Conclusie
1. Inleiding
1. Calcipotriol-monohydraat (1a, 3ß, 5Z, 7E, 22E, 24S)-24-cyclopropyl-9,10-secochola- 5,7,10(19),22-tetraeen-1,3,24-triol-monohydraat).
2. Farmaceutisch preparaat bevattende de verbinding volgens conclusie 1.
3. Farmaceutisch preparaat volgens conclusie 2, dat een crème is.
4. Farmaceutisch preparaat volgens conclusie 2, dat een gel is.
5. Farmaceutisch preparaat volgens één der conclusies 2 tot 4, met een gehalte aan de actieve component van 1-100 µg/g van het preparaat.
3. Procesverloop
“... eine suche nach strukturell ähnlichen Wirkstoffmolekülen, die in den gleichen Darreichungsform eingesetzt werden, bzw. dafür geeignet sein sollen (spiegelt) eine Standardvorgehensweise im Rahmen der Pharmazeutisch-technologischen Arzneimittelentwicklung wieder.”) Daarbij zou hij zijn gestuit op de Amerikaanse octrooischriften US 3.883.622 (3 september 1974) en US 4.435.325 (6 maart 1984), alsmede de ter inzage gelegde Japanse octrooiaanvrage JP 59-104358 (16 juni 1984), hierna te noemen: respectievelijk US 622, US 325 en JP 358. In deze documenten wordt, kort gezegd, de vorming van een (mono)hydraat van de vitamine D-analoga 25-hydroxycholecal-ciferol (US 622), 1a,25-dihydroxycholecalciferol (US 325) en 1a,24-dihydroxycholecalciferol (JP 358) beschreven. In deze octrooien worden de gunstige eigenschappen van (mono) hydraten genoemd, waaronder een grote stabiliteit, terwijl ook melding wordt gemaakt van de geschiktheid tot gebruik in therapeutische werkzame formuleringen.
“Example 8”). Het 25-hydroxycholecalciferol monohydraat wordt bereid door oplossen van 25-hydroxycholecalciferolanhydraat (als amorfe olie) in een organisch oplosmiddel, zoals watervrij methyleenchloride, benzeen, ethanol en aceton, gevolgd door toevoegen van water (
“a drop of water”,
“Example 15”) waarbij het kristallijne monohydraat neerslaat (in de vorm van
“nice crystals”). De kristallijne hydraten met algemene formule VI, waaronder het monohydraat van 25-hydroxycholecalciferol
“are more readily purified, and more stable and less sensitive to autoxidation”(dan de anhydraten) (kolom 3, regels 25-50). Deze hydraten kunnen worden toegepast in
“common unit dosage forms, e.g. oil solution, aqueous suspension...”(kolom 6, regels 51-62).
“which is perfectly crystalline, very stable and is easily obtained in a pure form”(kolom 1, regels 46-51).
“a very unstable substance”) op te lossen in een lagere alcohol, zoals methanol of ethanol, gevolgd door de toevoeging van water, waarbij het monohydraat neerslaat in de vorm van kristallijne naaldjes.
“...sehr einfach durchzuführendes, Kristallisationsverfahren...”). Leo Pharma heeft dat ook onvoldoende gemotiveerd bestreden. De omstandigheid dat, zoals Leo Pharma stelt, op basis van de theorie geen voorspelling kan worden gedaan over de uitkomst van een dergelijk polymorfie-onderzoek, zou de vakman niet hebben weerhouden van het uitvoeren van bedoelde proeven, juist omdat het doen daarvan eenvoudig en niet kostbaar is (en was, ook op de prioriteitsdatum). Om dezelfde reden zouden ook de door Leo Pharma genoemde omstandigheden i) dat van de in US 622, US 325 en JP 358 beschreven vitamine D-derivaten nog helemaal geen kristallijne vorm beschikbaar was, doch slechts de amorfe stof en ii) dat kristallisatie van vitamine D-derivaten moeilijk is en iii) dat er op de prioriteitsdatum meer dan 600 vitamine D-derivaten bekend waren, waarvan slechts 3 als monohydraat waren geregistreerd, de vakman, geconfronteerd met de beperkte opslagstabiliteit van calcipotriol anhydraat en opererend in de in rov. 17 beschreven omgeving, er niet van hebben weerhouden bedoelde experimenten uit te voeren. Uit WO 834 was al bekend dat calcipotriol wél te kristalliseren was en uit US 622, US 325 en JP 358 was het de vakman bekend dat het mogelijk was bij deze drie, qua structuur op calcipotriol gelijkende vitamine D-analoga, een monohydraat te vormen en wel op een vrij simpele manier. Hieraan ontleende de vakman een voldoende verwachting van succes om tot het doen van proeven over te gaan.
