Conclusie
problem solution approachen met name de
“could-would”-regel en de benadering van het objectieve technische probleem waar het octrooi een oplossing voor zou bieden
.Ook zijn klachten geformuleerd over de beoordeling van aanwijzingen die de gemiddelde vakman had (of juist niet) in de stand van de techniek richting de uitvinding. Verder speelt in cassatie of hier sprake was van het overwinnen van vooroordelen in de ogen van die vakman, of zogenoemde
“secundary indicia”voor inventiviteit, zoals tijdsverloop (
“long- felt need”) correct zijn benaderd door het hof en of de grenzen van de rechtsstrijd in acht zijn genomen. Ook kan volgens Coloplast de beoordeling van het hof van de combinatie-uitvindingenproblematiek de toets in cassatie niet doorstaan.
T 2125/10 [4] ). EP 398 is in T 2125/10 definitief in stand gehouden.
prior artdocument. Tegen die beslissing van de OD hebben Medical4You en verschillende andere opposanten beroep ingesteld bij de TKB. In dit (derde en laatste) hoger beroep lagen aanvankelijk (onder meer) hetzelfde hoofd- en hulpverzoek voor dat Coloplast in de procedure in eerste aanleg aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Tijdens de op 16 en 17 november 2016 gehouden mondelinge behandeling heeft de TKB dit hoofd- en hulpverzoek 1 niet geldig geoordeeld respectievelijk wegens gebrek aan nieuwheid en ten opzichte van D2 en gebrek aan inventiviteit met D1 [10] als meest nabije stand van de techniek in combinatie met algemene vakkennis omtrent verpakkingsmaterialen. Daarop heeft Coloplast een nieuw hulpverzoek 3 ingediend en hulpverzoek 9 gehandhaafd. De TKB heeft het octrooi tijdens de (voortzetting van de) mondelinge behandeling op 23 februari 2017 uiteindelijk gehandhaafd op basis van hulpverzoek 3 (T 1477/15 [11] ).
”, waardoor de katheter niet voor langere tijd in het lichaam kan verblijven omdat de coating loslaat. De in de oppositieprocedure met D2 aangeduide publicatie heeft betrekking op een indwelling katheter (zie hierna onder 1.12).
”ingevoegd: “made of gas impermeable material
”. In de niet inventief geachte conclusie 1 volgens hulpverzoek 1 is in plaats daarvan ingevoegd:
“made of a gas impermeable material formed by a multiple layer thermoplastic film material compromising aluminum, the package”. Het nieuwe hulpverzoek 3 (in onderhavige procedure aangeduid als hulpverzoek 2) bevat dezelfde invoeging als hulpverzoek 1 en daarbij wordt voorts de zinsnede “having on at least a part of its surface a hydrophilic surface layer (6)
”vervangen door: “the catheter having a catheter tube coated on its external surface on a substantial part of its length from its distal end with a hydrophilic surface layer in the form of a hydrophilic coating
.”
indwellingkatheters en
intermittentkatheters.
Indwellingkatheters worden onder verdoving of bijvoorbeeld met gebruik van een gel door zorgverleners bij de patiënt ingebracht en zijn bestemd om langere tijd in het lichaam te verblijven (bijvoorbeeld na een operatie).
Intermittentkatheters zijn bestemd om door patiënten te worden gebruikt die langdurig, zo niet levenslang, afhankelijk zijn van katheterisatie voor het legen van de blaas.
Intermittentkatheters zijn bestemd voor het eenmalig legen van de blaas (
single use only), waarna ze (meestal) worden weggegooid. Een
intermittentkatheter wordt door een zorgverlener of door de patiënt zelf – thuis of onderweg – ingebracht in de urinebuis (urethra), door naar de blaas. Hiermee komt een open doorgang tot stand tussen de blaas en het uiteinde van de katheter. Het uiteinde kan op een opvangmiddel – bijvoorbeeld een urine zak – worden aangesloten. Typisch vindt katheterisatie zo’n 4 tot 6 keer per dag plaats gedurende een sessie van 10 tot 30 minuten.
intermittentgebruik op de markt. Er waren hydrofobe katheters die voor gebruik met een gel glad gemaakt moesten worden. Nadeel van dit type is dat het aanbrengen van de gel rommel kan geven, terwijl voorts de bereikte gladheid niet optimaal is. Daarnaast waren er katheters met een katheterbuis van PVC en een hydrofiele polyvinylpyrrolidon (PVP) coating. Deze katheters dienen direct voorafgaand aan het gebruik nat gemaakt te worden – door na opening van de verpakking zwelmedium (bijvoorbeeld water) in de verpakking te gieten – om de hydrofiele coating te ‘activeren’ waardoor deze voldoende glad wordt ten behoeve van het inbrengen in de urinebuis. Na ongeveer 30 seconden is de katheter klaar voor gebruik. Astra Tech bracht in 1983 voor het eerst een dergelijk product op de markt onder de naam LoFric [14] . Coloplast biedt sinds 1993 een dergelijk product aan onder de naam EasiCath. Zowel LoFric als EasiCath zijn droog verpakt in een gasdoorlatende verpakking. Nadeel hiervan is dat de gebruiker geschikt zwelmedium bij de hand moet hebben en het in de verpakking gieten daarvan lastig is voor patiënten met een slechte behendigheid.
