Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
’s-Hertogenboschvan 4 juni 1976 betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1973;
Overwegende, dat aan het bezwaar kan worden tegemoetgekomen;
Hoge Raad
Belanghebbende, directeur-zaakvoerder bij een onderneming, kreeg bij ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst een vergoeding van 215.000 gulden toegekend op grond van artikel 1639w van het Burgerlijk Wetboek. Hij stelde dat deze vergoeding niet belastbaar was omdat deze diende ter compensatie van het verlies van zijn arbeidsvermogen en niet als loon uit dienstbetrekking.
De Inspecteur hield echter vast aan de belastingheffing over deze vergoeding in het jaar 1973. Het Hof stelde vast dat de vergoeding haar grond vond in de dienstbetrekking en de ontbinding daarvan en dat deze daarom als loon moest worden beschouwd. Tevens oordeelde het Hof dat de vergoeding niet reeds in 1972 vorderbaar en rentedragend was, zodat de belastingheffing in 1973 terecht plaatsvond.
Belanghebbende voerde in cassatie dezelfde grieven aan, waaronder dat de Inspecteur gebonden was aan zijn uitspraak en dat moratoire interesten gelijk zouden staan aan rentedragend worden. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de vergoeding loon uit dienstbetrekking is en dat moratoire interesten niet onder rentedragend worden vallen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vergoeding bij ontbinding van de dienstbetrekking als loon belastbaar is en wijst het cassatieberoep af.