“polymorph screen”en het tweede op het gebruik van een combinatie van aceton en water,
“a combination of solvents now known to produce the monohydrate”. Judge Floyd acht echter niet aannemelijk dat de vakman een dergelijke combinatie zou hebben geprobeerd (rov. 142).
wet ball millinggeen stabiel schuim vormt, leidt bij die stand van zaken niet tot het oordeel dat het octrooi alsnog als inventief moet worden aangemerkt (vgl. Guidelines EOB G-VII, 10.2; zo ook het gerechtshof van Turijn (prod. 48 Sandoz), blz. 25 en 26).’
4. Principale onderdelen 1 en 2
konkomen, maar: of de gemiddelde vakman, op de peildatum gesteld voor dit technische probleem, tot de litigieuze oplossing
zouzijn gekomen. In de vakliteratuur wordt dit wel aangeduid als het verschil tussen “could have been obvious to the skilled person” en “would have been obvious to the skilled person”.’
Daartoe is evenwel niet steeds vereist dat alle door een partij aangedragen stellingen door de rechter uitdrukkelijk in de motivering worden betrokken.’
Onderdeel 1.1is gericht tegen rov. 18 en klaagt over een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof heeft miskend dat het bij de beoordeling van de mate van inventiviteit (mede) erom gaat óf de vakman het door de geoctrooieerde uitvinding opgeloste probleem zou hebben onderkend. Betoogd wordt dat door als ‘vertrekpunt’ te nemen dát de vakman geconfronteerd zou worden met enige beperkte opslagstabiliteit van calcipotriol anhydraat, het hof ten onrechte niet heeft beoordeeld óf de vakman
daadwerkelijkdaarmee zou worden geconfronteerd.
derdevolzin van rov. 18 ‘
dat het vertrekpunt is het hiervoor genoemde objectieve technische probleem, namelijk of de opslagstabiliteit van het bekende calcipotriol (anhydraat) zou kunnen worden verbeterd’ ligt besloten ’s hofs oordeel dat de vakman (inderdaad) bekend was met het probleem van beperkte opslagstabiliteit van calcipotriol anhydraat. Dat wordt bevestigd door de (niet aangevallen)
eerstevolzin van rov. 18, luidende: ‘
Daarvan uitgaand zou de vakman, geconfronteerd met het hiervoor gedefinieerde probleem, naar ’s hofs overtuiging, onderzoek hebben gedaan naar het bestaan van andere kristallijne verschijningsvormen van calcipotriol, met een mogelijk grotere opslagstabiliteit’. Aan dat oordeel ligt een onderbouwing in de voorafgaande rechtsoverwegingen ten grondslag. Daartegen (nader) gerichte klachten komen hierna aan de orde.
onderdeel 1.2wordt betoogd dat indien het hof uit het octrooischrift EP 154 heeft afgeleid dat de vakman op de prioriteitsdatum bekend zou zijn met enig ‘probleem’ omtrent de ‘beperkte’ opslagstabiliteit van het kristallijne calcipotriol anhydraat, dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting: het hof heeft dan miskend dat de vraag naar de mate van inventiviteit niet mag worden beantwoord door achteraf, met ‘hindsight’, te zoeken naar eerdere openbaarmakingen waartoe die uitvinding herleid kan worden. Betoogd wordt dat uit het enkele feit dat een octrooi vermeldt dat de geoctrooieerde uitvinding voorziet in een verbetering ten opzichte van de stand van de techniek, niet mag worden afgeleid dat op de prioriteitsdatum ook in de stand van de techniek enig voor oplossing door verbetering vatbaar ‘probleem’ bekend was, of door de vakman zou zijn onderkend.
