Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Wetgeving, parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur
Wetgeving
Hof ’s-Gravenhage 14 december 2011, nr. BK-10/00439,ECLI:NL:GHSGR:2011:BU9132). Indien de inspecteur nalaat een verweerschrift in te dienen, kan de rechtbank op grond van art. 8:31 Awb Pro daaraan de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen. Een van de mogelijkheden daarbij is dat de rechtbank oordeelt dat sprake is van een kennelijk gegrond beroep. Tot een dergelijk oordeel kwam
Hof Arnhem 20 maart 2006, nr. 04/01707,ECLI:NL:GHARN:2006:AV8604 in de situatie dat twee verzoeken om uitstel voor het indienen van het verweerschrift waren ingewilligd en desondanks, zonder enig bericht van de inspecteur (van het Bureau Heffingen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij), het indienen van het verweerschrift uitbleef. De kennelijke gegrondheid was volgens het hof erin gelegen dat door het ontbreken van een verweerschrift de inspecteur heeft nagelaten de door belanghebbende gestelde feiten te weerspreken. Meer gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid de procedure voort te zetten. In dat geval nodigt de rechtbank beide partijen uit voor de behandeling ter zitting of vraagt zij hen schriftelijk toestemming te verlenen het onderzoek ter zitting achterwege te laten. Indien de inspecteur vervolgens alsnog een met ‘verweerschrift’ aangeduid stuk inzendt, kan dat stuk, zij het als tiendagenstuk of als pleitnota, toch tot de gedingstukken worden gerekend. Voorwaarde daarbij is wel dat belanghebbende van het stuk kennis heeft kunnen nemen en zich daarover heeft kunnen uitlaten (
HR 23 mei 1990, nr. 25 180, BNB 1990/205 (concl. Van Soest)en
HR 19 december 1990, nr. 26 576, BNB 1991/176 (concl. Van Soest, noot P. den Boer)). In
Hof ’s-Gravenhage 14 december 2011, nr. BK-10/00439, ECLI:NL:GHSGR:2011:BU9132werden geen consequenties verbonden aan de omstandigheid dat het verweerschrift enkele dagen buiten de wettelijke termijn was ingediend. Het hof achtte de regels van behoorlijke procesorde niet geschonden. Belanghebbende had in zijn conclusie van repliek en tijdens de zitting kunnen reageren op het verweerschrift, zodat hij volgens het hof in staat is geweest op het verweer naar behoren te reageren. In dezelfde zin
Hof ’s-Gravenhage 12 oktober 2011, nr. BK-10/00447,ECLI:NL:GHSGR:2011:BU3423. Voor de gemiste kans op het indienen van een conclusie van repliek doordat het verweerschrift eerst kort voor de zitting is ingediend, bestaat geen recht op een proceskostenvergoeding (
Rb. Breda, nr. 11/566,V-N 2011/43.19.38). Met betrekking tot de inrichting van het verweerschrift, heeft de Staatssecretaris van Financiën beleid voorgeschreven dat thans is neergelegd in § 2.2.5 Besluit Beroep in Belastingzaken (
Besluit Staatssecretaris van Financiën 20 december 2011,BLKB2011/2376M
, Stcrt. 2011, 23744,BNB 2012/34
,laatstelijk gewijzigd bij
Besluit van 7 april 2017, nr. 2017-591422, Stcrt. 2017, 22374,V-N 2017/24.4). Op grond hiervan behoort het verweerschrift een zelfstandige uiteenzetting te geven van de feiten en van de beschouwingen waartoe die feiten de inspecteur aanleiding geven. De zienswijze van de inspecteur dient ook zonder het overleggen van andere stukken, duidelijk tot uitdrukking te komen in het verweerschrift. De inspecteur dient in zijn verweerschrift in ieder geval aandacht te besteden aan: