ECLI:NL:PHR:2020:1038

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 oktober 2020
Publicatiedatum
7 november 2020
Zaaknummer
20/02563
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c lid 1 RvArt. 407 lid 3 RvArt. 426a lid 1 RvArt. 13 lid 1 AdvocatenwetArt. 17 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken verplichte cassatieadvocaat

De zaak betreft een cassatieberoep van eiser tegen het ontbindingsvonnis van een huurovereenkomst door de Rechtbank Rotterdam, bevestigd door het Gerechtshof Den Haag. Eiser heeft zonder tussenkomst van een cassatieadvocaat zelf cassatieschriftuur ingediend, nadat een verzoek om een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen door de Deken van de Haagse Orde van Advocaten was afgewezen.

De griffier van de Hoge Raad heeft eiser gewezen op de wettelijke vereisten van elektronische indiening door een advocaat bij de Hoge Raad en hem een termijn gegeven om dit alsnog te doen. Eiser heeft dit niet gedaan, maar het beroep wel gehandhaafd. De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het niet aan de vormvereisten voldoet.

De Hoge Raad overweegt dat het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro of artikel 17 Grondwet Pro. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens accepteert dat in cassatie een advocaat verplicht is. De advocaat heeft een eigen verantwoordelijkheid om kansloze zaken te weigeren, wat ook het doel dient om de Hoge Raad te ontlasten van kansloze zaken.

Het geschil is in twee instanties inhoudelijk behandeld en een advocaat heeft negatief geadviseerd over cassatie. De Deken zag geen reden om een andere advocaat aan te wijzen. Er is dus geen sprake van onthouden van effectieve toegang tot de rechter. De conclusie is dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/02563
Zitting16 oktober 2020
CONCLUSIE
M.H. Wissink
In de zaak
[eiser],
eiser tot cassatie,
tegen
Woningcorporatie Stichting Trivire

1.Procesverloop

1.1
Bij eindvonnis van 4 augustus 2016 heeft de Rechtbank Rotterdam, op vordering van Woningcorporatie Stichting Trivire, de tussen deze stichting en de eiser tot cassatie bestaande huurovereenkomst voor de door eiser bewoonde woning ontbonden en eiser veroordeeld om binnen 30 dagen na betekening van het vonnis het gehuurde te ontruimen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 31 maart 2020 dit vonnis bekrachtigd.
1.2
Op 18 juni 2020 heeft eiser tot cassatie zich gewend tot de Deken van de Haagse Orde van Advocaten met het verzoek een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen om namens eiser cassatieberoep in te stellen. De Deken heeft dit verzoek op 19 juni 2020 afgewezen, kort samengevat, omdat bleek dat een cassatieadvocaat al een negatief cassatieadvies aan verzoeker had uitgebracht. Volgens de Deken is de procedure van art. 13 lid 1 Advocatenwet Pro niet bedoeld om voor een rechtzoekende een advocaat aan te wijzen die aan de wensen van de rechtzoekende tegemoet komt betreffende een procedure waarover een andere advocaat reeds een standpunt heeft bepaald, waarvan niet is gebleken dat dit niet voldoet aan de daaraan in redelijkheid te stellen eisen.
1.3
Op 30 juni 2020 heeft eiser tot cassatie zich met een door hemzelf opgestelde cassatieschriftuur met cassatiemiddelen gewend tot de Hoge Raad. Eiser tot cassatie heeft daarin vermeld dat hij een negatief cassatieadvies heeft ontvangen en dat hij geen second opinion kon ontvangen (onder 8) en heeft verzocht om zichzelf te mogen vertegenwoordigen in de procedure bij de Hoge Raad (onder 9).
1.4
De griffier bij de Hoge Raad heeft op 6 juli 2020 aan eiser tot cassatie laten weten dat het cassatieberoep niet is ingediend op de wijze zoals voorgeschreven in art. 407 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, te weten door indiening van een procesinleiding in het (elektronische) portaal van de Hoge Raad door een advocaat bij de Hoge Raad die eiser in het geding zal vertegenwoordigen. Aan eiser is een termijn van twee weken verleend om dezelfde cassatieschriftuur, maar dan op de door de wet voorgeschreven wijze, door een advocaat bij de Hoge Raad te doen indienen. Tevens is eiser erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een partij die zonder een cassatieadvocaat een cassatieberoep instelt, in dat beroep niet ontvankelijk wordt verklaard en dat bij voortzetting van het beroep griffierecht verschuldigd wordt.
1.5
Binnen de gestelde termijn is geen door een advocaat bij de Hoge Raad ingediende en door deze (elektronisch) ondertekende procesinleiding ten behoeve van eiser ontvangen. Nadat de griffier bij de Hoge Raad eiser op 14 augustus 2020 had verzocht te laten weten of hij het cassatieberoep intrekt, heeft eiser op 20 augustus 2020 geantwoord dat hij zijn beroep handhaaft. Het griffierecht is voldaan.