het enkele feitdat de beschrijving van het octrooi vermeldt dat het probleem dat het probeert op te lossen is het zoeken naar een kristallijne vorm van calcipotriol die voor therapeutisch gebruik geschikt is en die stabieler is dan het anhydraat gedurende opslag afgeleid dat in de stand van de techniek enig voor oplossing door verbetering vatbaar ‘probleem’ bekend was. Het hof heeft, in rov. 15, tot uitgangspunt genomen dat het voor de gemiddelde vakman op de prioriteitsdatum voor de hand lag om, uitgaande van het kritallijne anhydrate calcipotriol van WO 834, te zoeken naar een kristallijne vorm van calcipotriol die voor therapeutisch gebruik geschikt is en stabieler is dan het anhydraat gedurende opslag, dat wil zeggen minder degradeert, en of hij calcipotriol monohydraat zou hebben gevonden. Vervolgens heeft het hof in rov. 16 de ‘vakman op het onderhavige vakgebied’ benoemd en in rov. 17 de bekende stand van de techniek besproken aan de hand van bekende (en in het geding gebrachte) publicaties. Op grond van een waardering van dit een en ander is het hof in rov. 18 tot de overtuiging gekomen dat de vakman geconfronteerd met het in rov. 15 gedefinieerde probleem onderzoek zou hebben gedaan naar het bestaan van andere kristallijne verschijningsvormen van calcipotriol met een mogelijk grotere opslagstabiliteit.
Onderdeel 1.3.1richt zich met een motiveringsklacht tegen de verwerping door het hof, in rov. 18, van de stelling van Leo Pharma dat de vakman op de prioriteitsdatum geen enkele aanleiding had om te zoeken naar andere kristallijne vormen aangezien het zoeken naar andere kristallijne vormen destijds geen routine was en daartoe ook geen aanleiding was omdat het calcipotriol anhydraat goed bruikbaar en voldoende stabiel was. Betoogd wordt dat het hof deze essentiële stelling van Leo Pharma weliswaar heeft opgemerkt, maar vervolgens met een ontoereikende motivering heeft verworpen. Geklaagd wordt dat het hof zich immers in het geheel niet heeft begeven in de beantwoording van de vraag of de vakman inderdaad al dan niet het door de geoctrooieerde uitvinding opgeloste probleem zou hebben onderkend, maar zonder meer als vertrekpunt heeft genomen dat dit zo is.
onderdelen 1.3.2 en 1.3.3lenen zich m.i. voor een gezamenlijke behandeling.
onderdeel 1.3.2over schending van art. 149 Rv Pro., dan wel een onvoldoende begrijpelijke uitleg van de gedingstukken, omdat Sandoz in de onderhavige procedure niet (althans: niet voldoende duidelijk, onderbouwd en/of tijdig) heeft aangevoerd heeft dat de vakman op de prioriteitsdatum enig probleem met de opslagstabiliteit van calcipotriol anhydraat zou hebben onderkend, en evenmin uit welke document behorend tot de stand van de techniek dan zou blijken dat de opslagstabiliteit van het bekende kristallijne calcipotriol anhydraat beperkt is (althans beperkter dan die van kristallijne calcipotriol monohydraat). Bij deze stand van zaken had het hof Leo Pharma’s stelling, dat de vakman op de prioriteitsdatum niet bekend was met enig probleem met de opslagstabiliteit van het bekende kristallijne calcipotriol anhydraat, als (onvoldoende gemotiveerd bestreden) vaststaand moeten beschouwen.