“Applicator and method for use in non contaminating application of a medical catheter for insertion into a body canal, in particular a urethra catheter, and of the kind provided with a friction-reducing surface coating”(p. 1, r. 3 t/m r. 7). Rødsten ziet niet zozeer op de katheter maar met name op de verpakking van een katheter. De publicatie openbaart een katheterverpakking met behulp waarvan verplegend personeel of de patiënt zelf een katheter veilig, eenvoudig, steriel en zonder aanraken uit de verpakking kan verwijderen en kan inbrengen, als gevolg waarvan infectiegevaar afneemt (p. 1, r. 36 t/m p. 2, r. 31). Rødsten beschrijft dat de katheterverpakking bijvoorbeeld geschikt is voor gebruik met een katheter met een hydrofiel oppervlak waarbij het vloeibare zwelmedium na opening van de verpakking eenvoudig in de verpakking kan worden geïntroduceerd (p. 2, r. 32 t/m p. 3, r. 5):
“well known per se”zijn, onder andere uit EP-B-0217771 (hierna: EP 771). EP 771 heeft betrekking op urinekatheters met een hydrofiele coating. EP 771 wordt genoemd in paragraaf [0002] van EP 729. Het vloeibare zwelmedium is volgens Rødsten
“preferably water, isotonic salt water or alike”. Behalve voor deze “droog verpakte” hydrofiele katheters openbaart Rødsten dat de katheterverpakking ook geschikt is voor andersoortige uit de stand van de techniek bekende katheters anders dan hydrofiele katheters die worden geactiveerd met een vloeibaar zwelmedium (p. 8, r. 30 t/m r. 35):
Medical Device Packaging Handbookonder redactie van Joseph D. O’Brien uit 1990 [16] . Op pagina 87 wordt vermeld:
“a method for sterilising a medical device having a hydrophilic coating.”Dit octrooi is op 19 februari 2003 verleend onder nummer EP 1 131 112 (hierna: EP 112) [17] . EP 112 ziet – kort gezegd – in het bijzonder op de stabiliteit van de hydrofiele coating bij sterilisatie van de katheter door bestraling. In de beschrijving zijn onder meer de volgende paragrafen opgenomen:
intermittentkatheter met een hydrofiele coating.
tegelijkertijddienen te worden bedacht en - omdat een enkele pointer naar een dergelijke combinatie van maatregelen in de stand van de techniek ontbreekt - de oplossing daarmee inventief moet worden geacht. Er is immers weliswaar sprake van twee deelmaatregelen die gezamenlijk het probleem oplossen, maar de eerste maatregel (het nat verpakken) is voor de gemiddelde vakman voor de hand liggend en de tweede maatregel (de niet-gasdoorlatende verpakking) vloeit vervolgens daaruit voort c.q. wordt ingegeven of noodzakelijk door toepassing van de eerste maatregel (het nat verpakken). Nu in geen van de deelmaatregelen enige inventieve stap is gelegen, is de combinatie ervan evenmin inventief. Dit is ook vaste rechtspraak van de TKB. In Case Law, 8e editie 2016, in paragraaf 9.18.8 als volgt verwoord:
2.Bespreking van het cassatieberoep
Inleiding
problem solution approachbij de beoordeling van de geldigheid van EP 729.
Sandoz/AstraZeneca [27] ben ik ingegaan op de inventiviteitstoets en de
problem solution approach. Ik zal dat voor de zelfstandige leesbaarheid van deze conclusie recapituleren en aanvullen voor zover deze zaak daartoe aanleiding geeft.
problem solution approach(hierna ook: “PSA”) [29] . De PSA bestaat volgens de
Guidelines for Examination in the European Patent Office(verder “
Guidelines”) uit drie stappen [30] :
Guidelinesblijkt verder onder meer het volgende. Bij de toepassing van de PSA gaat het er niet om of de vakman tot de geclaimde oplossing had kunnen komen (
could) maar of hij volgens het in de aanvrage geopenbaarde inzicht zou hebben gehandeld (
would) [31] . Hierbij wordt gelet op aanwijzingen in de stand van de techniek (
pointers), die de vakman op een voor de hand liggende wijze richting de geoctrooieerde oplossing van het objectieve technische probleem sturen (
positieve pointers) of daar juist van weg voeren (
pointers-awaygenoemd in Engels vakjargon) [32] . Een beoordeling met kennis achteraf (
hindsight bias) moet zoveel mogelijk worden voorkomen [33] . Het kan voorkomen dat diverse stappen nodig zijn om tot de uitvinding te komen. Dan is de uitvinding niet inventief als de vakman stap voor stap tot deze oplossing zou komen en iedere stap voor de hand ligt (
step-by-stepbenadering) [34] .
