“I.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte van het hem ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij – zakelijk weergegeven – primair aangevoerd dat een voltooide diefstal niet kan worden bewezen. Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat medeverdachte [betrokkene 1] de dader is geweest die [slachtoffer] met geweld van zijn telefoon en geld heeft beroofd en dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte geweld heeft uitgeoefend tegen [slachtoffer] .
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat aangever [slachtoffer] , ongeveer anderhalf uur na het gebeuren, bij de politie heeft verklaard (politiedossierpag. 001 e.v.) dat hij op 13 augustus 2017 omstreeks 22.00 uur vanuit het centrum van [plaats] liep langs de parkeerplaatsen bij [a-straat] , toen hij op het voetpad van achteren werd aangevallen. Hij werd vanuit achter tegen zijn been geschopt. Ten gevolge van deze schop kwam hij voorover ten val in de bosjes naast het fietspad. Terwijl [slachtoffer] op de grond lag, voelde hij dat de personen hem schopten en sloegen. Hierdoor kwam hij niet overeind. Ook zag hij dat één van de personen met geschoeide voet meerdere schoppende bewegingen in de richting van zijn hoofd maakte. Hij heeft door het slaan en schoppen pijn en letsel opgelopen. Hij riep tegen de personen dat ze op moesten houden. Ook riep hij dat hij een oudere man was. Hij is 69 jaar oud. Op een gegeven moment zijn alle personen weggerend. Het waren jongere mannen. [slachtoffer] is direct na het incident naar huis gelopen. Onderweg naar huis voelde hij dat hij zijn telefoon miste. De telefoon zat in de linkerborstzak van zijn overhemd. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij kort voor het incident, in het centrum van [plaats] , zijn telefoon nog heeft gebruikt, en dat er in het hoesje van zijn telefoon twee biljetten van tezamen € 60,00 zaten.
De aangifte vindt steun in de verklaring van getuige [betrokkene 2] , afgelegd op 15 augustus 2017 (politiedossierpag. 106 e.v.), voor zover inhoudende dat hij op 13 augustus 2017 ‘s avonds onderweg was naar huis (
hof: te [plaats]), hij langs een groepje van drie jongeren reed en dat hij zag dat een oudere man door die jongeren de bosjes in werd geduwd en dat de man in de bosjes viel. [betrokkene 2] zag dat de man werd geslagen en geschopt. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij twee personen heeft zien slaan en schoppen.
Medeverdachte [betrokkene 1] heeft op 14 augustus 2017 verklaard (politiedossierpag. 36 e.v.) dat hij samen met drie anderen (
het hof begrijpt: in [plaats]) was, onder wie [verdachte] (
het hof begrijpt: verdachte) en dat [verdachte] ineens op een man (
het hof begrijpt: aangever [slachtoffer]) is afgerend en de man heeft geslagen en getrapt en dat zij daarna zijn weggerend. Gevraagd naar de reden van dit handelen heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij wist dat [verdachte] geen geld bij zich had. [verdachte] heeft de man aangevallen toen de man voorbij was gelopen. Toen die man bij de bosjes op de parkeerplaats liep. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op 13 augustus 2017 samen met [betrokkene 1] en twee andere jongens in [plaats] was en dat [betrokkene 1] de man (
het hof begrijpt: aangever [slachtoffer]) heeft geslagen en geschopt, waarna zij allen zijn weggerend.
De verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 2] zijn in de kern consistent en ondersteunen elkaar op detailpunten en worden – gelet op het vorenstaande – bevestigd door de verklaring van [betrokkene 1] en verdachte over het gebruikte geweld.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt voorts dat [slachtoffer] zijn telefoon kort voorafgaand aan het incident heeft gebruikt en dat hij kort na het incident voelde dat zijn telefoon, die in de linkerborstzak van zijn overhemd zat, met in het telefoonhoesje € 60,00 weg was. [slachtoffer] is zijn telefoon nog gaan zoeken op de plaats delict, maar heeft deze niet terug kunnen vinden. Ook de politie, die nog in de omgeving heeft gezocht, heeft de telefoon nergens kunnen vinden. Toen de vrouw van [slachtoffer] het telefoonnummer van haar man belde, werd er opgenomen door een onbekende mannelijke stem. Getuige [betrokkene 3] heeft op 14 augustus 2017 omstreeks 17.30 uur op de [b-straat] te [plaats] tegen het hek vlakbij de school een donker mapje (
het hof begrijpt: een mapje voor de mobiele telefoon) met daarnaast enkele losse papiertjes en een witte Hema-pas aangetroffen (politiedossierpag. 108). Aangever [slachtoffer] herkende het mapje met papieren en Hema pas als zijn eigendom (politiedossierpag. 110). In het mapje had in het achtervak € 60,00 gezeten ten tijde van het incident. Dit zat er niet meer in. Ook de telefoon die in het mapje zat toen [slachtoffer] werd aangevallen was niet meer aanwezig.
Een aantal dagen later, op 18 augustus 2017, is de telefoon van aangever [slachtoffer] teruggevonden door de getuige [betrokkene 4] onder het hekwerk van een bouwterrein aan de [c-straat] in [plaats] (politiedossierpag. 114). Het scherm van de telefoon was stuk. Door de sticker met het adres van de aangever achterop de telefoon, kon de telefoon teruggegeven worden aan [slachtoffer] . Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat [slachtoffer] zijn telefoon niet is verloren, zoals door de verdediging is bepleit, maar dat zijn telefoon en een geldbedrag van € 60,00 zijn weggenomen ten tijde van de geweldplegingen jegens hem.
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte(n) die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Uit het vorenstaande leidt het hof af dat het de verdachte is geweest die (in ieder geval) samen met medeverdachte [betrokkene 1] geweld heeft uitgeoefend tegen [slachtoffer] , om de diefstal voor de bereiden en gemakkelijk te maken. Daarmee acht het hof het ten laste gelegde medeplegen bewezen. Door deze handelingen hebben de verdachte en zijn mededader(s) de goederen aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende onttrokken en daar vervolgens zelf als heer en meester over beschikt, terwijl uit de geweldshandelingen tevens blijkt dat zij het oogmerk hebben gehad zich deze goederen wederrechtelijk toe te eigenen. Om die reden is sprake van een voltooide diefstal. De omstandigheid dat de verdachte de telefoon en het geld niet in zijn bezit had toen hij werd aangehouden, doet daar niet aan af.
Bijgevolg verwerpt het hof het verweer van de raadsman in al zijn onderdelen.
II.
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.”
8. In de kern wordt geklaagd dat het hof – mede in het licht van het gevoerde verweer – niet begrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat sprake is van een voltooide diefstal van een telefoon en geld. Door het hof is ten aanzien van dit verweer het volgende vastgesteld en overwogen: