Conclusie
1.Feiten
Tot op heden is de pensioenregeling van uw voormalig werkgever ondergebracht bij Nationale Nederlanden. (…) Pensioenfonds Metaal en Techniek (PMT) neemt de uitvoering van Nationale-Nederlanden over. (…)
2.Procesverloop
3.Juridisch kader
Hoewel momenteel onduidelijk is welke nieuwe pensioencontracten in een toekomstig pensioenstelsel mogelijk gemaakt worden, ziet de AFM een globale verschuiving in de risico's van pensioenopbouw. Waar bij een uitkeringsovereenkomst de werkgever en, steeds meer, het collectief van deelnemers de risico's dragen, is er een opkomst van de premieovereenkomst waarbij de individuele deelnemer de risico's draagt en hierbij zelf keuzes mag maken.
De introductie van een zorgplicht is een belangrijk aandachtspunt bij de verdere vormgeving van een eventueel nieuw pensioencontract en pensioenstelsel. Een algemene zorgplicht wint aan belang indien aanpassingen van het pensioenstelsel tot meer keuzes voor de individuele deelnemer leiden en de werkgever zich terugtrekt als risicodrager. Een zorgplicht dient dan ter bescherming van de deelnemer. De introductie van meer keuzevrijheid alsook eventuele aanpassingen in de aard van de toezegging zijn vooralsnog geen praktijk, waarmee het lastig is voor de rijksoverheid om zich in dit stadium aan deze wetgevingswens te committeren. De gesprekken over dit onderwerp met de AFM worden voortgezet.”
Dexia-arrest. [14] Voor de werkgever kan een dergelijke bovenwettelijke informatieplicht voortvloeien uit goed werkgeverschap in de zin van art. 7:611 BW Pro. [15] Voor de pensioenuitvoerder kan een dergelijke bovenwettelijke informatieplicht gebaseerd worden op art. 6:2 BW Pro of art. 6:162 BW Pro. [16]
Niehof/Bpf Bouw) overwoog de Hoge Raad over het door een pensioenfonds niet-informeren van een directeur-grootaandeelhouder om deel te nemen aan een vervangende pensioenvoorziening na beëindiging van de bestaande vroegpensioen-/vutregeling: [17]
Nu echter dat aanbod was vervat in de brief die de eerdere regelingen beëindigde en daarmee rechtstreeks verband hield, kan de zorgplicht die op (de rechtsvoorgangster van) Bpf Bouw rustte ten aanzien van de kennisgeving van het aanbod niet los worden gezien van de zorgplicht die op haar rustte ten aanzien van de kennisgeving van het vervallen van die eerdere regelingen. Het antwoord op de vraag in hoeverre op (de rechtsvoorgangers van) Bpf Bouw een zodanige zorgplicht rustte, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, en daarbij is ook van belang welke voor Bpf Bouw kenbare persoonlijke en financiële belangen voor (personen als) Niehof waren betrokken bij het tijdig treffen van een vervangende voorziening in geval van beëindiging van de bestaande vroegpensioen- en vutregelingen.”
Niehof/Bpf Bouwonder meer dat de contouren van de door de Hoge Raad aanvaarde zorgplicht nog uitgekristalliseerd moeten worden en dat het arrest ook van belang is voor wijzigingstrajecten waarbij de negatieve optie (“wie zwijgt, stemt toe”, zie ook hierna onder 3.32) wordt toegepast. [18] In dat verband noemt hij ook de negatieve optie bij collectieve waardeoverdracht in de zin van art 83 PW Pro, waarna hij stelt: [19]
De keerzijde van deze variant van wie zwijgt, stemt toe is dat gewaarborgd moet zijn dat betrokkenen de wijziging begrijpen en doorgronden.”
Grindacc-arrest, [20] dat ging over de zorgplicht van de werkgever bij wijziging van een pensioenovereenkomst, een aanzet gegeven tot een gezichtspuntencatalogus ter beoordeling van de reikwijdte van deze zorgplicht. Govaert constateert dat hoever deze zorgplicht in een concreet geval strekt, afhangt van de omstandigheden van het geval. Daarbij noemt Govaert de volgende omstandigheden: [21]
Duidelijk is dat de zorgplichten van werkgever en pensioenuitvoerder relevant zijn bij (1) wijziging van de pensioenregeling én (2) eventuele waardeoverdracht van bestaand pensioen.”
Niehof/Bpf Bouwaf dat het kennelijk de bedoeling van de Hoge Raad is terug te grijpen op de ontwikkeling van de zorgplicht in andere situaties. [23] In recente literatuur wordt ook aangenomen dat reflexwerking van zorgplichtnormen en rechtspraak over bancaire en financiële dienstverleners naar pensioenuitvoerders niet denkbeeldig is. [24] Ettema vraagt aandacht voor de vraag of en in hoeverre zorgplichten van bijvoorbeeld een pensioenuitvoerder vergelijkbaar zijn met de zorgplichten van bancaire en financiële dienstverleners. [25] Zo bestaat tussen een pensioenuitvoerder en een deelnemer geen rechtstreekse contractuele verhouding. [26] Anders dan Ettema meen ik dat het eigen karakter van het pensioenrecht niet in de weg hoeft te staan aan een zekere reflexwerking van zorgplichtnormen uit het financiële recht.
De eiser – benadeelde – moet dan stellen en, bij voldoende betwisting, bewijzen dat hij met ‘juiste’, ‘adequate’, en/of ‘voldoende begrijpelijke’ informatie een andere keuze zou hebben gemaakt, en daardoor geen schade zou hebben geleden. Dit bewijs valt moeilijk, zo niet onmogelijk, te leveren, omdat die bewijsopdracht impliceert dat er bewijs geleverd zou kunnen worden, quod non, van wat iemand gedaan zou hebben (welke keuze iemand zou hebben gemaakt) als op enig moment eerder in de tijd bepaalde informatie wel bekend zou zijn geweest bij die persoon omdat de informatieplicht niet geschonden was[voetnoot verwijderd, A-G].”
effectenlease-zaken heeft de Hoge Raad bewijsvermoedens geïntroduceerd al naar gelang de financiële positie van de particuliere afnemer, waarbij wordt aangenomen dat de afnemer de overeenkomst zonder tekortschieten door de aanbieder niet zou zijn aangegaan. [29] Voor weerlegging van dat vermoeden zal dan de
aanbiederzijn stellingen concreet moeten onderbouwen.
Artikel 21. Startbrief en melding van wijzigingen
Wie informeert de deelnemers?
van de pensioenregeling en informatieverstrekking over deuitvoering
van de regeling.
van de pensioenregeling. Op grond van dit wetsvoorstel heeft de werknemer, binnen drie maanden nadat hij op grond van de pensioenovereenkomst daadwerkelijk pensioenaanspraken gaat verwerven recht op een ≪startbrief≫, waarin alle voor hem relevante informatie over zijn pensioenregeling is vervat.Om verschillende redenen heeft de regering ervoor gekozen dat de werkgever niet de verantwoordelijkheid krijgt deze initiële informatie zelf aan de werknemer te verstrekken, maar er wel zorg voor dient te dragen dat de pensioenuitvoerder deze informatie aan de deelnemer verstrekt.
van de aanspraken ziet de
Indien een korte- of langetermijnherstelplan actueel is moet de deelnemer hierover geïnformeerd worden. Deze informatie is voor de deelnemer nuttig indien hij waardeoverdracht overweegt. De deelnemer krijgt diezelfde informatie ook als hij de deelneming beëindigt.”
Informatie en zorgplicht” het volgende opgenomen: [36]
Algemeen uitgangspunt bij de uitwerking in dit besluit is dat de informatie dusdanig moet zijn dat het voor een deelnemer mogelijk wordt een financiële planning op te stellen. De meest essentiële elementen van een pensioenregeling en van de uitvoering van de pensioenregeling dienen dan ook in de informatieverstrekking aan de orde te komen. Tegelijkertijd geldt het uitgangspunt dat niet meer wordt geregeld dan strikt noodzakelijk. Voorkomen moet worden dat uitvoerders teveel aan banden worden gelegd bij het verstrekken van informatie, of de deelnemers moeten worden overladen met informatie.”
Specifieke informatie” ook gewezen op specifieke voorlichtingsvoorschriften voor een aantal groepen: [37]
Als de deelname aan een regeling eindigt, wordt de gewezen deelnemer geïnformeerd over het recht of de mogelijkheid tot waardeoverdracht. Ingeval van uitvoering door fondsen wordt daarbij tevens vermeld of er sprake is van een korte- of langetermijnherstelplan. Dergelijke informatie over de financiële toestand van het fonds is voor de gewezen deelnemer van belang bij de vraag al dan niet aan waardeoverdracht te doen. Overigens moet in de startbrief, als de uitvoerder een fonds is, ook worden vermeld of sprake is van een korte- of langetermijnherstelplan aangezien de dekkingsgraad van het nieuwe fonds in het kader van de vraag al dan niet aan waardeoverdracht te doen, ook van belang is.”
Naast genoemde informatie wordt de werknemer er in de startbrief op
pensioenuitvoerderte informeren over iedere wijziging in de pensioenovereenkomst. Vervolgens moet de pensioenuitvoerder de
werknemerbinnen drie maanden na een wijziging in de pensioenovereenkomst informeren over die wijziging en de mogelijkheid om het gewijzigde pensioenreglement op te vragen bij de pensioenuitvoerder. In de memorie van toelichting is het volgende opgemerkt over art. 21 lid 2 PW Pro: [39]
De verplichting om te informeren over wijzigingen is gebaseerd op artikel
nadatde wijziging is doorgevoerd. [40] De Pensioenwet bevat geen expliciete verplichting voor de werkgever om de werknemer te informeren over een aanstaande wijziging. Bovendien houdt de Pensioenwet – in ieder geval naar de letter – niet de verplichting in voor de pensioenuitvoerder om slapers en pensioengerechtigden (zoals de Gepensioneerde in de onderhavige zaak is) te informeren over relevante wijzigingen, zoals indexatie. Volgens Heemskerk is dat een omissie. Betoogd kan worden, zo schrijft hij, dat de werkgever op basis van goed werkgeverschap een zorgplicht heeft om de werknemers – en voor zover relevant slapers en pensioengerechtigden – te informeren over de wijziging en daarvoor aansprakelijk kan zijn. [41]
Artikel 21. Informatie over de pensioenregeling en melding van wijzigingen
De huidige wettelijke verplichte informatie over pensioenen blijkt niet altijd het gewenste effect te hebben, zo komt naar voren uit de evaluatie van de informatiebepalingen in de pensioenwetgeving (Kamerstukken II 2011/12, 33 110, nr.1). Belangrijke verplichte informatie-uitingen, zoals (…) de startbrief zijn voor een aanzienlijk deel van de deelnemers onvoldoende begrijpelijk. De gebruikte terminologie en het taalgebruik zijn te lastig en de hoeveelheid informatie die wordt verstrekt is te omvangrijk. (…)De huidige wettelijk verplichte informatie geeft bovendien een te rooskleurig beeld over de hoogte van het pensioen, geeft geen inzicht in risico’s en kan daardoor mensen op het verkeerde been zetten. Daarnaast heeft de pensioensector te maken met een gedaald vertrouwen onder de deelnemers. Nu met het voorstel over de herziening van het financieel toetsingskader schokken als gevolg van een stijgende levensverwachting of als gevolg van ontwikkelingen op de financiële markten op een andere wijze zullen worden verwerkt (Kamerstukken II 2013/14, 32 043, nr. 172), is het des te meer noodzakelijk om duidelijk en eerlijk te communiceren naar deelnemers.
De huidige pensioenwetgeving kent de open normen tijdig, duidelijk en begrijpelijk. Tegelijkertijd bevatten sommige wettelijke bepalingen behoorlijk gedetailleerde voorschriften, waardoor er te weinig ruimte is voor maatwerk. De nieuwe pensioenwetgeving bevat de overkoepelende normen tijdig, duidelijk, correct en evenwichtig.Ook het aansluiten op de behoeften en kenmerken van de deelnemer en het bevorderen van inzicht in de keuzemogelijkheden van een pensioenregeling en in de gevolgen van belangrijke levensgebeurtenissen zijn als open normen in de nieuwe pensioenwetgeving opgenomen.”
keuzesheeft; die moet eraan bijdrage dat de deelnemer zo’n keuze weloverwogen – aan de hand van tijdige, duidelijke, correcte en evenwichtige informatie – kan maken.