Guidelinesover de
could-would approach [35] , omdat dit een belangrijke rol speelt in dit cassatieberoep:
5.3 Could-would approach
would(not simply could, but would) have prompted the skilled person, faced with the objective technical problem, to modify or adapt the closest prior art while taking account of that teaching, thereby arriving at something falling within the terms of the claims, and thus achieving what the invention achieves (see G-VII, 4).
would have doneso because prior art incited him to do so in the hope of solving the objective technical problem or in expectation of some improvement or advantage (see T 2/83). Even an implicit prompting or implicitly recognisable incentive is sufficient to show that the skilled person would have combined the elements from the prior art (see T 257/98 and T 35/04). This must have been the case for the skilled person before the filing or priority date valid for the claim under examination.
Guidelinesgaan ook in op
combinatie-uitvindingen [36] , waarvan het dienstig voorkomt hier ook de relevante passage te citeren, omdat daarin het verschil wordt aangegeven tussen een combinatie-uitvinding (met synergetisch effect) enerzijds en een loutere combinatie (
juxtaposition or aggregation) van kenmerken anderzijds:
7.Combination vs. juxtaposition or aggregation
It is not enough that the features solve the same technical problem or that their effects are of the same kind and add up to an increased but otherwise unchanged effect.” [Onderstreping A-G]
partial problems), wat in Engels vakjargon wordt aangeduid met een “
aggregation or juxtaposition of features” nog het volgende. Er wordt dan per deelprobleem bekeken of de oplossing inventief is. Voor het aannemen van inventiviteit is toereikend dat de oplossing voor één van de deelproblemen niet voor de hand liggend wordt geacht [39] . Ik citeer hierover het volgende uit Case Law 2016, p. 224-225:
functionally interdependent, i.e. do not mutually influence each other to achieve a technical success over and above the sum of their repective individual effects, in contrast to what is assumend in case of a combination of features. What has to be established is whether each set of features is separately obvious in the light of the priort art (
T 389/86, OJ 1988, 87;
T 387/87,
T 294/90,
T 363/94,
T 926/11). (…)”
secondary indicia [40] voor inventiviteit noemen de
Guidelinestijdsverloop tussen het onderkennen van het probleem en de uitvinding (
long time attempting or long-felt need) [41] : “Where the invention solves a technical problem which workers in the art have been attempting to solve for a long time, or otherwise fulfils a long-felt need, this may be regarded as an indication of inventive step.” Een ander
secondary indiciumspeelt als sprake is van het overwinnen van een technisch vooroordeel [42] .
Lundbeck/Tiefenbacher [44] en
Leo Pharma/Sandoz [45] niet gehouden. Voor het oordeel dat een uitvinding inventiviteit ontbeert, is in beginsel voldoende dat de oplossing op een voor de hand liggende wijze voortvloeit uit de stand van de techniek, zo blijkt uit
Leo Pharma/Sandoz, rov. 3.5.
“hindsight”) mag worden beoordeeld [46] . Zo bijvoorbeeld in
Leo Pharma/Sandoz:
problem solution approachis, zo al gesproken kan worden van recht in de zin van art. 79 RO Pro, naar mijn mening hoogstens als
soft lawaan te merken [48] .
eerste onderdeelkomt op tegen rov. 4.10-4.15 en 4.21-4.23 (hiervoor weergegeven in 1.29) en begint met een inleiding (onder 12-15). De klachten vallen uiteen in twee gedeeltes die zijn voorzien van de tussenkopjes
could not would(onder 16-19) en
het objectieve technische probleem vormt de basis(onder 20-21). De s.t. noemt de rechtsklacht over
could not wouldsubonderdeel I.1 en de motiveringsklacht hierover subonderdeel I.2. De klacht over het
objectieve technische probleemwordt aangeduid als subonderdeel I.3. Ik houd deze nummering hierna aan.
problem solution approachde vraag voorligt of de gemiddelde vakman op de prioriteitsdatum tot de oplossing van het objectieve probleem zou zijn gekomen (
would) en dus niet of hij daartoe zou kunnen komen (
could) [49] .
woulden hoeft niet te wijzen op
could, zoals de klacht dit volgens mij ten onrechte wil begrijpen.
pointers) omvat in de richting van de geoctrooieerde uitvinding. Volgens het subonderdeel komt rov. 4.15 daarom neer op een
hindsight-biasredenering. Voor zover het aangevallen oordeel anders moet worden begrepen dan de tekst aangeeft, is sprake van een motiveringsgebrek. Hetzelfde heeft volgens de klacht
mutatis mutandiste gelden voor rov. 4.21-4.23.
