Conclusie
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
Overweging met betrekking tot het bewijs
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van 378 hennepplanten en diefstal van elektriciteit in een woning die zij huurde. Het hof baseerde zijn oordeel op het uitgangspunt dat een huurder geacht mag worden te weten wat zich in zijn woning bevindt, tenzij anders blijkt. De verdachte stelde dat zij de woning had onderverhuurd en zelf elders woonde.
De Hoge Raad oordeelt dat het bewijs onvoldoende is om vast te stellen dat de verdachte de woning daadwerkelijk bewoonde in de periode waarin de hennepkwekerij werd aangetroffen. De stelling van onderverhuur werd niet aannemelijk geacht door het hof, maar dat betekent niet dat de alternatieve lezing van de verdachte zonder meer mag worden verworpen. Hierdoor ontbreekt wettig en overtuigend bewijs voor haar wetenschap van de hennepplanten.
Daarnaast is het bewijs voor de diefstal van elektriciteit onvoldoende. Het enkele feit dat stroom werd afgetapt en dat de verdachte huurder was, is niet voldoende om haar als dader aan te merken. De Hoge Raad stelt dat het hof de bewijslast ten onrechte heeft omgekeerd en dat de bewezenverklaringen niet voldoen aan de motiveringsvereisten. Daarom wordt het arrest vernietigd en wordt de zaak terugverwezen of anderszins door de Hoge Raad afgedaan.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs voor opzettelijk aanwezig hebben van hennep en diefstal van elektriciteit.