onderdeel 1.3.3dat het hof, indien het ambtshalve heeft geoordeeld dat de vakman het objectieve technische probleem zou hebben onderkend, in strijd met art. 24 Rv Pro. buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Betoogd wordt dat Sandoz pas in het kader van het appelpleidooi voor het eerst (gemotiveerd) heeft gesteld dat de vakman een probleem met de opslagstabiliteit van het kristallijne calcipotriol anhydraat zou hebben opgemerkt. Betoogd wordt voorts dat, indien het hof op deze stelling zijn oordeel heeft gebaseerd dat de vakman zou zijn geconfronteerd met enige beperkte opslagstabiliteit van calcipotriol anhydraat, het hof daarmee heeft miskend dat (naar Leo Pharma bij appelpleidooi heeft aangevoerd) deze stelling als nieuwe grief op grond van de in beginsel strakke regel ontoelaatbaar was. Althans, zo wordt betoogd, heeft het hof miskend dat het, in het licht van Leo Pharma’s bezwaar tegen Sandoz’ nieuwe stelling, gehouden was om, zo nodig onder ambtshalve aanvulling van de goede procesorde als rechtsgrond, kenbaar gemotiveerd te beoordelen of Sandoz’ nieuwe stelling bij de beoordeling mocht worden betrokken.
Onderdeel 1.3.4klaagt nog dat het hof om de volgende reden op onvoldoende kenbare wijze Leo Pharma’s verweer, dat de vakman het door de geoctrooieerde kristallijne calcipotriol monohydraat opgeloste objectieve technische probleem niet zou hebben onderkend, heeft verworpen. Indien het hof al heeft mogen oordelen, zo betoogt het onderdeel, dat Sandoz voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de vakman het door de geoctrooieerde kristallijne vorm opgeloste probleem zou hebben onderkend (wat de onderdelen 1.3.2 - 1.3.3 bestrijden), had het hof Leo Pharma moeten toelaten tot het door haar aangeboden tegenbewijs. Het onderdeel betoogt in dit verband dat op Sandoz de stelplicht en bewijslast rust van haar stelling dat de vakman het door de geoctrooieerde kristallijne vorm opgeloste probleem zou hebben onderkend (en EP 154 inventiviteit ontbeert), welke stelling door Leo Pharma voldoende gemotiveerd is bestreden.
elkvan de (hoofd-)stappen in de eerder genoemde ‘Problem Solution Approach’ (PSA-test), kort gezegd: (i) het vaststellen van de meest nabij gelegen stand van de techniek; (ii) het vaststellen van het op te lossen objectieve technische probleem; en (iii) het beoordelen of, uitgaande van (i) en (ii), de als uitvinding geclaimde oplossing al dan niet voor de hand ligt (bij dit laatste geldt dan niét de maatstaf dat de vakman tot die oplossing had kúnnen komen, maar dat hij daartoe zou zíjn gekomen). [19]
Onderdeel 1.3.5richt zich met een motiveringsklacht tegen rov. 2.5, waar het hof heeft overwogen:
onderdeel 2.1heeft het hof in rov. 21 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting indien het heeft miskend dat de vraag naar de mate van inventiviteit niet mag worden beantwoord door achteraf, voorzien van de kennis van de geoctrooieerde uitvinding, te zoeken naar eerdere openbaarmakingen waartoe die uitvinding herleid kan worden, maar dat het bij deze beoordeling (mede) erom gaat of (i) voor de oplossing ervan te rade zou zijn gegaan bij de door het hof bedoelde publicaties en alsdan ook (ii) deze uitvinding als voor de hand liggende oplossing uit de toenmalige stand van de techniek, met gebruikmaking van, algemene vakkennis, (niet kon, maar) zou hebben afgeleid. Volgens de klacht heeft het hof dit inderdaad miskend indien het van oordeel is geweest dat de vakman reeds tot de kristallisatieproeven zou overgaan omdat hij ermee bekend was dat (pseudo)polymorfen van werkzame stoffen kunnen vóórkomen en dat polymorfisme invloed heeft op de eigenschappen van een werkzame stof (rov. 17) en kristallisatieproeven eenvoudig, routinematig en niet kostbaar zijn (rov. 21).
zoude vakman in voornoemde documenten naar het oordeel van het hof een sterke aansporing hebben gevonden om, met toepassing van de werkwijzen beschreven in US 622, US 325 en JP 358, monohydraat van calcipotriol te verkrijgen’; ‘De omstandigheid dat, zoals Leo Pharma stelt, op basis van de theorie geen voorspelling kan worden gedaan over de uitkomst van een dergelijk polymorfie-onderzoek,
zou de vakman niet hebben weerhoudenvan het uitvoeren van bedoelde proeven, juist omdat het doen daarvan eenvoudig en niet kostbaar is (en was, ook op de prioriteitsdatum)’; ‘Om dezelfde reden
zoudenook de door Leo Pharma genoemde omstandigheden […] de vakman […] er niet van hebben weerhouden bedoelde experimenten uit te voeren; en ‘Hieraan ontleende de vakman een voldoende verwachting van succes om tot het doen van proeven
over te gaan’.
onderdeel 2.2getuigt ’s hofs oordeel van een onjuiste rechtsopvatting indien het heeft miskend dat de vakman pas tot bedoelde proeven zal overgaan nadat (een document uit) de stand van de techniek hem heeft geleerd dat er ten minste een redelijke verwachting van succes bestaat dat hij met die proeven een (nieuwe) kristallijne vorm van calcipotriol zal verkrijgen met een betere opslagstabiliteit dan het kristallijne calcipotriol anhydraat. Het hof heeft dit inderdaad miskend indien het van oordeel is geweest dat de vakman reeds tot de kristallisatieproeven zou overgaan omdat hij ermee bekend was dat (pseudo) polymorfen van werkzame stoffen kunnen vóórkomen en dat polymorfisme invloed heeft op de eigenschappen van een werkzame stof (rov. 17) en kristallisatieproeven eenvoudig, routinematig en niet kostbaar zijn (rov. 21).
terdege van bewust dat het onderzoek naar (andere) (pseudo)polymorfe verschijningsvormen van een werkzame stof, mede met het oog op de opslagstabiliteit daarvan, zinvol was’.
onderdelen 2.3, 2.4 en 2.5bevatten (subsidiaire) motiveringsklachten.
onderdeel 2.3is ’s hofs oordeel in rov. 21 in verbinding met rov. 17 ongenoegzaam gemotiveerd, in het licht van Leo Pharma’s betoog (i) dat de vakman voor de oplossing van het objectieve technische probleem niet te rade zou zijn gegaan bij de door het hof bedoelde publicaties, en (ii) dat de vakman de kristallijne vorm van calcipotriol monohydraat niet als voor de hand liggende oplossing uit de toenmalige stand van de techniek, met gebruikmaking van algemene vakkennis (niet kon, maar) zou hebben afgeleid. Leo Pharma heeft, aldus de klacht, hiertoe de volgens haar essentiële stellingen betrokken dat deze documenten een ander probleem oplossen, namelijk het verschaffen van een eerst bruikbare kristallijne vorm van een farmaceutisch actieve stof en dat US 622, US 325 en JP 358 de vakman derhalve niet leren dat kristallijne monohydraten van vitamine D-derivaten een betere opslagstabiliteit zouden kennen dan kristallijne anhydraten. Het hof heeft op deze stellingen niet gerespondeerd, en in het bijzonder heeft het hof niet gemotiveerd waarom US 622, US 325 en JP 358 of Kragballe de vakman dit wél zouden leren.
de vakman in voornoemde documenten naar het oordeel van het hof een sterke aansporing [zou] hebben gevonden om, met toepassing van de werkwijzen beschreven in US 622, US 325 en JP 358, monohydraat van calcipotriol te verkrijgen’, wordt niet ontzenuwd door het argument dat deze documenten (primair) het in het onderdeel bedoelde ‘
andere’ probleem zouden oplossen; nog daargelaten dat de klacht niet duidelijk maakt waarom het hof in de in het onderdeel bedoelde probleem van het verschaffen van een (eerst) bruikbare kristallijne vorm van een farmaceutisch actieve stof, een (wezenlijk)
anderprobleem zou hebben moeten zien dan het beproeven of kristallijne monohydraten van vitamine D-derivaten een betere opslagstabiliteit zouden kennen dan kristallijne anhydraten.
