Uitspraak
27 april 1990.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of het hoger beroep van eiseres, ingesteld tegen vonnissen van de Rechtbank Roermond, ontvankelijk was voor zover het betrekking had op vorderingen in reconventie. Verweerster had een vordering ingesteld tot betaling van een bedrag wegens accountantswerkzaamheden, waarop eiseres in reconventie een schadevergoeding eiste wegens onjuiste adviezen.
De Rechtbank had meerdere vonnissen gewezen met beslissingen in conventie en reconventie. Eiseres stelde hoger beroep in tegen alle vonnissen, maar wijzigde later haar appelstelling, waardoor het Hof aannam dat het hoger beroep tegen de vonnissen in conventie was ingetrokken en het beroep tegen de vonnissen in reconventie te laat was ingesteld.
De Hoge Raad oordeelde dat een hoger beroep tegen een vonnis waarin beslissingen in conventie en reconventie zijn vervat, in beginsel het gehele vonnis betreft. Een beperking van het hoger beroep vereist een ondubbelzinnige verklaring in de appeldagvaarding. Het Hof was onjuist in zijn oordeel dat het hoger beroep niet ontvankelijk was. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verklaarde eiseres ontvankelijk, waarna de zaak werd terugverwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart eiseres ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de vonnissen in reconventie en verwijst de zaak terug naar het Hof.