Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Behandeling van de cassatiemiddelen
BNB1977/101: [5]
BNB1977/167: [7]
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende ontving in 2014 een nabetaling van salaris over de periode 2004 tot 2014 na een procedure over een niet-rechtsgeldig ontslag. De Inspecteur legde hierover een aanslag inkomstenbelasting op, die belanghebbende betwistte. Na diverse procedures bij de Rechtbank en het Gerechtshof werd de aanslag gehandhaafd en het bezwaar afgewezen. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraken.
De kern van het geschil betrof de vraag of de nabetaling terecht in 2014 in één keer werd belast, dan wel dat de belastingheffing over de jaren van de salarisopbouw gespreid had moeten plaatsvinden. Het Hof oordeelde dat de aanslag correct was opgelegd omdat het salaris pas inbaar was na de rechterlijke uitspraak en dat de termijnen niet eerder konden worden belast.
De Hoge Raad oordeelde dat het beroep in cassatie tegen een uitspraak over de ambtshalve vermindering niet-ontvankelijk was omdat belanghebbende geen belang had bij dat beroep. Ten aanzien van de overige middelen stelde de Hoge Raad vast dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en dat de belastingheffing niet in strijd was met het EVRM, mede gezien de middelingsregeling. De middelen werden ongegrond verklaard.
De Hoge Raad kon daarom geen uitspraak doen over de merites van het beroep tegen de uitspraak over de ambtshalve vermindering, maar bevestigde het oordeel van het Hof dat de belastingheffing over de nabetaling in 2014 terecht was.
Uitkomst: Het beroep in cassatie tegen de uitspraak over de ambtshalve vermindering is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen de aanslag ongegrond, waardoor de belastingheffing over de nabetaling in 2014 in stand blijft.