ECLI:NL:HR:2003:AH9978

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02404/02 J
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • F.H. Koster
  • G.J.M. Corstens
  • J.P. Balkema
  • J. de Hullu
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 SvArt. 280 SvArt. 488 SvArt. 495a SvArt. 499 Sv
Verwijzingen
15 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing art. 279 Sv bij verdediging minderjarige verdachte bij verstek

In deze strafzaak betrof het een minderjarige verdachte die niet verscheen op de terechtzittingen van het hof, waarna verstek werd verleend. De raadsman verzocht het woord ter verdediging te mogen voeren, maar het hof wees dit af omdat de raadsman niet uitdrukkelijk gemachtigd was en meende dat artikel 279 Sv Pro niet van toepassing was op minderjarigen in deze context.

De Hoge Raad beoordeelde de rechtsvraag of artikel 279 Sv Pro, dat het voeren van de verdediging door een gemachtigde raadsman regelt, ook geldt voor minderjarige verdachten bij verstek. De Hoge Raad oordeelde dat dit artikel inderdaad van toepassing is, ook binnen het jeugdrecht, en dat het hof ten onrechte het verzoek van de raadsman heeft afgewezen.

Het arrest bevestigt dat minderjarige verdachten verplicht zijn persoonlijk te verschijnen, maar indien zij niet verschijnen kan verstek worden verleend tenzij de raadsman uitdrukkelijk gemachtigd is om te verdedigen. Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen omdat het hof geen andere fouten had gemaakt die tot vernietiging zouden leiden.

De uitspraak verduidelijkt de verhouding tussen de verschijningsplicht van minderjarige verdachten en de mogelijkheid van verdediging door een gemachtigde bij verstek, en bevestigt het belang van art. 279 Sv Pro binnen het jeugdstrafprocesrecht.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toepassing van artikel 279 Sv bij minderjarige verdachten bij verstek.

Uitspraak

28 oktober 2003
Strafkamer
nr. 02404/02 J
LR/ABG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 juni 2002, nummer 22/000307-01, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kinderrechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 2 oktober 2000 - de verdachte ter zake van "de voortgezette handeling van afpersing door twee of meer verenigde personen, en diefstal, voorafgegaan van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot zeven weken jeugddetentie, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof in hoger beroep ten onrechte de raadsman het woord ter verdediging heeft onthouden.
3.2. Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Het gaat in deze zaak om een verdachte (geboren op [geboortedatum] 1984) die ten tijde van de hem tenlastegelegde feiten de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt. Ten tijde van na te noemen terechtzittingen was hij 17 jaar oud.
Op de terechtzitting van het Hof van 26 maart 2002 was de verdachte niet verschenen. Nadat diens aldaar aanwezige raadsman om aanhouding van de behandeling had verzocht, heeft het Hof de behandeling geschorst tot de terechtzitting van 11 juni 2002, met last tot medebrenging van de verdachte.
Ter terechtzitting van het Hof van 11 juni 2002 was de verdachte wederom niet verschenen en is tegen hem verstek verleend.
Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte verzocht om de verdediging te mogen voeren op de grond "dat hij door de voorzitter van het hof als raadsman aan de verdachte is toegevoegd en dat de verdachte een minderjarige is."
Het Hof heeft op dat verzoek aanstonds - afwijzend - beslist op grond van zijn voorlopig oordeel "dat verdediging onder het regime van het meerderjarigenstrafrecht ook niet zou zijn toegestaan, zulks terwijl noch de wet, noch de jurisprudentie, noch [op grond van] enige verdragsbepaling hierop een uitzondering [wordt ge]maakt in die gevallen waarin de verdachte minderjarig is."
3.3. In de bestreden uitspraak heeft het Hof onder het hoofd "verstekverlening en machtigingsvereiste" uiteengezet dat en waarom naar zijn oordeel de raadsman niet gerechtigd was het woord ter verdediging te voeren en heeft het Hof uiteindelijk het desbetreffende verzoek van de raadsman definitief afgewezen.
De gedachtegang van het Hof komt er in de kern op neer dat, nu de raadsman niet heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om de verdediging te voeren, art. 279 Sv Pro en het daarin besloten liggende stelsel - zoals uiteengezet door de Hoge Raad in zijn arrest van 23 oktober 2001, NJ 2002, 77 - aan toewijzing van het verzoek in de weg staat.
Het middel bestrijdt dat oordeel met een aantal rechtsklachten.
3.4. De Hoge Raad verstaat die klachten, in onderlinge samenhang bezien, aldus dat daarin wordt betoogd dat het bepaalde in Titel II, van het vierde boek van het Wetboek van Strafvordering meebrengt dat artikel 279 Sv Pro in het onderhavige geval toepassing mist. Die klachten monden uit in de slotsom dat het Hof door de raadsman niet het woord ter verdediging te laten, art. 6 EVRM Pro heeft geschonden en heeft gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van het strafproces.
3.5. Titel II van het vierde boek van het Wetboek van Strafvordering behelst in de tweede afdeling bepalingen ten aanzien van de strafvordering in zaken van personen die ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt.
Ingevolge art. 488, eerste lid, Sv zijn op die personen de bepalingen van die afdeling van toepassing, voorzover genoemde Titel geen afwijkende bepalingen bevat.
Het in die afdeling opgenomen art. 499, eerste lid, Sv verklaart onder meer de Zesde Titel van het Tweede Boek - waarin art. 279 Sv Pro is opgenomen - van overeenkomstige toepassing op het rechtsgeding voor de Kinderrechter. In genoemde Titel II zijn - met uitzondering van het te dezen niet toepasselijke art. 503 Sv Pro over de bevoegdheden van de raadsman van een verdachte die ten tijde van het uitoefenen van de desbetreffende bevoegdheid de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt - geen afwijkende bepalingen opgenomen die meebrengen dat in zodanig rechtsgeding, en vervolgens in hoger beroep, art. 279 Sv Pro ten aanzien van een minderjarige als waarvan in deze zaak sprake is, toepassing mist.
Meer in het bijzonder kan, in weerwil van hetgeen in de toelichting op het middel wordt betoogd, niet worden gezegd dat tekst en strekking van - het in genoemde afdeling opgenomen - art. 495a Sv zich in een zaak als de onderhavige tegen toepassing van art. 279 Sv Pro verzetten.
Na de invoering van art. 279 Sv Pro is de betekenis van art. 495a Sv immers niet veranderd. De jeugdige verdachte blijft verplicht in persoon te verschijnen (lid 1) en wanneer hij niet zelf aanwezig is, wordt het onderzoek ter terechtzitting in beginsel voor bepaalde tijd aangehouden (lid 2). Verschijnt de verdachte dan nog steeds niet in persoon, dan wordt in beginsel verstek verleend (lid 3), tenzij zijn raadsman verklaart uitdrukkelijk gemachtigd te zijn tot de verdediging (art. 279 in Pro verbinding met art. 280, eerste lid onder b, Sv).
3.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat het middel faalt.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, G.J.M. Corstens, J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 28 oktober 2003.