar niet heeft toegepast. Het lijkt mij dat het van tweeën één is. Het hof refereert in de beoogde overweging aan het arrest
[.../...]. [34] Daarbij geeft het geen toepassing aan dit arrest, maar ‘houdt het daarop het oog’. Zie ik het goed, dan vormt de inhoud van deze overweging een onderstreping van wat het hof met juistheid aan het slot van rov. 5.11 heeft overwogen: een werknemer moet er nadrukkelijk rekening mee houden dat werknemers weleens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is. Overigens zou het hof m.i. niet een te zware of onjuiste maatstaf hebben gehanteerd als het hof het onderhavig geval wél langs de lat van het arrest
[.../...]zou hebben gelegd. Het gaat hier, net als in dat arrest, om de inrichting van de onderneming en de gebruikte machines, en dus om zaken die de werkgever zelf bepaalt. [35]
onder VI B. Dat subonderdeel berust verder op de onjuiste lezing dat naar het oordeel van het hof het feit dat het algemeen verkeersreglement niet specifiek is toegespitst op en geschreven voor de inrichting van de werkzaamheden in het magazijn van Papyrus
“(mede-)dragend[is]
voor het oordeel dat Papyrus “bij herhaling bijzondere aandacht” zou moeten schenken aan de ter plaatse geldende verkeersregels”. Het gaat hier om twee zelfstandige omstandigheden die het hof bij de beoordeling of Papyrus aan haar zorgplicht heeft voldaan, in aanmerking heeft genomen. De omstandigheid dat de algemene verkeersregels algemeen en niet specifiek zijn, is relevant omdat het eerder door het hof omschreven risico niet algemeen, maar specifiek is aan de werkzaamheden van haar werknemers in het magazijn. De noodzaak om
“bij herhaling bijzondere aandacht”te schenken aan de ter plaatse geldende verkeersregels, vloeit voort uit de eerder door het hof vooropgestelde omstandigheid dat er ook nadrukkelijk rekening mee moet worden gehouden dat werknemers weleens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is.
“niet is gebleken dat Papyrus zich nadrukkelijk ervan heeft vergewist”of [verweerder] de relevante verkeersinstructies daadwerkelijk heeft kunnen internaliseren en dat zij
“niet alle aanwijzingen heeft verstrekt die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt”onbegrijpelijk is in het licht van de onweersproken stelling dat [verweerder] op de hoogte was van de geldende verkeersregels. Het oordeel van het hof zou te meer onbegrijpelijk zijn in het licht van de vaststelling dat Papyrus verkeersregels hanteerde die
“aansluiten bij de in het Verkeersplan BMWT opgenomen aanbevelingen om tot een veilige verkeerssituatie te komen”, waaronder de verkeersregel
“achteruitrijdend verkeer moet altijd voorrang geven aan vooruit rijdend verkeer”. [39] Zij stelt dat het hof niet heeft vastgesteld (waaruit blijkt) dat [verweerder] van deze regel niet (voldoende) op de hoogte was. In het licht van het voorgaande zou het hof in rov. 5.15 verder ten onrechte het gespecificeerde bewijsaanbod hebben gepasseerd voor zover dat zag op een of meer van de hierboven genoemde stellingen.
onder VI Dslagen evenmin. Zij berusten op de onjuiste veronderstelling dat de kantonrechter in eerste aanleg zou hebben vastgesteld dat uit het rapport van de Arbeidsinspectie op geen enkele wijze valt op te maken dat [verweerder] de Nederlandse taal onvoldoende zou beheersen, waartegen door hem niet is gegriefd. De beoogde overweging is geen oordeel van de kantonrechter, maar een weergave van de stellingen van Papyrus. [40] [verweerder] hoefde daartegen derhalve geen grief te richten, [41] terwijl het hof daardoor ook niet in zijn oordeelsvorming werd beperkt. [42]
“nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet”. Papyrus klaagt dat het hof heeft miskend dat het had moeten beoordelen of de schadeomvang direct in de uitspraak kon worden vastgelegd, in welk geval geen verwijzing naar de schadestaatprocedure nodig zou zijn geweest. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, zou het hof in ieder geval hebben miskend dat het uit hoofde van de devolutieve werking van het appel gehouden was om het door Papyrus in eerste aanleg gevoerde verweer tegen de door [verweerder] gevorderde verwijzing naar de schadestaat te beoordelen. [43] Voor zover het hof ook dit niet heeft miskend, klaagt Papyrus dat zijn oordeel in ieder geval onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, nu nergens kenbaar in de motivering is betrokken waarom de schadeomvang niet direct in de uitspraak kon worden vastgelegd, dan wel waarom de door Papyrus in eerste aanleg aangevoerde omstandigheden niet tot het oordeel hebben kunnen leiden dat de schadeomvang direct in de onderhavige uitspraak kon worden vastgelegd.