Conclusie
1.Procesverloop
Het horen van betrokkene
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1valt uiteen in vier klachten (a t/m d).
nietheeft plaatsgevonden. Het onderdeel klaagt verder dat de rechtbank met het oordeel dat het horen van betrokkene achterwege moest blijven omdat (i) betrokkene zwervend is, (ii) hem door de beoordeling in verband met de geneeskundige verklaring bekend was dat een machtiging was aangevraagd, (iii) getracht is betrokkene te horen maar dit niet mogelijk is gebleken, (iv) gebleken is dat betrokkene moeilijk te achterhalen is, en (v) gelet op de toestand van betrokkene, heeft miskend dat met een oproeping wordt recht gedaan aan het voorschrift van art. 8 Wet Pro Bopz dat betrokkene door de rechter wordt gehoord tenzij deze vaststelt dat hij niet bereid is te worden gehoord. [9] Volgens het onderdeel kunnen de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden daarom niet rechtvaardigen dat de oproeping van betrokkene achterwege is gelaten en hij ook niet is gehoord.
onderdeel 1c, is onbegrijpelijk dat de rechtbank heeft geoordeeld dat gebleken is dat betrokkene moeilijk te achterhalen was, nu blijkens de hiervoor in 2.1 genoemde e-mail van 5 april 2019 de rechtbank ermee bekend was dat betrokkene mogelijk was aan te treffen op dagopvang ‘[A]’ te Nijmegen, en hij soms bij zijn moeder thuis kwam en de GGD bij hem was betrokken, zoals de rechtbank in het kader van de inhoudelijke beoordeling van het verzoek overweegt. Aldus heeft de rechtbank volgens het onderdeel onder de gegeven omstandigheden ten onrechte betrokkene niet laten oproepen, waarbij de rechtbank een aan de onderhavige zaak aangepaste wijze van oproeping had kunnen bepalen met inachtneming van hetgeen de rechtbank over mogelijke verblijfplaatsen van betrokkene bekend was.
nietis opgeroepen. De vraag rijst of dit wel had gemoeten.
De rechter:
geensprake. Uit het door de officier van justitie in het geding gebrachte historisch overzicht van de in het verleden ten behoeve van betrokkene afgegeven machtigingen blijkt dat betrokkene niet recent is opgenomen. Eerder afgegeven machtigingen dateren uit 2015. Ook in zoverre is de situatie in de onderhavige zaak anders dan die in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 20 november 2015. In de onderhavige zaak gold ook niet de korte beslistermijn van drie dagen (art. 29 Wet Pro Bopz).
onderdeel 2, dat geheel voortbouwt op de klachten van onderdeel 1.