Conclusie
[eiser]) vordert een verklaring voor recht dat verweerster in cassatie (hierna:
Rabobank) onrechtmatig heeft gehandeld door een speedboot, die door zijn zoon aan hem ten titel van koop in eigendom was overgedragen, ten laste van zijn zoon executoriaal te verkopen. Rabobank heeft zich verweerd met een beroep op vernietiging van de gestelde koopovereenkomst op grond van art. 3:45 BW Pro. Het hof heeft het beroep van Rabobank op de pauliana gehonoreerd, onder meer op de grond dat de door [eiser] aan de zoon betaalde koopprijs niet beschikbaar is geweest voor verhaal door de schuldeisers. In cassatie gaat het onder meer om de vraag of het hof daarmee de feitelijke grondslag van het verweer van Rabobank heeft aangevuld en buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.
1.Feiten en procesverloop
de zoon).
het schip) gekocht voor € 440.000,- exclusief btw. De zoon heeft in 2007 overeenstemming bereikt met een werf om het schip in te ruilen voor € 302.680,- inclusief btw bij de aanschaf van een groter schip voor € 1.552.680,-. De aanschaf en de inruil zijn uiteindelijk niet doorgegaan omdat de zoon niet betaalde.
primair, dat [eiser] nooit de eigendom van het schip heeft verkregen, en,
subsidiair, dat zij de (vermeende) koop binnen de verjaringstermijn van art. 3:52 lid Pro 1, aanhef en sub d, BW heeft vernietigd met een beroep op de pauliana.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
te laagwas. Rabobank heeft niet ter onderbouwing van de pauliana aangevoerd dat de benadeling eruit bestond dat de betaalde koopprijs
niet beschikbaaris geweest voor verhaal, aldus het onderdeel.
benadeeld. Verder is voor de vernietiging van een koopovereenkomst vereist dat zowel de schuldenaar/verkoper als diens wederpartij/koper wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn. De stelplicht en eventuele bewijslast met betrekking tot genoemde elementen rusten op de schuldeiser die de pauliana inroept (daarbij tegemoet gekomen door de wettelijke vermoedens van de artikelen 3:46 en 3:47 BW).
feitelijkzijn bemoeilijkt doordat een verhaalsobject waarop schuldeisers zich relatief eenvoudig kunnen verhalen, is vervangen door een verhaalsobject waarbij verhaalsneming moeilijker is. [8] Ankum noemt met zoveel woorden het voorbeeld dat een gemakkelijk te grijpen vermogensbestanddeel zoals een schip wordt vervangen door een moeilijk te achterhalen vermogensdeel, bijvoorbeeld geld. Ook tegen een dergelijke vermindering van het feitelijk executabele vermogen zouden crediteuren moeten kunnen opkomen. [9]
De benadeling waar de bank zich op beroept, (…) eruit (bestaat) dat de gestelde kooprijs van € 100.000,= te laag zou zijn, gelet op de waarde van het schip.” [12] Tegen deze vaststelling zijn in hoger beroep geen grieven gericht. Ook in hoger beroep heeft [eiser] verweer gevoerd tegen de stelling van Rabobank dat de gestelde verkoopprijs van € 100.000 veel te laag is [13] en heeft Rabobank zich andermaal op het standpunt gesteld dat met een gestelde koopprijs van € 100.000 de benadeling is gegeven en dat zij om die reden de pauliana heeft ingeroepen. [14]
stavingvan de feitelijke grondslag – aan ten processe gebleken feiten zelfstandig feitelijke gevolgtrekkingen te verbinden, maar in dit geval heeft het hof mijns inziens de grens met een ontoelaatbare
uitbreidingvan de feitelijke grondslag overschreden. [15] Het staat de rechter namelijk niet vrij zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer zijn ten grondslag gelegd. Daardoor wordt de wederpartij immers tekortgedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen. [16]