Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
Een beleggingsadviseur behoeft (dus) geen vergunning om als zodanig op te treden.’ Het oordeel van de Hoge Raad ziet op de cliëntenremisier die óók adviseert.
onderdeel bmiskent het hof dat art. 41 NR Pro 1999, zoals dit luidde tot 1 september 2001 (dus in de periode dat Dexia [eiser] als cliënt heeft geaccepteerd), kort gezegd, de aanbieder verbood cliënten te accepteren als deze zijn aangebracht door niet in het register ingeschreven instellingen. Dexia heeft gesteld dat NBG Finance destijds als cliëntenremisier was ingeschreven, aldus het onderdeel.
onderdeel ckan van een toerekenbare onrechtmatige daad van Dexia door het accepteren van [eiser] als cliënt geen sprake zijn, omdat voor Dexia niet voldoende kenbaar was dat NBG aan [eiser] zonder vergunning geen beleggingsadvies mocht verstrekken.
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Op zichzelf genomen is het juist dat in de WCAM-beschikking en in de tot aan de uitspraken van de Hoge Raad van 29 april 2011 gevoerde proefprocedures de hiervoor door de Hoge Raad genoemde zelfstandige onrechtmatige daad van Dexia (bestaande uit een overtreding van artikel 41 NR Pro 1999) niet is vastgesteld en deze dus ook niet is betrokken in de schadeverdeling. Dat Dexia heeft gehandeld in strijd met artikel 41 NR Pro 1999 is in geen van die proefprocedures door de afnemer aangevoerd. In alle uitspraken is steeds belangrijk gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument wist of behoorde te weten dat het bij producten van Dexia niet ging om een spaarconstructie, maar om beleggen met geleend geld, zodat de afnemer om die reden het risico liep dat de maandelijkse inleg verloren kon gaan en/of de effectenleaseovereenkomsten niet het gewenste rendement zouden opleverden
. Die omstandigheid rechtvaardigt dat een deel van de schade (restschuld, rente, aflossing en kosten) voor rekening blijft van de afnemer. De betrokkenheid van tussenpersonen is in de eerdere proefprocedures met zoveel woorden verdisconteerd in de een derde/twee derde schadeverdeling. Als een tussenpersoon was betrokken bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, leidde dat niet tot een andere schadeverdeling.
Ook de afnemer die is geadviseerd de overeenkomst van effectenlease met Dexia aan te gaan wist of behoorde te weten dat werd belegd met geleend geld en dat daaraan risico’s waren verbonden.Dat was zonder meer kenbaar. De afnemer verbond zich immers om maandelijks een bepaald bedrag te betalen, bestaande uit rente en/of aflossing, en de aan Dexia betaalde rente werd, totdat de overheid die mogelijkheid heeft afgeschaft, door de afnemers als aftrekpost bij hun aangifte inkomstenbelasting in aanmerking genomen, zodat duidelijk was dat het ging om een lening die uiteindelijk zou moeten worden terugbetaald en niet om een spaarproduct. Verder werden de producten van Dexia door de afnemers slechts gesloten met het oog op het verkrijgen van een bepaalde financiële opbrengst. Duidelijk was dat die opbrengst afhankelijk was van de koers van effecten. Daarbij was en is het een feit van algemene bekendheid dat koersen van effecten kunnen stijgen, maar ook kunnen dalen.