“a kit or set type product which would have water in it”(rov. 4.13). Naar het oordeel van het hof in rov. 4.15 vergde het geen inventieve arbeid om van deze suggestie te komen tot de door Coloplast gekozen oplossing van het nat verpakken. In die overwegingen ligt naar wil voorkomen besloten dat er aanwijzingen waren in de richting van de uitvinding, zodat het hof ook niet heeft nagelaten dit te onderzoeken. Van onbegrijpelijkheid lijkt mij hier geen sprake.
subonderdeel I.2is onbegrijpelijk waarom een
pointerin de richting van de uitvinding kan worden gevonden in de omstandigheden (i) dat geschikt zwelmedium niet altijd voorhanden is, (ii) dat het zwelmedium voor gebruik door een kleine opening in de verpakking moet worden gebracht en (iii) dat “distributeurs” van Coloplast zouden hebben verzocht om
“a kit or set type product which would have water with it”. In dat kader wijst het subonderdeel op vier andere omstandigheden:
“major issue”was en
“if patients were concerned about the quality of the water (or access to water) we suggested that they carry water with them”(rov. 4.14). Coloplast betoogt – met verwijzing naar de inleidende dagvaarding onder 5.106-5.107 – dat de hiervoor genoemde omstandigheden (i)-(iii) de gemiddelde vakman in het licht van deze verklaring van [betrokkene 2] juist
nietin de richting van de uitvinding wijzen.
kit or set type producthebben verzocht. [betrokkene 1] spreekt over dochterondernemingen van Coloplast. Niet valt in te zien hoe die (niet-openbare) informatie een
pointerin de richting van de uitvinding zou kunnen opleveren.
pointerin de richting van de uitvinding heeft aangenomen (waarbij voorop staat dat het hier om aan het hof als feitenrechter voorbehouden uitleg van gedingstukken gaat):
“a kit or set type product which would have water in it”,een
pointerin de richting van de oplossing van het nat verpakken oplevert. Dat ook een (feitelijke) uitleg als bepleit door Coloplast mogelijk was geweest (het was helemaal geen issue dat water erbij voegen in de praktijk, daar waren andere oplossingen voor, dus dat
points awayvan nat verpakken), maakt de uitleg van het hof niet onbegrijpelijk in cassatie-technisch opzicht.
I do not recall any indications from the industry or users mentioning the ready-to-use product described in EP 1 145 729”. [betrokkene 3] verklaart dus dat hij zich geen aanwijzingen van de industrie of gebruikers herinnert, waarin de specifieke oplossing van EP 729 wordt genoemd.
pointer awayvan de uitvinding zou kunnen worden opgevat, zoals Coloplast bij s.t. 67 betoogt, maar dat dit het feitelijke domein van het hof is en de wel gegeven uitleg ook in dit opzicht niet per se onbegrijpelijk is.
pointerin de richting van de uitvinding en het oordeel over de inventiviteit nog niet onbegrijpelijk. Volgens het hof vergde het namelijk geen inventieve denkarbeid om van de gesuggereerde “
kit or set type product which would have water in it” te komen tot de door Coloplast gekozen oplossing van het nat verpakken.
a request from Coloplast’s Italian and German subsidiaries”. Coloplast wijst er op zich terecht op dat
subsidiary“dochteronderneming” betekent en dat het hof het in rov. 4.13 en 4.15 heeft over “een verzoek van distributeurs”. Deze onvolkomenheid zou naar ik meen niet tot cassatie moeten leiden. Naar de onbestreden vaststelling van het hof is het verzoek ingegeven door de problemen die patiënten met de LoFric katheter of Rødsten hebben ervaren (rov. 4.13). Verder heeft het hof vastgesteld dat de gemiddelde vakman zeker van die problemen op de hoogte zal zijn geweest (rov. 4.12). Het gaat hier dus om informatie waarmee de gemiddelde vakman bekend moet worden geacht, zo is de gedachtegang. Van interne (niet-openbare)
in-companyinformatie is zodoende geen sprake. Dat een door [betrokkene 1] bedoelde “
kit or set type product” iets heel anders is dan wat in EP 729 wordt geclaimd, zoals Coloplast haar klacht uitbreidt bij s.t. 69, is een tardieve klacht die niet in de cassatieprocesinleiding voorkomt, zodat die buiten toepassing moet blijven. Datzelfde geldt voor de uitbreidingsklacht bij s.t. 70 dat de besproken verklaringen niet in onderlinge samenhang zijn beschouwd en [betrokkene 1] uit context is geïsoleerd en geciteerd.
hindsight biasen is vanwege het uit het oog verliezen van het objectieve technische probleem uit rov. 4.10 in ieder geval innerlijk tegenstrijdig. Het feit dat de gemiddelde vakman tot de oplossing van het in rov. 4.15 genoemde probleem zou (kunnen) komen, impliceert volgens Coloplast in ieder geval niet dat de vakman tot een oplossing zou komen van het in rov. 4.10 vastgestelde objectieve technische probleem. Althans is hier sprake van ontoereikende motivering volgens de klacht, waarbij Coloplast wijst op de vier omstandigheden die in subonderdeel I.2 zijn genoemd (zie hiervoor 2.18).
eerste onderdeelketst op het voorgaande af.
tweede onderdeelis gericht tegen rov. 4.15 en 4.18-4.20 (weergegeven in 1.29). Het onderdeel vangt aan met een inleiding (onder 22-23). De klachten zijn voorzien van de tussenkopjes
tijdsverloop(onder 24) en
‘pointers away’ en het overwinnen van een vooroordeel(onder 25-26). In de s.t. zijn de klachten over
pointers away en het overwinnen van een vooroordeelaangeduid als subonderdeel II.1. Het tussenkopje
tijdsverloopbevat klachten over de uitleg van de processtukken en het passeren van essentiële stellingen, in de s.t. subonderdeel II.2 genoemd, en klachten over het miskennen van de grenzen van de rechtsstrijd, in de s.t. aangeduid als subonderdeel II.3. Ook bij de bespreking hiervan houd ik deze subonderdeelnummering uit de s.t. aan.
pointers awaydan wel het overwinnen van een vooroordeel. Volgens vaste rechtspraak van de TKB’s is sprake van
pointers awayindien de prior art
“teaches/leads away”van de uitvinding (s.t. 39) [54] . Het hof had niet mogen volstaan met zijn beoordeling of een (technisch) probleem zou zijn opgelost waarover een vooroordeel bestond. Volgens Coloplast had het hof hierbij ook moeten betrekken of de gemiddelde vakman, gelet op de stand van de techniek, blind was voor de oplossing zoals geclaimd in EP 729, bijvoorbeeld omdat de stand van de techniek zich in een geheel andere richting ontwikkelde. Een sterke voorkeur voor een ontwikkeling in een andere richting zou een
pointer awayvormen [55] .
“Certainly, my recollection from that time was that nobody would have thought that it would make sense to try, let alone that it would be possible. I for one would not have thought it to be. Up to that point in time, the industry focus had been in producing hydrophilic coated catheters which are stored in a dry state as early activation could ruin the product (…)”Coloplast doet tevens een beroep op haar stelling dat een document van vlak voor de prioriteitsdatum van EP 729 – de meest nabije stand van de techniek, document D4 (Rødsten) – juist een verbeterd kathethersamenstel voor
droogverpakte katheters openbaarde [56] . D4 verbetert het gebruiksgemak door het verschaffen van een verpakking waarmee de gebruiker na openen eenvoudiger water in de verpakking kan gieten en de katheter eenvoudiger steriel kan inbrengen.
pointer awayis te vinden in de wens om katheters zo droog mogelijk te verpakken. Deze wens vloeit voort uit het probleem van het nat worden van de katheter tijdens gas-sterilisatie waardoor de coating bij opnieuw opdrogen aan de verpakking kan blijven plakken, zo overweegt het hof. Het hof verwerpt het betoog dat een
pointer awayis te vinden in de wens om katheters zo droog mogelijk te verpakken in dat licht op twee gronden: (i) gas-sterilisatie is voor nat verpakte katheters hoe dan ook niet toepasbaar, zodat daaruit voortvloeiende problemen door de gemiddelde vakman niet in aanmerking zullen worden genomen en (ii) de oplossing van het nat verpakken is er nu juist op gericht de katheter gedurende de volledige houdbaarheidstermijn nat te houden, zodat het probleem van het weer opdrogen zich niet voordoet. Met deze overwegingen heeft het hof inzichtelijk gemaakt waarom de wens om de katheter zo droog mogelijk te verpakken hier niet als een
pointer awaykan worden aangemerkt.
pointing awayis in de hiervoor weergegeven gedachtegang van het hof volgens mij geen sprake en het feitelijke oordeel is goed te volgen. Opnieuw geldt hier dat de mogelijkheid dat het hof hier ook de visie van Coloplast zou hebben kunnen volgen, niet kan leiden tot het opgaan van deze motiveringsklacht.
