Conclusie
Internationale regelgeving en rechtspraak
all species threatened with extinction which are or may be affected by trade’. Appendix II omvat onder meer ‘
all species which although not necessarily now threatened with extinction may become so unless trade in specimens of such species is subject to strict regulation in order to avoid utilization incompatible with their survival’. Art. VIII ziet op ‘
measures to be taken by the Parties’. Deze omvatten ‘
measures (…) to penalize trade in, or possession of, such specimens, or both’(lid 1). Op appendix I staat ‘
Loxodonta africana (Except the populations of Botswana, Namibia, South Africa and Zimbabwe, which are included in Appendix II subject to annotation 2)’. En op appendix II staat ‘
Loxodonta africana (Only the populations of Botswana, Namibia, South Africa and Zimbabwe; all other populations are included in Appendix I)’. Annotation 2 geeft een opsomming van de doelen waarvoor ‘
trade’ in relatie tot de betreffende populaties is toegestaan, zoals ‘
trade in hunting trophies for non-commercial purposes’ en
‘trade in registered raw ivory’ onder nader omschreven voorwaarden. Annotation 2 besluit met: ‘
All other specimens shall be deemed to be specimens of species included in Appendix I and the trade in them shall be regulated accordingly.’
amendments’) worden aangebracht in appendices I en II (art. XV). Tijdens de eerste vergadering van de Conference of the Parties (CoP1) in 1976 werd besloten de Afrikaanse olifant (Loxodonta africana) op appendix II bij het CITES-verdrag te plaatsen. [11] In 1990 werd de Loxodonta africana naar appendix I overgeheveld (‘
uplisting’) door een resolutie die wel wordt aangeduid als ‘the Ivory Ban’. [12] In 1997 werd besloten dat de populaties olifanten van Zimbabwe, Botswana en Namibië (weer) naar appendix II gingen (‘
downlisting’). [13] Daarbij werd als doel omschreven (kort gezegd): ‘
to allow (...) export’ van nader omschreven specimens in nader omschreven hoeveelheden. In 1999 werd ivoor uit deze landen verkocht aan Japan. [14] Vervolgens werd in 2000 ook de populatie van Zuid-Afrika overgeheveld naar appendix II. [15] Daarbij werd als exclusief doel vermeld: ‘
allowing (…) trade’ van nader omschreven specimens. Daaraan werd toegevoegd: ‘
All other specimens shall be deemed to be specimens of species included in Appendix I and the trade in them shall be regulated accordingly’. In 2008 verkochten deze vier landen ivoor aan China en Japan. [16] Tijdens de achttiende en meest recent gehouden Conference of the Parties, verleden maand in Genève, waren opnieuw voorstellen tot
uplistingdan wel
downlistingvan populaties van de Afrikaanse olifant aan de orde. Deze voorstellen werden afgewezen. [17]
The re-export of pre-convention/antique ivory from the European union’. [18] Daarin wordt onder meer opgemerkt: ‘
Regarding the evidence required from the applicant to establish pre-Convention status and legal acquisition/importation into the EU, this varied between MS and was generally determined on a case-by-case basis.’ [19] Vervolgens wordt een opsomming gegeven van soorten bewijsmateriaal die worden geaccepteerd. Eén van de aanbevelingen aan de Europese Commissie is om de ontwikkeling van
Guidancete ondersteunen die onder meer advies zou moeten geven inzake ‘
the evidence that may be accepted as proof of legal acquisition, and the circumstances in which more stringent evidence should be requested’. [20]
Soorten bewijsmateriaalhieronder);
Soorten bewijsmateriaalhieronder).
Algemene overwegingen, hangt de hoeveelheid en de soort van het bewijsmateriaal dat de verwerving afdoende staaft, af van de aard van de aanvraag en het ermee samenhangende risico. Wanneer een intra-EU-certificaat betrekking heeft op commerciële hoeveelheden onbewerkt ivoor, dienen lidstaten te overwegen alleen het bewijs te aanvaarden dat onder de eerste drie opsommingstekens hierboven is vermeld.
