Belanghebbende, een dirigent van zangkoren, had voor zijn diensten omzetbelasting berekend tegen het algemene tarief voor repetities en het verlaagde tarief voor uitvoeringen. Na een uitspraak van de rechtbank Haarlem in 2011 bleek dat ook voor repetities het verlaagde tarief van toepassing was. Belanghebbende verzocht daarop om teruggaaf van te veel betaalde belasting via suppletieaangiften, waarop de Inspecteur ambtshalve teruggaven verleende.
Na een boekenonderzoek legde de Inspecteur naheffingsaanslagen op om deze teruggaven terug te nemen, stellende dat deze in strijd waren met het eigen beleid van de Belastingdienst dat nieuwe jurisprudentie geen reden is om ambtshalve terug te komen op het verleden. Rechtbank en Hof vernietigden de naheffingsaanslagen omdat er geen sprake was van materieel te weinig geheven belasting.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat de teruggaaf formeel onterecht was en dat naheffing daarom mogelijk moest zijn. De Advocaat-Generaal oordeelde dat het begrip 'ten onrechte' in artikel 20, lid 1, AWR niet los kan worden gezien van materiële verschuldigdheid. Omdat de materiële belastingschuld reeds was voldaan, was naheffing niet toegestaan. Ook wees hij op de wettelijke suppletieverplichting en het belang van rechtszekerheid.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat het cassatieberoep ongegrond moet worden verklaard, waarmee de uitspraak van het Hof wordt bevestigd.