toegepasten (ii) dat Coloplast er hiermee aan voorbij ziet dat dit tijdsverloop valt te verklaren door de problematiek rond het steriliseren van een nat verpakt kathetersamenstel. Dit oordeel is volgens de klacht onbegrijpelijk of gaat voorbij aan essentiële stellingen. Coloplast stelt alleen te hebben aangevoerd (5.99 inleidende dagvaarding en plta HB 2.38) dat de meest nabije stand van de techniek, LoFric, al 15 jaar op de markt was [57] , waaruit al volgt dat EP 729 niet voor de hand lag. Coloplast zou dus, anders dan het hof overweegt, niet naar voren hebben gebracht dat relevant is dat de
oplossingal 15 jaar niet werd
toegepast. Het tijdsverloop van 15 jaar tussen LoFric en de prioriteitsdatum van EP 729 had als secundair indicium (
long-felt need) in het oordeel moeten worden betrokken.
long-felt need). Het hof ziet dit niet als als aanwijzing voor inventiviteit, zoals door Coloplast bepleit, omdat het dit tijdsverloop anders verklaart in rov. 4.16: eerst moest het steriliseren van een nat verpakt kathetersamenstel op commercieel toepasbare wijze worden opgelost, voordat natte verpakking commercieel haalbaar was. Daarin ligt besloten een (impliciete) verwerping van Coloplasts positie dat dit tijdsverloop een aanwijzing voor inventiviteit oplevert. Dit behoefde het hof niet anders of nader te motiveren. Daar ketst deze klacht op af.
hind sight bias(s.t. 83).
ex post factoanalyse lijkt mij geen sprake met deze passage over het sterilisatieprobleem. Het hof heeft het sterilisatieprobleem betrokken bij de beoordeling van het betoog over het tijdsverloop. Dit betoog is door Coloplast (ook) in hoger beroep gevoerd en behoort dus tot de rechtsstrijd in appel. Het staat de rechter vrij om binnen de grenzen van de rechtsstrijd alle behoorlijk te zijner kennis gebrachte en ten processe gebleken feiten en omstandigheden in zijn beoordeling van het hem voorgelegde punt van geschil te betrekken [58] . De rechter mag defeiten ook uitleggen
ten nadelevan de partij die deze aan hem ter kennis heeft gebracht [59] . Dat is hier gebeurd. Naar de onbestreden vaststellingen van het hof in rov. 4.7 en 4.8 [60] onderkent Coloplast dat er een probleem was met de sterilisatie van de nat verpakte katheters, is dit probleem beschreven in de latere octrooiaanvraag van Coloplast, EP 112 en lost EP 112 dit probleem door middel van bestraling op door hydrofiele polymeren toe te voegen aan het zwelmedium. Het sterilisatieprobleem is dan ook behoorlijk ter kennis van de rechter gebracht. Het hof mocht dat probleem zodoende bij zijn beoordeling betrekken van het betoog over het tijdsverloop op de wijze zoals is gebeurd.
tweede onderdeelslaagt dus evenmin.
derde onderdeelkomt op tegen het in rov. 4.21-4.23 (vgl. het citaat in 1.29) gegeven oordeel dat ook de combinatie van het nat verpakken en de niet-gasdoorlatende verpakking niet inventief is. Het onderdeel vangt aan met een inleiding (onder 27). Daarna volgen een rechtsklacht (onder 28), in de s.t. aangeduid als subonderdeel III.1, en motiveringsklachten (onder 29-30), die in de s.t. subonderdeel III.2 worden genoemd. Ook hier houd ik de subnummering uit de s.t. aan.
Guidelines,Part G, Chapter VII-7, hiervoor geciteerd in 2.6). In het geval de uitvinding bestaat uit een combinatie van meerdere, onderling afhankelijke elementen (met een synergetisch effect), is het onjuist om te onderzoeken of de afzonderlijke elementen van de uitvinding (stap voor stap) voor de hand liggend zijn en te oordelen dat daarmee de combinatie (onverkort) voor de hand ligt. Dat oordeel impliceert volgens de klacht ten onrechte dat een combinatie pas inventief kan zijn wanneer in (een van) de (gestelde) deelmaatregelen (afzonderlijk) enige inventieve stap zit. Ook combinaties van deelmaatregelen waarin geen inventieve stap zit, kunnen inventief zijn. Coloplast plaatst ook dit in de
could-would-sleutel. Een andere benadering zou het ongewenste gevolg hebben dat geclaimde uitvindingen (onverkort) opgedeeld zouden kunnen worden in deelmaatregelen, die dan ieder op inventiviteit beoordeeld moeten worden, zonder dat het effect van de combinatie van die maatregelen wordt onderzocht. Ook dit komt volgens de klacht neer op verboden
hindsight.
