ECLI:NL:PHR:2020:1050
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid van deelname rechter via videoconferentie aan inhoudelijke behandeling jeugdstrafzaak
In deze zaak staat centraal of de deelname van een raadsheer aan de inhoudelijke behandeling van een jeugdstrafzaak via een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel, hier Skype for Business, zonder fysieke aanwezigheid in de zittingszaal, toelaatbaar is. Dit speelde in een zaak waarin het Hof Den Haag een jeugdige verdachte behandelde achter gesloten deuren. De oudste raadsheer kon vanwege gezinsquarantaine niet fysiek aanwezig zijn, maar nam met instemming van de verdediging en de advocaat-generaal via Skype deel.
De Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid schrijft voor dat de inhoudelijke behandeling van strafzaken fysiek moet plaatsvinden, mede vanwege het belang van openbaarheid. In deze zaak was openbaarheid geen issue omdat de behandeling achter gesloten deuren plaatsvond. De Procureur-Generaal betoogt dat het strikt vasthouden aan fysieke aanwezigheid zonder redelijke grond kan leiden tot excessief formalisme en dat de voorzitter van de zitting moet beoordelen of de gang van zaken passend is.
De Hoge Raad bespreekt de wettelijke kaders, waaronder de Wet RO en het Wetboek van Strafvordering, en benadrukt dat de zittingsvoorschriften functioneel moeten worden uitgelegd met oog voor fundamentele rechten. De fysieke aanwezigheid van de voorzitter en de advocaat-generaal is essentieel, maar de deelname van een raadsheer via videoconferentie doet niet af aan het karakter van een fysieke zitting, mits technische kwaliteit en orde gewaarborgd zijn.
De zaak illustreert de balans tussen continuïteit van de rechtspleging tijdens de COVID-19-pandemie en naleving van formele zittingsvoorschriften. De Hoge Raad concludeert dat de deelname van de raadsheer via Skype in deze omstandigheden toelaatbaar is en dat het cassatieberoep niet slaagt.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat deelname van een raadsheer via videoconferentie aan de inhoudelijke behandeling van een jeugdstrafzaak toelaatbaar is en wijst het cassatieberoep af.