De norm evenwichtig betekent dat de relevante aanwezige voor- en nadelen goed moeten worden weergegeven.Om een juist beeld te geven moet een pensioenuitvoerder, naast informatie over de positieve kenmerken, ook informatie geven over de beperkende kenmerken of voorwaarden van de pensioenregeling. Als de informatie niet evenwichtig is en een deelnemer niet voldoende op de hoogte is van de beperkende voorwaarden of risico’s, kan hij ten onrechte een verkeerde conclusie trekken over zijn pensioenregeling, die hem ervan weerhoudt eventuele andere maatregelen binnen of buiten de pensioenregeling te nemen.
Bij een collectieve waardeoverdracht als bedoeld in het eerste lid wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
de deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners of de pensioengerechtigden hebben geen bezwaren jegens de pensioenuitvoerder kenbaar gemaakt tegen de waardeoverdracht nadat zij over het voornemen schriftelijk zijn geïnformeerd;(…).”
Op grond van de PSW was ook bij collectieve waardeoverdracht instemming van de rechthebbende vereist. Dit hield in de praktijk niet in dat iedere individuele werknemer uitdrukkelijk schriftelijk toestemming moest verlenen voor deze overdracht. De toestemming werd geacht te zijn gegeven als de werknemer binnen een redelijke termijn geen bezwaar maakt tegen de pensioenoverdracht. Hierbij werd er vanuit gegaan dat de werknemer geïnformeerd werd. Deze gang van zaken is nu uitdrukkelijk in dit onderdeel geregeld. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat uiteraard alleen degenen wiens pensioenaanspraken of pensioenrechten betrokken zijn bij de waardeoverdracht geïnformeerd hoeven te worden. Wanneer de waarde van ingegane pensioenen niet wordt overgedragen,
Het is de toezichthouder die per situatie moet beoordelen wanneer sprake
Communicatie naar de deelnemers
op verzoek van de werkgever of beroepsvereniging is dat de deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners of de pensioengerechtigden schriftelijk zijn geïnformeerd over de voorgenomen CWO en dat zij in de gelegenheid zijn gesteld om bezwaar te maken tegen de waardeoverdracht. Graag ontvangt DNB een (voorbeeld)brief die aan de deelnemers verstuurd wordt. Wij verwachten minimaal dat u in deze brief ingaat op de consequenties voor de bij de CWO betrokken deelnemers en de verschillen tussen de oude en de nieuwe pensioenuitvoerder. Ook komt duidelijk naar voren hoe de deelnemer bezwaar kan maken. De mogelijkheid om bezwaar te maken mag niet belemmerd worden door daaraan extra eisen te stellen, bijvoorbeeld dat het bezwaar gemotiveerd moet zijn.De deelnemers moeten een redelijke termijn krijgen om te kunnen reageren op deze brief. Het gebruik van de negatieve optie is toegestaan.Indien u verschillende brieven gebruikt voor actieve deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden, dan ontvangen wij graag van alle drie een voorbeeld.”
Het proces van collectieve waardeoverdracht is momenteel niet gestandaardiseerd; pensioenuitvoerders hanteren hun eigen procedures en overdrachtsovereenkomsten. Hierdoor zijn collectieve waardeoverdrachten veelal complexe en langdurige processen waar werkgevers, deelnemers noch uitvoerders vreugde aan beleven. De verzekeringssector vindt dit niet langer wenselijk en heeft met het initiatief tot opstellen van het ‘Protocol Collectieve Waardeoverdracht’ uniformering willen aanbrengen. Daarmee wordt eenduidigheid en vereenvoudigen van processen en werkwijzen rond de collectieve waardeoverdracht nagestreefd[voetnoot verwijderd, A-G]
.”
Bij het verstrekken van informatie aan de betrokkenen zien zowel de overdragende en ontvangende pensioenuitvoerder toe op de juistheid van de verstrekte informatie voor wat betreft de eigen pensioenregeling. Binnen het protocol worden de momenten benoemd waarop sprake is van communicatie richting de werkgever en betrokkenen. Daarmee wordt invulling gegeven aan de zorgplicht vanuit de pensioenuitvoerder. Afhankelijk van de complexiteit van de waardeoverdracht worden voorwaarden gesteld aan de inhoud, waarbij onder meer wordt gewaarschuwd voor de risico’s.”
Individueel gerichte informatie op verzoek kan in beginsel beperkt zijn tot aan de pensioenuitvoerder kenbaar gemaakte vragen en omstandigheden. Hier voeg ik aan toe dat dit een andere situatie is dan de situatie waarin de pensioenuitvoerder wettelijk gehouden is de deelnemer c.a. informatie te geven over waardeoverdracht, mede in verband met de vraag of de betrokkene gebruik zal maken van zijn bezwaarrecht, of de situatie dat de werknemer moet beslissen over een wijziging van de pensioenregeling. Dan zal de informatie in deze zin volledig moeten zijn, dat ook mogelijke negatieve gevolgen van de waardeoverdracht of wijziging in de informatie opgenomen is (vgl. Hof Den Haag 8 mei 2018, PJ 2018/101).”
Omdat de hier besproken collectieve waardeoverdracht geen rechtshandeling vergt van deelnemers, partners en pensioengerechtigden, is er voor hen geen plaats voor het inroepen van een wilsgebrek. Daarmee ontbreekt ook de mogelijkheid van een beroep op een bij dat wilsgebrek horende mededelingsplicht van werkgever of uitvoerder. Dat gebrek kan mogelijk een ruime uitleg van de informatieplicht van artikel 83 lid 2 sub a PW Pro rechtvaardigen.Hoe deze informatieplicht nader in te vullen?Voor wat betreft de informatie te verstrekken over gevolgen van waardeoverdracht zou een pensioenuitvoerder kunnen aansluiten bij de informatie over waardeoverdracht te verstrekken bij de start van de verwerving van pensioenaanspraken (art. 21 lid 1 PW Pro) en bij beëindiging van deelname (art. 39 PW Pro).”
Het overdragende pensioenfonds moet de deelnemer wijzen op zijn recht op waardeoverdracht in de beëindigingsinformatie, en het ontvangende pensioenfonds moet de deelnemer wijzen op waardeoverdracht in de welkomstinformatie. Toch vindt de AFM dit niet voldoende. (…).