2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient eiser in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat dit niet is ingediend op de in de wet voorgeschreven wijze, ook niet nadat een termijn was geboden om het beroep alsnog op de juiste wijze in te stellen. [1]
2.2
Voor zover eiser ervan uitgaat dat hij op grond van art. 17 Grondwet Pro (Gw) of op grond van art. 6 EVRM Pro recht heeft op een inhoudelijke behandeling door de Hoge Raad van de klachten in de door hemzelf zonder tussenkomst van een cassatieadvocaat ingediende cassatieschriftuur, vindt zijn standpunt in het recht geen steun. Ik verwijs hiervoor naar de conclusies van de plaatsvervangend Procureur-Generaal, gepubliceerd onder ECLI:NL:PHR:2018:754 en ECLI:NL:PHR:2020:310. Hieraan ontleen ik het volgende (met weglaten van bronverwijzingen die in deze conclusies zijn vermeld).
(i) Gelet op de bijzondere aard van de cassatieprocedure − kort gezegd: de cassatierechter berecht niet zelf het geschil, maar beoordeelt klachten over schending van rechtsregels of over vormfouten van de lagere rechter −, accepteert het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat in het nationale recht aan rechtzoekenden de eis wordt gesteld dat zij zich in cassatie laten bijstaan door een daartoe gekwalificeerde cassatieadvocaat.
(ii) Het EHRM onderkent dat van overheidswege gefinancierde rechtsbijstand niet mogelijk is zonder selectiemechanismen. Tegen die achtergrond mag gefinancierde rechtsbijstand afhankelijk worden gesteld van de financiële positie van de rechtzoekende en van de slagingskansen van een eventuele procedure.
(iii) Een toegevoegde cassatieadvocaat mag weigeren cassatieberoep in te stellen op de grond dat hij dit beroep onvoldoende kansrijk acht. Staten die zijn aangesloten bij het EVRM zijn in dat geval niet verplicht een nieuwe advocaat toe te wijzen.
(iv) Het Nederlandse stelsel van verplichte procesvertegenwoordiging en gefinancierde rechtsbijstand in cassatie is in lijn met de EHRM-rechtspraak. Art. 407 lid Pro 3 (voor de vorderingsprocedure) en art. 426a lid 1 (voor de verzoekschriftprocedure) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) schrijven voor dat cassatieberoep wordt ingesteld door tussenkomst van een cassatieadvocaat. Volgens de Hoge Raad is dit vereiste niet in strijd met art. 6 EVRM Pro. [2] De omstandigheid dat de rechtzoekende niet erin is geslaagd een cassatieadvocaat bereid te vinden om cassatieberoep voor hem in te stellen, rechtvaardigt volgens de Hoge Raad geen uitzondering op het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie.
(v) Bij de herziening van het cassatieprocesrecht is door de wetgever benadrukt dat de cassatieadvocaat mede de functie heeft, door middel van het cassatieadvies te voorkomen dat de Hoge Raad met kansloze zaken wordt overvoerd. Ook de tuchtrechter voor advocaten gaat ervan uit dat het instellen van kansloze cassatieberoepen in strijd is met de gedragsnorm voor advocaten.
(vi) De advocaat heeft een eigen verantwoordelijkheid bij het aannemen en behandelen van zaken. Hij mag - en moet soms - dienst weigeren, mits op goede gronden en rekening houdend met de belangen van de cliënt, dus tijdig en zonder de cliënt onnodig op kosten te jagen.
(vii) Art. 17 Gw Pro houdt niet in dat een wet in formele zin, zoals het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geen vormvereisten zou mogen stellen aan een cassatieverzoekschrift, zoals het vereiste (in art. 407 Rv Pro) van tussenkomst door een cassatieadvocaat. Evenmin behelst deze grondwetsbepaling een verbod van wettelijke maatregelen om kansloos te achten klachten weg te houden bij de cassatierechter dan wel deze op een vereenvoudigde wijze af te doen. Voorts staat art. 120 Gw Pro in de weg aan een toetsing door de rechter van het bepaalde in art. 407 Rv Pro aan art. 17 Grondwet Pro.
2.3
Het geschil tussen de stichting en eiser tot cassatie is in twee instanties door een rechter beoordeeld. Een advocaat bij de Hoge Raad heeft advies aan eiser tot cassatie uitgebracht over de kansen van een cassatieberoep en daarbij negatief geadviseerd. Ten slotte is van belang dat ook de Deken geen grond aanwezig heeft geacht voor aanwijzing van een andere cassatieadvocaat op de voet van art. 13 Advocatenwet Pro. Gelet op het voorgaande, kan niet worden volgehouden dat aan eiser een effectieve toegang tot de rechter is onthouden.

3.Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat eiser in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1786; HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:574; HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:800; HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:804; HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1596.
2.HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0736, NJ 1993/3, onder 3: “Volgens het in deze zaak toepasselijke art. 426a lid 1 Rv wordt het beroep in cassatie aangebracht bij een verzoekschrift, dat wordt getekend en ingediend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit voorschrift is, anders dan [verzoeker] klaarblijkelijk meent, niet in strijd met art. 6 EVRM Pro (EHRM 9 okt. 1979, Serie A no. 32, Airey, par. 26; EHRM 24 nov. 1986, Serie A no. 109, Gillow, par. 69; EHRM 27 aug. 1991, Serie A no. 209, Philis, par. 59).”