lerenom monohydraat van calcipotriol te verkrijgen, behoefde het hof niet aan te geven: voldoende is dat deze documenten de vakman
tot onderzoek daarnaar zouden hebben bewogen, en dat is wat het hof overwogen heeft.
onderdeel 2.4(uitgewerkt in subonderdelen 2.4.1 - 2.4.3) klemt de motiveringsklacht van onderdeel 2.3 temeer, nu ook uit hetgeen het hof in rov. 19-20 heeft overwogen omtrent hetgeen de vakman leert uit US 622, US 325 en JP 358 of Kragballe, niet valt af te leiden waarom de vakman in die documenten een sterke aansporing zou hebben gevonden om monohydraat van calcipotriol te verkrijgen. In dit verband heeft het hof weliswaar overwogen dat ‘[i]n deze octrooien de gunstige eigenschappen van (mon)hydraten [worden] genoemd, waaronder een grote stabiliteit’, maar deze overweging biedt volgens het onderdeel geen voldoende (begrijpelijke) motivering van de door het hof aangenomen ‘sterke aansporing voor de vakman’ in het licht van Leo Pharma’s betoog dat het begrip ‘stabiliteit’ in US 622, US 325 en JP 358 niet de betekenis heeft van opslagstabiliteit van de kristallijne vorm en dat in US 622, US 325 en JP 358 niet de stabiliteit van een kristallijn monohydraat wordt vergeleken met die van een kristallijn anhydraat.
Onderdeel 2.5behelst een motiveringsklacht over ’s hofs oordeel in rov. (21 en) 22 dat de vakman het monohydraat zou hebben gevonden, waarbij het hof wees (i) op de werkwijzen in US 622, US 325 en JP 358, (ii) op het eenvoudige, niet kostbare karakter van de proeven, (iii) op het uitvoeren van een polymorph screen en/of (iv) op het proberen van de combinatie van aceton en water. Het onderdeel is uitgewerkt in de subonderdelen 2.5.1 t/m 2.5.5, die klagen over ongenoegzaamheid van deze deelelementen in ’s hofs redengeving.
subonderdeel 2.5.1, dat Leo Pharma had gesteld dat de hydraten van de documenten US 622, US 325 en JP 358 niet als kristallijn anhydraat voorkomen, terwijl het hof in rov. 21 ook heeft overwogen dat van de in US 622, US 325 en JP 358 beschreven kristallijne vitamine D-derivaten voordien nog helemaal geen kristallijne vorm beschikbaar was, doch slechts de amorfe stof, en dat daarom niet begrijpelijk is dat en hoe bedoelde documenten de vakman leerden hoe hij van een anhydraat als het op de prioriteitsdatum bekende kristallijne calcipotriol een monohydraat had kunnen vervaardigen.
Subonderdeel 2.5.2gaat ervan uit dat het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat het kristallijne calcipotriol monohydraat zou zijn gevonden door een volledig polymorfie-onderzoek. Volgens deze klacht is het hof dan ten onrechte niet (kenbaar) ingegaan op Leo Pharma’s stelling dat de vakman een dergelijk onderzoek niet zou hebben gedaan. ’s Hofs arrest zou dan ook/althans innerlijk tegenstrijdig zijn, nu Leo Pharma heeft betwist dat het uitvoeren van een volledig polymorfie-onderzoek begin 1993 tot de standaard procedures behoorde (in het bijzonder ten aanzien van vitamine D-derivaten), en het hof die betwisting in rov. 17 in het midden heeft gelaten.
slechtszou zijn gevonden door een
volledigpolymorfie-onderzoek, en het hof er (dan ook) niet van is uitgegaan dat de vakman zo’n
volledigpolymorfie-onderzoek zou hebben gedaan. Het hof heeft daarentegen aangenomen dat de vakman enige (in rov. 21 aangegeven) betrekkelijk eenvoudige proeven met enkele voor de hand liggende oplosmiddelen zou hebben gedaan, en daarbij het monohydraat van calcipotriol zou hebben verkregen.