W.o. dus karakter en risico’s, toegekende en te verwachten toeslagen, uitgevoerdeen te verwachten kortingenof premieverhogingen]
maar ook over de betreffende deelnemer zelf.”
momentwaarop het pensioenfonds het beste kan communiceren over korten is in de hiervoor in de memorie van toelichting bij de Wet pensioencommunicatie door de staatssecretaris aangehaalde evaluatie van de informatiebepalingen in de pensioenwetgeving het volgende opgemerkt: [69]
In het SZW-deel van het selfassessment-onderzoek is aan de pensioenfondsen ook gevraagd op welk(e) moment(en) fondsen het beste over de mogelijkheden van korten kunnen communiceren. Twee momenten die het vaakst worden genoemd, zijn de momenten dat de kortingsmaatregel definitief wordt vastgesteld en dat er een voornemen tot korten is opgenomen in het initiële herstelplan. (…)Zowel in het SZW-deel van het selfassessment-onderzoek als in de interviews wordt door pensioenfondsen genoemd dat communicatie over demogelijkheid
van korten kan zorgen voor onnodige onrust bij deelnemers. Zij vinden het daarom belangrijk dat er pas geïnformeerd wordt over korten zodra er meer zekerheid over de noodzaak hiertoe bestaat. Enkele geïnterviewde pensioenfondsen geven aan dat zij op hun website of in hun nieuwsbrief aan de orde hebben gesteld dat korten voor hen niet speelde.”
Het doel van de basisinformatie is dat de deelnemer makkelijk duidelijke informatie kan vinden over de belangrijkste kenmerken van de pensioenregeling, de keuzemogelijkheden die hij heeft, dat hij weet wanneer hij in actie moet komen en op de hoogte is van de financiële situatie van het pensioenfonds.”
de risico’s die van invloed zijn op het pensioenresultaat van de basispensioenregeling, zoals het beleggingsrisico, en de toeslagverlening en doorgevoerde kortingen van de laatste drie jaar.” [71] Tot de informatie die op grond van art. 21 PW Pro moet worden verstrekt, behoort derhalve ook informatie over mogelijke risico’s van de pensioenregeling.
Adequaat en tijdig informeren over relevante omstandigheden en gebeurtenissenDNB heeft in haar wetgevingsbrief 2011 (dd 3 november 2011), net als de AFM, het belang onderschreven dat pensioenfondsen de pensioen- en aanspraakgerechtigden adequaat en tijdig informeren over relevante omstandigheden en gebeurtenissen betreffende het pensioenfonds. (…). In het voorontwerp is van deze (…) punten alleen het verstrekken van informatie tot het verminderen van pensioenaanspraken en pensioenrechten opgenomen. (…)Bovendien kan de verplichting over de informatie over het verminderen van pensioenaanspraken en pensioenrechten worden verduidelijkt door op te nemen dat dit niet alleen informatie betreft over het nemen van een definitief besluit, maar ook over een voorgenomen besluit, zodat deelnemers al in een vroeg stadium op de hoogte zijn van mogelijke kortingen.”
nadatDNB akkoord is gegaan met het herstelplan en het een definitieve korting betreft. [73]
olang de financiële situatie van het pensioenfonds het toelaat, heeft het pensioenfonds de plicht om de pensioenopbouw te continueren en de reeds opgebouwde rechten ongewijzigd te laten. (…).
4.Bespreking van het principale cassatieberoep
3.4 Metgrief 2komt[Gepensioneerde]
op tegen rov. 4.3 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank[Gepensioneerde’s]
stelling verwerpt dat PMT hem ook los van artikel 21 PW Pro had moeten waarschuwen voor zijn uit artikel 134 PW Pro voortvloeiende recht pensioenaanspraken te korten. Het hof begrijpt, mede gegeven het betoog van[Gepensioneerde]
in eerste aanleg en de structuur van het bestreden vonnis, de grief aldus dat[Gepensioneerde]
van mening is dat de zorgplicht van PMT jegens hem in het kader van de voorgenomen waardeoverdracht op de voet van artikel 83 PW Pro meebrengt dat PMT hem de desbetreffende informatie had moeten verstrekken.”
de zorgplicht van PMT jegens hem in het kader van de voorgenomen waardeoverdracht op de voet van artikel 83 PW Pro” een (privaatrechtelijke?) informatieverplichting van PMT tegenover Gepensioneerde voortvloeit, ten onrechte ambtshalve feitelijke gronden heeft bijgebracht. Noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep heeft Gepensioneerde zich erop beroepen dat deze vermeende informatieplicht zou voortvloeien uit een zorgplicht.
Standpunt[Gepensioneerde]
en juridische context” als volgt toegelicht (p. 4 en p. 8):
9.[Gepensioneerde]
stelt zich op het standpunt dat PMT hem in 2009 had moeten wijzen op het feit dat PMT gerechtigd is om de pensioenaanspraken te korten terwijl NN dat niet zou kunnen. Indien[Gepensioneerde]
destijds van dit verschil tussen een pensioenfonds en een verzekeraar op de hoogte zou zijn geweest, zou hij bezwaar hebben gemaakt tegen de waardeoverdracht.
kan op grond van bovenstaande niet anders concluderen dan dat PMT niet heeft voldaan aan haar informatieverplichting, op grond waarvan zij verantwoordelijk is voor de hieruit voortvloeiende schade. Schending van deze informatieverplichting leidt tot een schadevergoedingsplicht op grond van onrechtmatige daad.”
De Hoge Raad heeft zich eerder gebogen over het vraagstuk wanneer een pensioenuitvoerder aan haar informatieverplichting heeft voldaan”. Kennelijk, aldus ook randnummer 30 van de conclusie van antwoord, verwijst Gepensioneerde hier naar HR 8 februari 2013 (
Niehof/Bpf Bouw). [75] In dat arrest heeft de Hoge Raad aanvaard dat een zorgplicht op de pensioenuitvoerder kan rusten jegens (gewezen) deelnemers (zie onder 3.8).
heeft volhard in zijn standpunt dat PMT hem een startbrief had behoren te zenden en hij heeft zijn standpunt als volgt toegelicht. In deze kwestie is sprake van herleven van de aansluitingsplicht omdat aan de voorwaarden van de vrijstelling niet langer is voldaan. Dit kan gelijk worden gesteld met het aanvangen van deelname aan de pensioenregeling. Bij aanvang van deelname aan de pensioenregeling dient binnen 3 maanden een startbrief te worden verstrekt.”
heeft zijn stelling wel toegelicht op dit punt. Immers, hij is van mening dat hem een startbrief had behoren te worden verstrekt door PMT. Had[Gepensioneerde]
de juiste en volledige informatie ontvangen, dan had hij geweten dat zijn gegarandeerde aanspraken bij NN, na overdracht aan PMT gekort konden worden.[Gepensioneerde]
had dan bezwaar gemaakt tegen de waardeoverdracht.”
heeft tegen het verweer van PMT het volgende aangevoerd.[Gepensioneerde]
vertrouwde erop en mocht er ook gerechtvaardigd op vertrouwen dat de overdracht geen financiële gevolgen voor hem zou hebben. In de brief van 13 januari 2009 wordt immers expliciet vermeld dat de overdracht geen financiële gevolgen zou hebben.
nooit overwogen hebben zijn pensioen van NN naar PMT over te laten gaan.”
