De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam die het klaagschrift van de echtgenote van de beslagene ongegrond verklaarde inzake conservatoir beslag op een woning, bankrekening en auto. Het beslag was gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen en de handel in versleutelde telefoons.
De rechtbank had onderzocht of boven redelijke twijfel was verheven dat de beslagene niet als eigenaar van het pand kon worden aangemerkt, maar de Hoge Raad stelt dat de juiste maatstaf is of buiten redelijke twijfel vaststaat dat de klaagster als eigenaar moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft daarmee een onjuiste maatstaf toegepast.
De Hoge Raad benadrukt dat de eigendomsverhouding tussen klaagster en beslagene van belang is en dat de rechter moet toetsen of de situatie van art. 94a lid 4 Sv zich voordoet, waarbij schijnconstructies kunnen worden doorgeprikt. Mede-eigendom sluit niet per definitie beslaguitvoering uit.
De Hoge Raad wijst ook op het belang van tenaamstelling in het kadaster en dat het feit dat een registergoed op naam van een ander staat mede-eigendom niet uitsluit. De beschikking van de rechtbank wordt daarom vernietigd en de zaak terugverwezen voor nieuwe behandeling op juiste maatstaf.