De door de Hoge Raad gegeven invulling van de billijkheidscorrectie leidt ertoe dat afnemers die bewust, met het oog op het verkrijgen van financieel voordeel, een risicovol product hebben afgenomen de volledige inleg, rente en kosten terugkrijgen, vermeerderd met wettelijke rente, en niet hoeven te delen in het ontstane koersverlies. Die uitkomst vindt het hof te verregaand en maatschappelijk niet wenselijk, omdat het geen recht doet aan de individuele verantwoordelijkheid van de betrokken consumenten. Hierbij worden voorts in aanmerking genomen de hiervoor in 3.62 en 3.63 opgesomde argumenten.De gevolgen van de risico’s die zijn verbonden aan het beleggen met geleend geld worden feitelijk geheel voor rekening van Dexia gebracht. De eigen verantwoordelijkheid van de afnemers dient echter mee te brengen dat als de gevolgen van de voor de afnemers kenbare risico’s zich hebben verwezenlijkt, deze in ieder geval deels voor hun rekening dienen te blijven. Vanuit dit perspectief bezien dient in een geval als de onderhavige een correctie op basis van de billijkheid achterwege te blijven.” (onderstreping toegevoegd; A-G).
Aan dit oordeel ligt de veronderstelling ten grondslag dat het accepteren van afnemers die door tussenpersonen zijn geadviseerd in aanmerkelijk mate in negatieve zin heeft bijgedragen aan de schade die is ontstaan als gevolg van de schending van de zorgplicht. In dit verband is van belang dat Dexia zich onder andere op het standpunt heeft gesteld dat de handelwijze van de tussenpersonen sterk verschilde. Er werd niet altijd geadviseerd en als dat wel gebeurde, werden zowel goede als slechte adviezen gegeven. Verder wijst Dexia erop dat verschillende tussenpersonen – anders dan Dexia zelf heeft gedaan – afnemers hebben gewezen op het feit dat werd belegd met geleend geld en afnemers hebben gewaarschuwd voor het restschuldrisico. Dexia heeft na de regiecomparitie kopieën van aan cliënten verstrekte stukken overgelegd waarop dergelijke waarschuwingen staan vermeld. Het betreft stukken van Spaar Select, dezelfde tussenpersoon zonder vergunning waarover het ging in de zaak [B.] /Dexia.
Als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat tussenpersonen zonder vergunning afnemers ook goede adviezen hebben gegeven en/of de afnemers voor risico’s hebben gewaarschuwd, is het vervolgens de vraag of in zoverre de betrokkenheid van een dergelijke tussenpersoon wel steeds in relevante mate heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade die het gevolg is van de zorgplichtschending door Dexia. Het kan zijn dat de afnemers die via een tussenpersoon zonder vergunning een overeenkomst van effectenlease met Dexia hebben gesloten niet onjuist zijn geadviseerd en/of juist beter geïnformeerd leaseovereenkomsten hebben gesloten dan de afnemers waarbij geen tussenpersoon was betrokken.
Het oordeel van de Hoge Raaddat de genoemde onrechtmatige daad van Dexia als hoofdregel meebrengt dat ten nadele van Dexia dient te worden afgeweken van de gebruikelijke een derde/twee derde schadeverdeling omdat de billijkheid dat in beginsel eist,
houdt met dergelijke omstandigheden, die in feitelijke instanties nog moeten worden onderzocht en in het kader waarvan naar alle waarschijnlijkheid bewijslevering nodig zal zijn,
geen rekening.
In zijn algemeenheid zijn in de effectenleasezaken waarin tussenpersonen zijn betrokken de verhoudingen vergelijkbaar met de standaard effectenleaserelatie waarop het arrest[De T.] /Dexia ziet en is geen adviesrelatie aan de orde zoals in het arrest uit 2013.
Daarbij is nog van belang dat de grens tussen advies/aanbeveling en aanprijzingen/loftuitingen niet scherp is.Ook geldt dat effectenleaseproducten kant en klare producten waren die in beginsel niet op de specifieke situatie van een particuliere belegger zijn of werden toegesneden.
Dat die onrechtmatige daad in rechte niet meer kan leiden tot een veroordeling tot schadevergoeding staat eraan in de weg dat deze onrechtmatige daad via de band van de billijkheidscorrectie in het kader van de schending van de zorgplichten door Dexia toch zou kunnen leiden tot een (hogere) schadevergoeding.” (onderstreping toegevoegd; A-G).