Indien aan de voorwaarden van artikel 83 lid 2 PW Pro is voldaan, kan een collectieve waardeoverdracht op verzoek van de werkgever (in dit geval [A] ) door deoverdragende
pensioenuitvoerder (in dit geval NN) aan deontvangende
pensioenuitvoerder (in dit geval PMT) plaatsvinden. DNB had geen bezwaren tegen de door [A] verzochte collectieve waardeoverdracht. Daarom hebben [A] en NN uitvoering gegeven aan het voornemen tot collectieve waardeoverdracht.[Gepensioneerde]
ontving aansluitend op 13 januari 2009 een welkomstbrief voor pensioengerechtigden van PMT.”
dat Gepensioneerde van mening is dat de zorgplicht van PMT jegens hem in het kader van de voorgenomen waardeoverdracht op de voet van artikel 83 PW Pro meebrengt dat PMT hem de desbetreffende informatie had moeten verstrekken”. Met deze uitleg is het hof ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep getreden.
reeds daarmeesprake is van een verrassingsbeslissing. [76] Hoewel PMT kennelijk blijkens haar memorie van antwoord niet op de door het hof gegeven uitleg van de grieven had gerekend, is deze uitleg in de gegeven omstandigheden niet zó verrassend dat PMT hier niet op bedacht had moeten zijn. Daarbij is mede van belang dat de informatieverplichtingen ex art. 21 PW Pro en ex art. 83 lid 2 onder Pro a PW nauw verwant zijn (zie onder 3.42-3.43). Subonderdeel 1.1 faalt daarmee.
Niehof/Bpf Bouw) (zie onder 4.7) – over het vraagstuk wanneer een pensioenuitvoerder aan haar informatieverplichting heeft voldaan. In dat arrest neemt de Hoge Raad een
zorgplichtvan de pensioenuitvoerder aan (zie ook onder 3.8).
in potentie verstrekkende gevolgen” heeft, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ik wijs op hetgeen toezichthouders DNB en de AFM hierover in beleidsuitingen vermelden. DNB verwacht dat in de brief waarin deelnemers c.a. geïnformeerd worden over een voorgenomen waardeoverdracht wordt ingegaan “
op de consequenties voor de bij de[collectieve waardeoverdracht]
betrokken deelnemers en de verschillen tussen de oude en de nieuwe pensioenuitvoerder” (zie onder 3.35). De AFM stelt over informatieverstrekking bij waardeoverdracht: “
Maak hierbij ook duidelijk wat het belang is van waardeoverdracht: het is een beslissing die grote financiële consequenties kan hebben” (zie onder 3.44). Dat de pensioenuitvoerder niet altijd “
een andere” wordt, zoals bij een interne collectieve waardeoverdracht (die overigens in het onderhavige geval niet aan de orde is), of dat het karakter van de pensioenaanspraken niet per definitie anders zal zijn, doet niet af aan het oordeel van het hof in rov. 3.7 dat een waardeoverdracht ‘in potentie verstrekkende gevolgen heeft’. Dat is een terechte constatering van het hof.
PMT wijst daar ook op”, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, voor zover het hof met “
daar” het oog heeft op het feit dat een waardeoverdracht in potentie verstrekkende gevolgen heeft en dat art. 83 lid 2 onder Pro a PW (om die reden) een schriftelijke informatieverplichting bevat.
PMT wijst daar ook op” zo, dat het hof daarmee tot uitdrukking heeft gebracht dat PMT ook wijst op de informatieverplichting ex art. 83 lid 2 onder Pro a PW. [78] Met “
daar” wordt dus niet gedoeld op de reden voor het bestaan van de schriftelijke informatieverplichting ex art. 83 lid 2 onder Pro a PW, maar op het bestaan van die schriftelijke informatieverplichting als zodanig.
Hiermee faalt de klacht van het subonderdeel.
uit de maatschappelijke functie van PMT voortvloeit dat zij een zorgplicht heeft”, heeft bedoeld te oordelen dat op PMT als bedrijfstakpensioenfonds, althans pensioenuitvoerder, een bijzondere zorgplicht rust die tot meer of anders verplicht dan hetgeen in de wet is opgenomen en/of volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het subonderdeel klaagt voorts dat de overweging van het hof dat de zorgplicht voortvloeit “
uit de maatschappelijke functie van PMT” ook rechtens onjuist is, omdat een dergelijke zorgplicht is gebaseerd op hetgeen waartoe de eisen van de redelijkheid en billijkheid in een (pre)contractuele verhouding verplichten en een dergelijke verhouding zich in een geval als het onderhavige niet voordoet.
uit de maatschappelijke functie van PMT voortvloeit dat zij een zorgplicht heeft”, heeft het hof bedoeld dat op een pensioenuitvoerder als PMT een uit een bovenwettelijke informatieplicht voortvloeiende zorgplicht kan rusten, die is gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid of art. 6:162 BW Pro. Dat oordeel is juist (zie onder 3.7). Het subonderdeel constateert terecht dat tussen Gepensioneerde en PMT geen rechtstreekse contractuele verhouding bestaat. [79] PMT is ook geen financiële onderneming in de zin van art. 1:1 Wft Pro en verleent evenmin een financiële dienst in de zin van art. 1:1 Wft Pro. Dat staat evenwel niet in de weg aan het aannemen van een op een informatieverplichting gebaseerde zorgplicht van PMT, die voortvloeit uit de redelijkheid en billijkheid of art 6:162 BW Pro. Overigens wordt in de literatuur aangenomen dat de zorgplicht van een pensioenfonds ook voortvloeit uit de maatschappelijke functie van het pensioenfonds. Zie in deze zin bijvoorbeeld Soetendal en Van ’t Zet: [80]
Pensioenwetgeving heeft als doel dat deelnemers aan een pensioenregeling er verzekerd van kunnen zijn dat die goed wordt uitgevoerd en dat ze op een bepaalde mate van financiële zekerheid kunnen rekenen. Het beschermen van deelnemers is in dat kader een van de belangrijkste gedragsregels. Zorgplicht is daarbij een middel. Deze zorgplicht vloeit voort uit de maatschappelijke functie die door pensioenfondsen wordt vervuld en de informatieasymmetrie tussen pensioenfondsen en hun deelnemers.”
