Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Feiten
fees(met rente). [verweerster 1] is ter zake van dit laatste in gebreke gesteld; en
primair: voor recht te verklaren dat de franchiseovereenkomst tussen partijen dan wel
subsidiairartikel 11 van Pro de franchiseovereenkomst (in de zaken van [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] en [eiser 1] ) resp. de artikelen 14 en 16 lid 4 (in de zaak van [eiser 5] ) nietig zijn wegens strijd met de Mededingingswet;
meer subsidiair: de franchiseovereenkomsten tussen partijen te vernietigen, op grond van dwaling en/of bedrog;
verder subsidiair: voor recht te verklaren dat de franchiseovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk is ontbonden, althans deze alsnog rechtsgeldig te ontbinden per een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
feealsmede de door de franchisenemer geleden schade wegens het niet deugdelijk nakomen van de overeenkomst en op grond van onrechtmatige daad, met wettelijke rente;
know howvan [verweerster 1] en van BAS Holding hebben toegeëigend en/of [verweerster 1] onrechtmatige concurrentie hebben aangedaan door het duurzame bedrijfsdebiet van [verweerster 1] stelselmatig en op substantiële wijze af te breken, daarbij gebruikmakend van de hulpmiddelen die [verweerster 1] vertrouwelijk aan hen ter beschikking heeft gesteld;
fee-bedrag over dat
fee-bedrag (dictum onder 5.6);
[eiser 2]heeft het hof daarnaast voor recht verklaard dat [verweerster 1] de franchiseovereenkomst met [eiser 2] op goede gronden tussentijds heeft opgezegd op grond van artikel 16 lid 1 van Pro de franchiseovereenkomst en dat [eiser 2] derhalve gehouden is tot betaling van een vergoeding aan [verweerders 2 en 3] op grond van artikel 18 lid 1 van Pro de franchiseovereenkomst, welke vergoeding bindend zal worden vastgesteld door een - door partijen in onderling overleg nader aan te wijzen - aan Deloitte verbonden onafhankelijke deskundige.
[eiser 3]heeft het hof ook voor recht verklaard dat [eiser 3] vanwege het verzorgen van de in rov. 3.18.3 en 3.18.4 genoemde trainingen de daarmee verband houdende boetes verschuldigd is aan [verweerders 2 en 3] en dat hij is gehouden om aan [verweerders 2 en 3] de schade te vergoeden die [verweerster 1] heeft geleden als gevolg van het verzorgen van deze trainingen en heeft het hof [eiser 3] veroordeeld tot vergoeding aan [verweerders 2 en 3] van de schade, nader op te maken bij staat.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Het faillissement van [verweerster 1] en de vorderingen van de franchisenemers
nietuitsluitend de strekking om de geldvorderingen onder 6. en 7. toewijsbaar te maken. De vordering betreft de geldigheid en het (voort)bestaan van de franchiseovereenkomsten in het algemeen. De gegrondheid van de vordering is ook van belang voor de al dan niet toewijsbaarheid van de vorderingen van (inmiddels) [verweerders 2 en 3] jegens de franchisenemers. Het hof zal de franchisenemers daarom volgen in hun - tijdens het pleidooi in hoger beroep ingenomen - standpunt dat de schorsing ex artikel 29 Fw Pro geen betrekking heeft op de vordering onder 3.
subonderdeel 1.5.