Subonderdeel 2.5.3klaagt nog dat het hof, voor zover het op grond van Rasmussens verklaring heeft aangenomen dat de vakman een volledig polymorfie-onderzoek wel zou hebben gedaan, eraan voorbij gezien heeft dat Rasmussen weliswaar verklaard heeft dat het kristallijne calcipotriol monohydraat waarschijnlijk zou zijn gevonden bij een volledig polymorfie-onderzoek, maar dat dit niets zegt over de vraag of een dergelijk onderzoek zou zijn verricht.
volledigpolymorfie-onderzoek, en ook al zou dat niet iets zeggen over de uitkomst van onderzoek dat niet een volledig polymorfie-onderzoek omvat, dan doet dat niet af aan ’s hofs eindoordeel, mede gebaseerd op de laatste alinea van rov. 22, over de betekenis voor de vakman van US 622, US 325 en JP 358, die in de Britse procedure (waarin Rasmussen zijn daarboven aangehaalde verklaring aflegde) evenwel niet waren overgelegd.
Subonderdeel 2.5.4gaat uit van een (m.i. juiste) lezing van het arrest waarbij het hof ervan is uitgegaan dat het enkele proberen van de combinatie van aceton en water ertoe zou hebben geleid dat het kristallijne calcipotriol monohydraat zou zijn gevonden. Volgens het onderdeel heeft het hof eraan voorbij gezien dat de vakman bij de proeven had moeten kiezen uit een reeks van variabelen, waaronder het soort oplosmiddel, de temperatuur, de hoeveelheid en de mate van roeren, en dat dit alleen niet in de weg staat aan het (waarschijnlijk) vinden van het kristallijne calcipotriol monohydraat bij een volledig polymorfie-onderzoek.
subonderdeel 2.5.5klemt ‘het voorgaande’ temeer omdat Leo Pharma heeft aangevoerd dat op basis van de theorie geen voorspelling kan worden gedaan over de uitkomst van een polymorfie-onderzoek, en dat kristallisatie van vitamine D-derivaten moeilijk is. Dit een en ander had de vakman er volgens het hof weliswaar niet van weerhouden proeven te doen, maar dat wil nog niet zeggen dat een en ander eraan in de weg had gestaan – zoals Leo Pharma heeft aangevoerd – dat het kristallijne calcipotriol monohydraat zou zijn gevonden.
5. Principaal onderdeel 3 (kostenveroordeling)
Kamerstukken I2006/07, 30 392, nr. C, p. 1-2). Deze gedachten uit de parlementaire geschiedenis hebben weinig invloed gehad op de praktijk.
Rechtspraak HR.In HR 30 mei 2008, LJN BC2153, NJ 2008/556 (
Endstra/Nieuw Amsterdam) wordt overwogen dat art. 14 Handhavingsrichtlijn Pro aan de in het gelijk te stellen partij vergoeding van de volledige proceskosten in het vooruitzicht stelt. In HR 28 oktober 2011, LJN BQ6079 (
Zegveld/ZLTO) wordt overwogen dat de kostenveroordeling van art. 1019h in de regel aanzienlijk hoger uitvalt dan de gebruikelijke kostenveroordeling op de voet van art. 238 en Pro 239 Rv overeenkomstig één van de liquidatietarieven.’ [23]
in strijdmet de Handhavingsrichtlijn? Niet met de tekst van het reeds geciteerde art. 14: die Pro is ook in die richting voldoende flexibel.
verregaandeomhelzing van een principe van ‘volledige kostenveroordeling’ in IE-inbreukzaken, ten onrechte gelegitimeerd of zelfs geboden acht met een verwijzing naar de Richtlijn en naar art. 1019h Rv. En dat, terwijl aan zo’n strak systeem – zoals aan ieder strak systeem – natuurlijk ook aanzienlijke bezwaren kleven [27] . Met name valt te wijzen op een ‘chilling effect’, hetwelk een financieel zwakkere partij, of die nu de potentiële eiser of gedaagde is, uiteraard zwaarder kan treffen.
afwezigheid van wettelijke beschermingvan het object van E is dus een verweermiddel bij uitstek tegen de gestelde inbreuk.