effectenlease-zaken (zie onder 3.7 en 3.15), waarin de Hoge Raad de bijzondere zorgplicht van de aanbieder stoelt op de redelijkheid en billijkheid, “
in aanmerking genomen haar maatschappelijke functie en haar deskundigheid”. [81]
bij het aanbieden van haar diensten”, “
zij vraagt in te stemmen met de waardeoverdracht” en “
het in artikel 83 lid 2 onder Pro a PW bedoelde geen-bezwaar tegen waardeoverdracht probeert te verkrijgen” niet tot uitdrukking gebracht dat met het bewerkstelligen van de overdracht van de pensioenaanspraken en -rechten een eigen commercieel belang van de pensioenuitvoerder gemoeid zou zijn, vergelijkbaar met het verlenen van een financiële dienst in de zin van art. 1:1 Wft Pro. Het oordeel van het hof getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting.
volledig op zich genomen” zou hebben.
volledig op zich genomen had”, het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven en aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het hof in dat geval, alvorens te beslissen, PMT in de gelegenheid had moeten stellen zich nader over dit punt uit te laten.
PMT heeft immers niet gesteld dat[Gepensioneerde]
- afgezien van deze brief - de in artikel 83 lid 2 onder Pro a PW bedoelde informatie van de werkgever [A] of van de overdragende pensioenuitvoerder NN heeft ontvangen.” Met de aanname van het hof onder (ii) doelt de klacht op de volgende zin uit rov. 3.8: “
Evenmin heeft zij[PMT, A-G]
aangevoerd dat zij destijds ervan is uitgegaan en redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat[Gepensioneerde]
- de bedoelde informatie van zijn werkgever of van NN zou ontvangen.” Deze overwegingen vinden hun grondslag in het partijdebat in eerste aanleg. PMT heeft zich op het standpunt gesteld dat door Gepensioneerde “
de verkeerde partij is gedagvaard”. [84] PMT meent dat de wettelijke verplichting ex art. 83 lid 2 onder Pro a PW niet op haar rustte, maar op de voormalige werkgever [A] en/of de overdragende pensioenuitvoerder NN.
De‘welkomstbrief’
is het enige poststuk dat ik van PMT heb ontvangen. (…). PMT had mij moeten informeren over de verschillen tussen een pensioenverzekeraar en een pensioenfonds en over de risico’s. Als ik dit van tevoren had geweten, was ik niet meegegaan met de collectieve pensioenoverdracht. PMT heeft mij verteld dat er geen verschil was. Had ik dit geweten, was ik destijds bij Nationale Nederlanden gebleven. Ik heb aan [betrokkene 1] aangegeven wat mij tegenhield om over te stappen, maar niemand – Nationale Nederlanden niet en mijn voormalig werkgever niet – heeft mij geïnformeerd over het korten van mijn pensioen.”
De rekening wordt dus betaald uit de collectieve middelen. Dat leidt uiteindelijk tot minder indexatie of lager pensioen voor de hele populatie.” [87] Dat een schadevergoeding wordt betaald uit de collectieve middelen staat echter niet in de weg te aan toewijzing van een vordering jegens een pensioenuitvoerder.
De klachten van subonderdeel 3.3 zijn tevergeefs voorgesteld.
aansluitend” de welkomstbrief van PMT. In een en ander ligt volgens het onderdeel onmiskenbaar besloten dat PMT wél heeft aangevoerd dat zij ervan is uitgegaan, althans redelijkerwijs mocht uitgaan, dat Gepensioneerde de informatie van [A] en/of NN heeft ontvangen, althans zou ontvangen.
aansluitend” ontving kan althans niet worden geconcludeerd dat PMT er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat Gepensioneerde meer of andere informatie zou (hebben) ontvangen van [A] en/of NN.
effectenlease-zaak van 5 juni 2009 (zie ook onder 3.7 en 3.15) heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
4.8.4 (…) Op Dexia rust als professionele dienstverlener op het terrein van beleggingen in effecten en aanverwante financiële diensten jegens[eiser]
als particuliere belegger met wie zij een KoersExtra-overeenkomst zal aangaan een bijzondere zorgplicht die ertoe strekt particuliere wederpartijen te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht. Deze bijzondere zorgplicht volgt uit hetgeen waartoe de eisen van redelijkheid en billijkheid een effecteninstelling, in aanmerking genomen haar maatschappelijke functie en haar deskundigheid, verplichten in gevallen waarin een persoon haar kenbaar heeft gemaakt een overeenkomst als KoersExtra-overeenkomst te willen aangaan en deze instelling daartoe ook een aanbod heeft gedaan. De reikwijdte van deze bijzondere zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van deskundigheid en relevante ervaringen van de betrokken wederpartij, de ingewikkeldheid van het beleggingsproduct en de daaraan verbonden risico's. (…)”
de gegeven omstandigheden” in 2009 en geoordeeld “
met het oog op de door belanghebbenden als[Gepensioneerde]
te maken afweging”. Voor de concrete invulling van de omstandigheden van het geval dient het oordeel van het hof bovendien te worden bezien in samenhang met de overige overwegingen die het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Zo wijst het hof in rov. 3.8 op de, eveneens in bovenstaande overweging uit de
effectenlease-zaak aangehaalde, maatschappelijke functie van de professionele dienstverlener (zie ook onder 4.25). Het belang van de mate van deskundigheid en relevante ervaringen van de betrokken wederpartij komt bijvoorbeeld ook aan de orde in rov. 3.15.
wezenlijk verschil” bestaat tussen uitvoering door PMT en uitvoering door een verzekeraar als NN brengt volgens het subonderdeel nog niet mee dat de kortingsmogelijkheid in de welkomstbrief vermeld had moeten worden en de nadere door het hof in rov. 3.10 vermelde omstandigheden uit begin 2009 zijn zonder belang voor het antwoord op de vraag of de kortingsmogelijkheid vermeld had moeten worden.