Nationale wet- en regelgeving
Het eerste middel
ivory identification’stappenplan uit de CITES identification manual deel 5 vaststelde dat het ging om ivoor van de Afrikaanse of Aziatische olifant (bewijsmiddel 3). [24] De als bewijsmiddel 7 gebezigde verklaring van de verdachte houdt in:
Standpunt verdediging
aangetoonddat een zwaarder regime van toepassing is.
Het tweede middel
tweede deelklachthoudt in dat het hof mede gelet op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ten onrechte, althans op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden in het midden heeft gelaten of het door de verdachte overgelegde EG-certificaat betrekking had op het in de bewezenverklaring omschreven ivoor, en daardoor ook in het midden heeft gelaten of ingevolge de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet sprake was van een vrijstelling van de verboden als bedoeld in art. 13, eerste lid, Ffw.
Standpunt verdediging
an sichreeds een vrijstelling van verboden als bedoeld in art. 13, eerste lid, Ffw oplevert c.q. kan opleveren’.
an sichverworpen met de overweging dat de vroegere Duitse vrijstellingsregeling, op grond waarvan het certificaat dat door de verdachte overgelegd is en bij het ivoor zou horen is afgegeven, in strijd is met de Basisverordening en de Uitvoeringsverordening. Gegeven die vaststelling heeft het hof zich vervolgens op het beroep op rechtsdwaling gericht.
derde deelklachtziet op ’s hofs verwerping van het beroep op rechtsdwaling. Het hof zou dat verweer ten onrechte hebben verworpen, althans die verwerping hebben doen steunen op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden.
Deutscher Elfenbeinverbandmeegezonden die onder meer inhield dat als de producent beschikt over een certificaat kan worden afgezien van aparte certificaten met betrekking tot producten van ivoor tot 1 kg. In die brief werd voorts aangegeven dat deze voorschriften van de BRD in de hele EG golden.
Deutscher Elfenbeinverbandis bekrachtigd.
Deutscher Elfenbeinverbandbetreft leert een zoekslag op internet dat deze vereniging in 1993 is opgericht; ‘
Mitglieder (…) sind Verarbeiter und Händler von Elfenbeinprodukten und Rohelfenbein aus legalen Altbeständen.’ [31] Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat een brief van deze vereniging niet een advies is van een instantie waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van dat advies mocht vertrouwen. Ook dat komt mij niet onbegrijpelijk voor.
Deutscher Elfenbeinverband. Ook de overwegingen die het hof aan het honoreren van het beroep op rechtsdwaling bij object 9 heeft gewijd, maken de overwegingen waarmee het hof dat beroep bij object 1 t/m 8 heeft afgewezen niet onbegrijpelijk. [32]
eerste deelklachthoudt in dat het hof ten aanzien van de objecten 1 t/m 8 van het bewezenverklaarde ivoor ten onrechte niet heeft beslist op het verweer dat – gelet op het in art. 7 EVRM Pro en art. 49 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie besloten liggende legaliteitsbeginsel – art. 13 Ffw Pro in casu buiten toepassing moest worden gelaten, omdat voor de verdachte niet te voorzien was dat zijn gedrag strafbaar was.
Het derde middel
Oplegging van straf en maatregel
(BFK: 8 november)2012 en verdachte heeft op 13 november 2012 hoger beroep ingesteld. Het hof doet uiteindelijk uitspraak op 1 november 2017. Dat de nodige tijd is verstreken met de (aanloop naar de) verhoren van drie getuigen bij de raadsheer-commissaris, doet er naar het oordeel van het hof niet aan af dat de redelijke termijn in hoger beroep met bijna drie jaren is overschreden. Bezien over de gehele procedure is de redelijke termijn met bijna drie jaren en vijf maanden overschreden.