Conclusie
1.Procesverloop
2.De feiten en het geschil
De feiten
3.De behandeling van het principale beroep in cassatie
Inleiding
NTFR2016/2719:
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende heeft in 2013 een traplift aangeschaft en deze kosten als specifieke zorgkosten opgevoerd in zijn belastingaangifte. Omdat hij geen Wmo-voorziening had aangevraagd, stelde de inspecteur dat de kosten niet aftrekbaar waren als eigen bijdrage krachtens de Wmo. De Rechtbank wees het beroep af, maar het Hof oordeelde dat de kosten wel aftrekbaar waren omdat belanghebbende geen financiële tegemoetkoming ontving en zelf betaalde.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het Hof en betoogde dat ook bij niet-aanvragen de kosten als eigen bijdrage moeten worden beschouwd, om ongelijke fiscale behandeling te voorkomen. De Advocaat-Generaal onderzocht de uitleg van de term 'krachtens de Wmo verschuldigde bijdragen' en concludeerde dat dit moet worden opgevat als de bijdrage die verschuldigd zou zijn indien een Wmo-aanvraag was gedaan.
De conclusie is dat aftrek van specifieke zorgkosten niet mogelijk is wanneer een vergoeding op grond van de Wmo mogelijk is, ook als geen aanvraag is ingediend. Dit voorkomt dat niet-aanvragers fiscaal bevoordeeld worden ten opzichte van aanvragers, en sluit aan bij de vangnetfunctie van de specifieke zorgkostenregeling.
Uitkomst: De Hoge Raad concludeert dat kosten voor een traplift niet aftrekbaar zijn als specifieke zorgkosten indien geen Wmo-aanvraag is gedaan maar de voorziening wel voor vergoeding in aanmerking komt.