Informatie en zorgplicht” tot uitgangspunt is genomen (zie de passage aangehaald onder 3.21) en bij de Wet pensioencommunicatie nog eens is bevestigd (zie de passage aangehaald onder 3.29). Daarmee is echter nog niet gezegd dat in 2009 geen verplichting bestond een gewezen pensioendeelnemer bij een voornemen tot collectieve waardeoverdracht ex art. 83 PW Pro te informeren over het wezenlijke verschil dat, gelet op de kortingsmogelijkheid van een pensioenfonds als bedoeld in art. 134 PW Pro, bestaat tussen een verzekeraar en een pensioenfonds. Uit het juridische kader kan worden afgeleid dat in 2005 nog de gedachte leefde dat de kortingsmogelijkheid van een pensioenfonds zelden werd toegepast. In de memorie van toelichting bij de Pensioenwet werd door de toenmalige minister opgemerkt dat “[i]
n de praktijk blijkt (…) dat de reeds opgebouwde aanspraken en rechten van gewezen deelnemers en pensioengerechtigden zelden gewijzigd worden” (zie onder 3.51). Ik begrijp het oordeel van het hof in rov. 3.10 zo, dat het hof heeft getoetst of de omstandigheden in januari 2009, ten tijde van het verzenden van de welkomstbrief, zo waren dat ook toen nog gold dat, in de woorden van het hof “
de mogelijkheid van korting (…) een zodanig verwaarloosbaar en theoretisch risico vormde dat van PMT niet kon worden gevergd dat zij dit risico in haar brief aan[Gepensioneerde]
noemde”. Het hof overweegt, onder verwijzing naar eigen stellingen van PMT, [89] dat dit niet het geval was. Volgens het hof doelt PMT daarmee – niet onbegrijpelijk – “
kennelijk op de zodanig lage dekkingsgraden van bedoelde pensioenfondsen dat zij op grond van de Pensioenwet met het risico van een korting op termijn concreet en planmatig rekening dienden te houden”.
mogelijkheidals bedoeld in art. 134 PW Pro. Die plicht bestond naar het oordeel van het hof wel ten tijde van het versturen van de welkomstbrief door PMT in 2009. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
PMT in de brief van 13 januari 2009 uitsluitend argumenten heeft genoemd die erop neerkwamen dat er geen reden was om bezwaar te maken tegen de waardeoverdracht, zoals dat de overdracht geen financiële gevolgen voor[Gepensioneerde]
had en dat de pensioenaanspraken op dezelfde wijze zouden wordt voortgezet. Aldus heeft PMT[Gepensioneerde]
onvoldoende geïnformeerd over het kortingsrisico dat hij liep bij de waardeoverdracht aan haar.” Van inhoudelijke strijdigheid van rov. 3.11 met rov. 3.2 is geen sprake. In rov. 3.2 heeft het hof opgemerkt dat de brief uitsluitend gaat over de financiële gevolgen ten tijde van de overdracht. Over het kortingsrisico – het risico dat PMT de aanspraken van Gepensioneerde op een later moment zou kunnen korten – vermeldt de brief niks. Dát, het onvoldoende informeren over het kortingsrisico, is wat het hof PMT in rov. 3.11 verwijt. De klacht faalt.
in dit geval (…) geen relevante betekenis” toekomt, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het subonderdeel klaagt dat de enkele omstandigheid dat voor de reikwijdte van de privaatrechtelijke zorgplicht niet beslissend is of is voldaan aan publiekrechtelijke gedragsregels en/of zorgplichten die in publiekrechtelijke regelgeving zijn neergelegd [90] en of in verband met dat laatste al dan niet publiekrechtelijke maatregelen zijn genomen niet meebrengt dat aan het uitblijven van publiekrechtelijke maatregelen geen enkele betekenis zou kunnen worden toegekend en het hof niet heeft gemotiveerd waarom zulks in het onderhavige geval anders zou zijn.
enkele omstandigheid” etc. meebrengt dat aan het uitblijven publiekrechtelijke maatregelen “
geen enkele betekenis” zou kunnen worden toegekend.
algemeen verweer” dat door haar “
niet nader gemotiveerd” zou zijn en dat mede op die grond het causaal verband vaststaat, onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Volgens het subonderdeel laat de conclusie van antwoord zijdens PMT, sub 33-36 geen andere uitleg toe dan dat het daar gestelde in zijn geheel (dus niet slechts sub 33) was bedoeld als onderbouwing van de betwisting door PMT van het door Gepensioneerde gestelde causaal verband.
op een later momentzou kunnen korten –, kon het hof in rov. 3.12 oordelen dat PMT evenmin heeft toegelicht welk voordeel Gepensioneerde op een later moment zou hebben bij instemming met de waardeoverdracht aan PMT. In rov. 3.2 gaat het over de financiële gevolgen ten tijde van de overdracht. Die worden naar het oordeel van het hof in de brief van PMT niet genoemd, noch negatieve, noch positieve. In rov. 3.11 en rov. 3.12 gaat het over financiële gevolgen op een later moment. In rov. 3.11 is dat een negatief gevolg, het kortingsrisico. In rov. 3.12 voegt het hof daaraan toe dat het ook op de weg van PMT had gelegen toe te lichten welk voordeel (tegenover het kortingsrisico) Gepensioneerde zou hebben bij instemming met de waardeoverdracht aan PMT.
Primair stelt PMT zich op het standpunt dat het in ieder geval sinds de financiële crisis van 2008 een feit van algemene bekendheid is dat pensioenfondsen opgebouwd pensioen kunnen korten. Ten eerste is de regel zonder noemenswaardig onderzoek kenbaar uit een voor een ieder toegankelijke bron, te weten de door eenieder te raadplegen Pensioenwet. Ook in andere, openbare bronnen, zoals de website van DNB, wordt toegelicht dat pensioenfondsen onder omstandigheden het opgebouwde pensioen kunnen korten.
al bekend was met PMT, zich kennelijk in de pensioenmaterie heeft verdiept en hij zelfs bezwaar heeft gemaakt tegen de collectieve waardeoverdracht van zijn pensioenaanspraken.[voetnoot, A-G:
Tussen 1970 en 1974 is[Gepensioneerde]
wel deelnemer geweest in de pensioenregeling van PMT]
Tegen deze achtergrond moet worden aangenomen dat[Gepensioneerde]
wist, althans had moeten weten, dat pensioenfondsen opgebouwde aanspraken kunnen korten.