verweer in conventiein de door de (pretens) IE-rechthebbende aangespannen inbreukactie. Soms (niet altijd) kan of moet de weg gevolgd worden van een desbetreffende nietigheidsactie: hetzij
in reconventiein de al aangevangen inbreukprocedure, hetzij in een nog andere procedure.
niet per se nodig is. De nietigheid c.q. ongeldigheid mag ook als exceptief verweer opgeworpen worden. Voor het Benelux-merkenrecht heeft de Hoge Raad dat uitdrukkelijk bevestigd [30] . Naar mijn indruk is het overigens gangbaarder dat het beroep op nietigheid wél in een reconventionele vordering aan de orde komt (waarnaar in het conventionele verweer wordt verwezen). Dat gebeurt allicht om een discussie (toch nog) over de vraag of de reconventionele weg niet ‘moést’ worden bewandeld, de pas af te snijden. Voorts kan de van inbreuk betichte partij ook buiten de actuele rechtsstrijd met de IE-pretendent er enig belang bij hebben dat diens pretense IE-recht uit de registers verdwijnt.
inbreukproceduresbij diverse rechterlijke instanties gevoerd kunnen worden, maar de
nietigheidsprocedurealleen bij een (gespecialiseerde) instantie. [36] Die instantie kan (meteen) een rechterlijke instantie zijn, of een administratieve instantie met – doorgaans [37] – daarna een hogere voorziening bij een rechterlijke instantie.
most honourable’ wederpartij
wílhelemaal geen IE-inbreuk plegen. Als deze wederpartij erover twijfelt of zij dat misschien toch zou doen, en als de pretens-rechthebbende niet antwoordt, of volstaat met het innemen van een onvoldoende overtuigend standpunt, dan moet zij – en mag zij – van haar kant de rechter benaderen. [39]
dreigtmet een inbreukactie (of zich daartoe uitdrukkelijk ‘alle rechten voorbehoudt’, etc.) maar zijnerzijds talmt met dagvaarden, terwijl de wederpartij zich daardoor (met reden) belemmerd voelt in haar ondernemingsvrijheid. Dit klemt nog meer in gevallen waarin de IE-rechthebbende ‘wappert’ met sommaties in de relatiekring van zijn concurrent, terwijl hij die concurrent alsmaar niet wegens inbreuk aanspreekt. [40]
achteraf(na de registratie c.q. verlening). Deze IE-regelgeving pleegt echter nog méér te doen, ter voorkoming van vestiging van IE-rechten die niet gevestigd behoren te worden. Ik doel op het systeem van oppositieprocedures bij de verlenende instanties.
bij de verlenende instantiezelf nog stappen ondernemen, om die verlening (met terugwerkende kracht) ongedaan te maken.
verplichtingtot opponeren – in een vroeger stadium zien waar de (concurrerende) aanvrager van het IE-recht mee bezig is en welke exclusiviteitsclaims hij wil leggen; en er kan in de loop van de verleningsprocedure bovendien bezwaar tegen die exclusiviteitsclaims worden gemaakt. Dit alles is van belang voor de opponent.
reconventionele inbreukvorderingen.
acte clair, en over pool (Z) vanwege het Bericap/Plastinnova-arrest van het HvJEU.
primairconcluderen tot verwerping van onderdeel 3.
subsidiairconcluderen.
onafhankelijk van rechtsontwikkelingen die in een andere richting zouden (kunnen) wijzen. Deze stelling lijkt mij in cassatie een minstens zo ontoelaatbaar feitelijk novum van de kant van Sandoz als een door Sandoz beweerd novum van de kant van Leo Pharma (waarbij Leo Pharma in cassatie een volgens Sandoz aanwezige impliciete partijenafspraak zou ontkennen).
Uitgaande van de ongeldigheid van het octrooi is van inbreuk daarop door Sandoz geen sprake. De vorderingen van Leo Pharma dienen dus alsnog te worden afgewezen.’
onderdeel 3.2neergelegde subsidiaire motiveringsklacht is een verkapte herhaalde rechtsklacht. Zij bestrijdt een juist rechtsoordeel waartoe een motiveringklacht niet kan dienen. Ook onderdeel 3.2 faalt dus.