ECLI:NL:PHR:2020:1038
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken verplichte cassatieadvocaat
De zaak betreft een cassatieberoep van eiser tegen het ontbindingsvonnis van een huurovereenkomst door de Rechtbank Rotterdam, bevestigd door het Gerechtshof Den Haag. Eiser heeft zonder tussenkomst van een cassatieadvocaat zelf cassatieschriftuur ingediend, nadat een verzoek om een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen door de Deken van de Haagse Orde van Advocaten was afgewezen.
De griffier van de Hoge Raad heeft eiser gewezen op de wettelijke vereisten van elektronische indiening door een advocaat bij de Hoge Raad en hem een termijn gegeven om dit alsnog te doen. Eiser heeft dit niet gedaan, maar het beroep wel gehandhaafd. De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het niet aan de vormvereisten voldoet.
De Hoge Raad overweegt dat het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro of artikel 17 Grondwet Pro. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens accepteert dat in cassatie een advocaat verplicht is. De advocaat heeft een eigen verantwoordelijkheid om kansloze zaken te weigeren, wat ook het doel dient om de Hoge Raad te ontlasten van kansloze zaken.
Het geschil is in twee instanties inhoudelijk behandeld en een advocaat heeft negatief geadviseerd over cassatie. De Deken zag geen reden om een andere advocaat aan te wijzen. Er is dus geen sprake van onthouden van effectieve toegang tot de rechter. De conclusie is dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad.