Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
8 oktober 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van 378 hennepplanten in een gehuurde woning en het diefstal van elektriciteit ten behoeve van deze hennepkwekerij. De verdachte voerde aan dat zij niet betrokken was bij de hennepplantage en de woning had onderverhuurd terwijl zij elders verbleef.
Het hof baseerde zijn oordeel dat de verdachte opzettelijk de hennepplanten aanwezig had op het uitgangspunt dat een huurder weet wat zich in zijn woning bevindt, zonder het verweer van de verdachte dat zij in de woning van haar partner verbleef te beoordelen. Ook was de bewezenverklaring omtrent de diefstal van elektriciteit onvoldoende onderbouwd met bewijsmiddelen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn motivering onvoldoende had gegeven, met name omdat het verweer van de verdachte niet was onderzocht en de bewijsvoering omtrent elektriciteitsdiefstal niet overtuigend was. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op basis van het bestaande dossier.
De zaak betreft de periode van 1 tot en met 26 januari 2016, waarbij de hennepkwekerij werd aangetroffen in een woning die de verdachte sinds 2011 huurde. Liander N.V. stelde dat illegale stroomafname was geconstateerd. De verdachte ontkende betrokkenheid en stelde dat zij de woning had onderverhuurd, maar kon dit niet onderbouwen.
De Hoge Raad benadrukte het belang van een deugdelijke motivering en het toetsen van verweren, en stelde dat het hof dit onvoldoende had gedaan, waardoor de bewezenverklaring niet aan de wettelijke eisen voldeed.
Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof is vernietigd en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde behandeling.