Conclusie
1.Feiten en procesverloop in cassatie
AAN:
2.Verstekbeoordeling
BRP) heeft laten voorzien van een geheimhoudingsindicatie (hierna: een
geheim adres); en, zo ja:
NJ2020/367). De prejudiciële vragen in die zaak hingen samen met dit onderwerp, maar gingen daarover niet. Om die reden is de Hoge Raad daarop toen niet ingegaan (zie rov. 2.1 van het genoemde arrest). Deze zaak biedt de Hoge Raad gelegenheid alsnog een uitspraak te doen over dit - voor de praktijk betekenisvolle - onderwerp.
ofindien een verschenen gedaagde door het gebrek onredelijk is benadeeld (zie onder 3.8). De nietigheidsregeling voor exploten in het algemeen berust op hetzelfde beginsel: het komt erop aan of degene voor wie het exploot is bestemd, door het gebrek onredelijk is benadeeld in een belang dat door de geschonden norm wordt beschermd (zie onder 3.9). Hieruit volgt dat de enkele omstandigheid dat in een (dagvaardings)exploot - in strijd met art. 45 lid 3 sub b respectievelijk Pro sub d Rv - de adresgegevens van de verzoeker (eiser) of de geëxploteerde (gedaagde) niet zijn opgenomen, niet zonder meer tot nietigheid leidt, maar alleen indien de geëxploteerde daardoor onredelijk is benadeeld in het belang dat door het woonplaatsvereiste wordt beschermd.
identificatievan de in het exploot genoemde personen (zie onder 3.10). In het algemeen zie ik geen grond om aan te nemen dat het achterwege laten van adresgegevens in een exploot leidt tot identificatieproblemen aan de zijde van de geëxploteerde (gedaagde). Normaliter zal op basis van de inhoud van het exploot (de namen van de betrokkenen en bijvoorbeeld de omschrijving van het geschil in een dagvaarding) voldoende duidelijk zijn welke personen daarin zijn bedoeld, ook zonder dat hun volledige adresgegevens zijn opgenomen. Ik merk hierbij op dat van de verzoeker (eiser) niet alleen diens achternaam, maar ook diens voornamen in het exploot moeten worden opgenomen (art. 45 lid 3 sub b Rv Pro). In beginsel is er dus geen grond om uit het enkele ontbreken van adresgegevens in exploten af te leiden dat de geëxploteerde daardoor onredelijk is benadeeld in het ‘identificatiebelang’ dat door het woonplaatsvereiste wordt beschermd. In de besproken feitenrechtspraak heb ik daarvan ook geen voorbeelden aangetroffen.
niet bereikt. Als de deurwaarder in het exploot heeft gerelateerd dat betekend is aan het in de basisregistratie opgenomen adres van de gedaagde, waarvan de gedaagde op de voet van art. 2.59 Wet BRP heeft verzocht dit niet te verstrekken aan derden, moet de rechter in beginsel uitgaan van de juistheid daarvan. De dagvaarding is immers een authentieke akte, die dwingend bewijs oplevert van hetgeen de deurwaarder daarin binnen de kring van zijn bevoegdheid heeft verklaard. [11] Behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel, lijkt het mij dan ook niet aannemelijk dat de dagvaarding betrokkene niet heeft bereikt als gevolg van het niet opnemen van de adresgegevens in de dagvaarding.
gemeentezal moeten worden vermeld waarin de gedaagde woonachtig is, zulks met het oog op de beoordeling van de relatieve bevoegdheid van de rechter. [12] Onder omstandigheden kan ook de enkele vermelding van de woongemeente (zonder de specifieke adresgegevens) al inbreuk maken op de privacy of veiligheid van een betrokken verzoeker of geëxploteerde. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer betrokkene in een kleine gemeente in een blijf-van-mijn-lijfhuis woont. In dat geval zal de deurwaarder moeten relateren dat ook de woongemeente geheim moet blijven vanwege de privacy of veiligheid van betrokkene. Dat kan zo nodig in het exploot nader worden toegelicht. Uiteraard zal wel voldaan moeten zijn aan de voorwaarde dat er geen onduidelijkheid mag bestaan over de identiteit van betrokkene (vgl. onder 6.27 e.v.).”