daar logisch uit voortvloeit(nl. om verdamping van water en uitdroging tegen te gaan, vgl. rov. 4.21) en dat in geen van beide deelmaatregelen een inventieve stap is gelegen. Het hof is op grond van deze drie vaststellingen tot het oordeel gekomen dat
in dit concrete gevalook de combinatie van de beide maatregelen niet inventief is. Dat kan niet als onjuist worden aangemerkt volgens mij. Er is hier volgens het hof sprake van een optelling van voor de hand liggende stappen zonder synergetisch effect, die geen inventiviteit creëren, ook niet in combinatie, zoals volgt uit het citaat door het hof in rov. 4.23 van de volgende passage uit Case Law 2016, I.D.9.18.8, dat overigens als (niet door het hof geciteerd) kopje draagt: “
Several obvious steps” en wordt gegeven als één van de voorbeelden van “(I.D.9.18)
Examples of lack of inventive step”:
subonderdeel III.2is het oordeel van het hof over de combinatie van maatregelen onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Coloplast voert daartoe aan dat het hof in rov. 4.23 heeft geoordeeld dat de geoctrooieerde uitvinding een combinatie-uitvinding is (dat wil zeggen: een combinatie van twee, onderling afhankelijke elementen – het nat verpakken en de niet-gasdoorlatende verpakking). Daarmee is volgens Coloplast onverenigbaar dat het hof zijn oordeel over de inventiviteit van deze combinatie baseert op de stap voor stap toets en niet onderzoekt of de combinatie als zodanig inventief is. Is dat wel onderzocht, dan is dat volgens de klacht onvoldoende kenbaar uit het arrest. Hierbij wijst zij op rov. 4.23: “[n]u in geen van de deelmaatregelen een innovatieve stap is gelegen, is de combinatie ervan evenmin inventief.” Dit impliceert volgens de klacht dat het hof niet afzonderlijk heeft onderzocht of de combinatie inventief is, maar er juist vanuit is gegaan dat de combinatie niet inventief is omdat in geen van de deelmaatregelen enige inventieve stap zit.
aggregation or juxtaposition of featuresoctrooi een
partial problemsbenadering mag worden toegepast (repliek 8a). Zij stelt in mvg 9.27 en plta HB 2.36 onweersproken te hebben aangevoerd dat hier geen
partial problemsbenadering mag worden toegepast (repliek 8b). Het hof zou deze stellingen hebben gevolgd en feitelijk hebben geoordeeld dat sprake is van een combinatie-octrooi en niet van een
juxtaposition or aggregationoctrooi (repliek 8c).
Guidelinesen de rechtspraak van de TKB’s, zoals we hebben gezien in 2.6-2.7 als onderscheid hanteren combinatie-uitvindingen tegenover
juxtaposition or aggregation). Maar dit is vanwege het hiervoor in 2.34 weergegeven citaat uit Case Law 2016 door het hof in rov. 4.23 volgens mij bij nadere beschouwing gebaseerd op een te geïsoleerde lezing van de aangevallen passage uit rov. 4.23, die neerkomt op een a contrario-redenering die hier geen honorering verdient. De klacht leest in de aangevallen overweging een tegenstelling die het hof niet heeft gemaakt. Het hof heeft in rov. 4.23, eerste volzin, inderdaad geoordeeld dat de
partial problemsbenadering hier geen toepassing vindt. Het hof heeft in rov. 4.23 vervolgens vastgesteld dat de beide maatregelen – het nat verpakken en de niet-gasdoorlatende verpakking – zoals door Coloplast gesteld gezamenlijk bijdragen aan de oplossing van hetzelfde in rov. 4.10 geformuleerde objectieve technische probleem. Uit die vaststellingen volgt, anders dan de klacht wil, echter niet dat sprake is van een combinatie-uitvinding in de zin van de
Guidelines. Daarvoor is namelijk nodig dat een synergetisch effect wordt bereikt. In onze zaak is zo’n synergetisch effect feitelijk nu juist niet vastgesteld door het hof. Dat de maatregelen bijdragen aan de oplossing van hetzelfde probleem is hiervoor onvoldoende (zie hiervoor in 2.6-2.7, m.n. T 1054/05 en T 926/11). Dragend is de redenering uit rov. 4.23 dat er weliswaar twee deelmaatregelen zijn te ontwaren die gezamenlijk het objectieve technische probleem oplossen, maar de eerste, het nat verpakken, ligt volgens het hof voor de gemiddelde vakman voor de hand en de tweede, het hanteren van een niet-gasdoorlatende verpakking, vloeit in de ogen van het hof uit de eerste voort c.q. wordt ingegeven, of is noodzakelijk door toepassing van dat nat verpakken. Het hof verwijst, als besproken, naar – en citeert vervolgens uit – Case Law, 2016, I.D.9.18.8 over “
several obvious steps” en vat dat samen met de aangevallen passage. Mogelijk was de schoonheidsprijs hier geweest de parafrase
niette geven en/of helemaal niet te reppen over de
partial problemsproblematiek; uit de opbouw van rov. 4.23 inclusief het citaat van de passage uit Case Law lijkt mij duidelijk wat er wordt bedoeld: als er verscheidene voor de vakman voor de hand liggende stappen nodig zijn is de combinatie op zichzelf ook niet inventief (tenzij er sprake is van een synergetisch effect en dus van een combinatie-uitvinding, maar dat speelt hier niet).
