Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de waarde van de in beslag genomen en verbeurdverklaarde geldbedragen en goederen niet in mindering heeft gebracht op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.
De voorzitter deelt mede dat de veroordeelde in de strafzaak bij arrest van 22 juni 2015 van het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden ter zake van, kort gezegd, gewoontewitwassen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 16 september 2019, door onder meer het voorhanden hebben van geldbedragen, het doen van stortingen op zijn eigen rekening en op de rekening van zijn moeder en het verstrekken van geldbedragen aan anderen, alsmede het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift.
(…)
7) In de strafzaak is de verbeurdverklaring uitgesproken van een aantal goederen en voorwerpen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de waarde van deze voorwerpen in mindering gebracht dient te worden op het wederrechtelijk verkregen voordeel, in ieder geval voor zover deze voorwerpen worden aangemerkt als opbrengst van de feiten waarvoor cliënt is veroordeeld. De verdediging heeft dit verweer ook gevoerd in eerste aanleg, hierop is door de rechtbank in eerste aanleg niet gereageerd.
NJ2016/283, rov. 2.4).
'
Verplichting tot betaling aan de Staat
nietom de verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit (categorie a van artikel 33a lid 1 Sr), maar om voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan (categorie b van artikel 33a lid 1 Sr). In lijn hiermee onderscheidt het hof de in beslag genomen en verbeurdverklaarde voorwerpen dan ook van het renteprofijt dat de betrokkene heeft genoten uit de door hem verstrekte geldleningen. Dit renteprofijt kan worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel dat vatbaar is voor ontneming. De verbeurdverklaring heeft evenwel niet plaatsgehad ter afroming van enig wederrechtelijk verkregen voordeel. De waarde van de verbeurdverklaarde voorwerpen behoeft dus in beginsel niet in mindering te worden gebracht op de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting, aldus het oordeel van het hof.
de waarde van deze voorwerpen in mindering gebracht dient te worden op het wederrechtelijk verkregen voordeel, in ieder geval voor zover deze voorwerpen worden aangemerkt als opbrengst van de feiten waarvoor cliënt is veroordeeld.”