Het feit van algemene bekendheid kan worden omschreven als het feit dat ieder normaal en algemeen ontwikkeld mens zonder nader onderzoek geacht wordt te kennen of zonder noemenswaardig onderzoek uit algemeen toegankelijke bronnen kan te weten komen. Het betreft hier dus een combinatie van twee elementen – wat men geacht wordt te weten en wat men zonder noemenswaardig onderzoek uit algemeen toegankelijke bronnen te weten kan komen – en het is belangrijk die twee elementen niet te splitsen. In het eerste element ligt het accent op ‘ieder normaal en algemeen ontwikkeld mens’ en in het tweede op ‘zonder noemenswaardig onderzoek’. Specialistische kennis is daarmee van deze categorie feiten uitgesloten – de ‘leek’ staat centraal – en hetzelfde geldt voor feiten die weliswaar kunnen worden gevonden in algemeen toegankelijke bronnen maar niet dan na onderzoek van enige diepgang, want bij algemeen bekende feiten gaat het om algemene kennis die een normaal en algemeen ontwikkeld mens snel kan vinden.”
ieder normaal en algemeen ontwikkeld mens” – tot uitgangspunt genomen. Dat sluit aan bij de hiervoor gegeven omschrijving van feiten van algemene bekendheid. Daarmee kon het hof voorbijgaan aan stellingen die betrekking hadden op de concrete kennis van Gepensioneerde, zoals dat Gepensioneerde (in concreto) al bekend was met PMT, zich kennelijk in de pensioenmaterie had verdiept en (aanvankelijk) zelfs bezwaar had gemaakt tegen de collectieve waardeoverdracht, in welk verband PMT er tevens op heeft gewezen dat Gepensioneerde tussen 1970 en 1974 reeds deelnemer was geweest in de pensioenregeling van PMT. De klacht faalt.
rechtsbijstand-assuradeur DAS[heeft]
ingeschakeld omdat hij een geschil met zijn werkgever had over een wezenlijk andere kwestie, namelijk de juiste pensioengrondslag” het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het aldus ten onrechte ambtshalve feitelijke gronden heeft bijgebracht. Gepensioneerde heeft volgens het subonderdeel in reactie op de stellingen van PMT dat zij heeft begrepen dat Gepensioneerde ten tijde van de welkomstbrief en het bezwaar daartegen reeds enige tijd werd bijgestaan door een advocaat noch in eerste aanleg noch in hoger beroep iets gesteld.
Subsidiair stelt PMT zich op het standpunt dat vermoed moet worden dat[Gepensioneerde]
wist dat pensioenfondsen opgebouwd pensioen kunnen korten. Bij het maken van bezwaar tegen de collectieve waardeoverdracht werd[Gepensioneerde]
bijgestaan door een advocaat die hem adviseerde over de overdracht van zijn opgebouwde pensioen van NN aan PMT. Op basis hiervan moet worden vermoed dat[Gepensioneerde]
wist dat een pensioenfonds onder bijzondere omstandigheden kan korten. Immers, zoals gezegd[in randnummer 31, A-G]
, mag van een advocaat worden verwacht dat hij zijn cliënt over alle voors en tegens van een waardeoverdracht informeert alvorens hij adviseert om een ingesteld bezwaar tegen de collectieve waardeoverdracht in te trekken. (…)”
Saarloos: ten tijde van het ontvangen van de brief werd[Gepensioneerde]
bijgestaan door een advocaat. Hij heeft een bewuste keuze gemaakt om zijn bezwaar tegen waardeoverdracht destijds in te trekken. Van een advocaat die zich bezig houdt met pensioenzaken, had toch wel verwacht mogen worden dat zij[Gepensioneerde]
juist informeerde.
: mijn advocaat beschouwde de brief als een andere zaak, zij was alleen maar bezig om mijn pensioen op orde te krijgen. Zij heeft zich niet met de brief bemoeid.
rechtsbijstand-assuradeur DAS[heeft]
ingeschakeld omdat hij een geschil met zijn werkgever had over een wezenlijk andere kwestie, namelijk de juiste pensioengrondslag” strookt in zoverre niet met de gedingstukken. Tot cassatie kan dit mijns inziens echter niet leiden. Of de advocaat al dan niet werkzaam was bij rechtsbijstand-assuradeur DAS is niet dragend voor de overweging van het hof. De redenering van het hof in rov. 3.15 is dat de bijstand van de advocaat van Gepensioneerde was gericht op “
een geschil met zijn werkgever (…) over een wezenlijk andere kwestie, namelijk de juiste pensioengrondslag”. Dát argument vindt wel steun in de gedingstukken. Anders dan het subonderdeel klaagt, heeft Gepensioneerde wel degelijk op de reactie van de stellingen van PMT dat Gepensioneerde werd bijgestaan door een advocaat aangevoerd dat zijn advocaat zich uitsluitend bezighield met het geschil over de juiste pensioengrondslagen (zie de onder 4.77 aangehaalde passage uit het proces-verbaal van de comparitie). De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag.
De klacht treft dus geen doel.
PMT onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat (voorshands is bewezen dat) deze advocaat Gepensioneerde heeft geïnformeerd over alle “voors en tegens” van de waardeoverdracht, inclusief de kortingsbevoegdheid van PMT” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het subonderdeel beroept zich op de verweren in randnummers 31 en 35 van de conclusie van antwoord (zie ook onder 4.76) en klaagt dat nu het bij beide verweren niet gaat om bevrijdende verweren en Gepensioneerde op beide verweren op geen enkele wijze heeft gereageerd, laat staan zijn eigen stellingen nader heeft onderbouwd, het hof de door PMT ter motivering van haar betwisting op beide punten aangevoerde stellingen als vaststaand had moeten aannemen.
Vanaf januari 2005 ben ik met [A] bezig geweest om inzage te krijgen hoe één en ander tot stand was gekomen, bij Nationale Nederlanden kreeg ik geen inlichtingen, die verwezen mij naar mijn ex werkgeefster.Uiteindelijk is met behulp van een advocaat na langdurige procedures, en het opstarten per 8 mei 2008 van een concept dagvaarding, door inmiddels (weer) Mercedes-Benz Nederland toegegeven dat het gemitigeerde jaarsalaris 2004 berekend was over verkeerde bedragen.”