Guidelinesgebonden, zodat een eventuele afwijking daarvan het oordeel
op zichzelfnog niet
onbegrijpelijkmaakt.
step-by-stepmethode dateren uit de periode voor 2009. In de enige uitspraak hierover na 2009 (T 0420/13 uit 2017) werd de
step-by-stepbenadering niet toegepast (s.t. 46-47). Dat deze
step-by-stepmethode geen navolging heeft gevonden in de rechtspraak van het EOB is terecht, aangezien deze benadering een verboden
hind sight biasof
ex post factobenadering impliceert. Dat komt volgens Coloplast neer op “niets anders dan het in andere woorden gieten van de op goede gronden verboden ‘partial problems’ benadering” (s.t. 48). Om die reden wijst vaste Engelse rechtspraak [63] een
step-by-stepbenadering volgens Coloplast ook nadrukkelijk af (s.t. 48-50).
step-by-stepbenadering na 2009 niet meer wordt toegepast, is niet overtuigend. De
step-by-stepbenadering wordt namelijk beschreven in de
Guidelinesuit november 2018 en in Case Law 2016 (p. 242, geciteerd in 2.35). In de door Coloplast aangehaalde uitspraak uit 2017 is alleen geoordeeld dat de
step-by-stepbenadering
in die zaakgeen opgeld doet [64] . Overigens lijkt mij ook niet juist dat de
step-by-step approachin de Engelse rechtspraak
in algemene zinzou zijn verworpen. Uit
Hospira v Genentechblijkt dat de stap voor stap methode in Engeland en Wales niet is toegestaan wanneer
“it is only the hindsight knowledge of the invention as the target which could motivate a skilled person to take each step without knowledge about the next one” [65] . Dat zich zoiets in onze zaak voordoet, blijkt volgens mij niet. En dàt zich dat hier niet voordoet, is weer in hoge mate een feitelijke beoordeling voorbehouden aan het hof.
step-by-stepbenadering in zijn beoordeling heeft betrokken, nu Coloplast zich in deze procedure immers zelf heeft beroepen op de
Guidelineswaarin de
step-by-stepbenadering wordt beschreven.
hindsight: als je nat verpakt (en dat ligt voor de hand), dan moet je ook niet-gasdoorlatend verpakken, zo ligt ook voor de hand en er is hier geen synergetisch effect; het één vloeit voor de vakman logisch voort uit het ander, want zonder niet-gasdoorlatende verpakking houd je geen nat verpakt product, omdat dan door verdamping uitdroging optreedt – vgl. ook par. [0010] van de aangepaste beschrijving in de B2 tekst, hiervoor geciteerd in 1.9). Ik denk uiteindelijk niet dat dit tot cassatie moet leiden en meen dat de beslissing dit zo te beoordelen onder het feitelijk prerogatief van het hof valt.
step-by-stepbenadering alleen betrekking kan hebben op de situatie waarin het objectieve technische probleem zo is geformuleerd dat dit probleem de vakman tot die benadering aanzet. Het hof zou ten onrechte hebben nagelaten te onderzoeken of het objectieve technische probleem de vakman tot deze benadering zou aanzetten.
Medical Device Packaging Handbookworden gevonden (rov. 4.22: “Het gebruik van aluminium voor het verpakken van natte producten (zoals condooms en contactlenzen) behoorde tot de algemene vakkennis van de gemiddelde vakman (…)”; vgl. ook de in 1.16 weergegeven passage uit dit handboek). Deze overwegingen leiden tot de conclusie dat de niet-gasdoorlatende verpakking een logische en onvermijdelijke vervolgstap is op de maatregel van het nat verpakken. Daar kan geen inventiviteit in zitten: uit het één volgt het ander; van een “echte” tweede stap is nauwelijks sprake. In de woorden van de s.t. van Medical4You 7.9: een niet-gasdoorlatende verpakking dient geen doel op zich, maar is instrumenteel aan nat verpakken.
derde onderdeelfaalt dus. Daarmee acht ik alle klachten ongegrond.