Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de verklaringen van medeverdachte [betrokkene 1] bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking heeft genomen en redengevend heeft geacht voor het oordeel dat de betrokkene uit het bewezen verklaarde en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen en andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.
(…)
anderedan de bewezen verklaarde strafbare feiten indien daaromtrent (volgens de redactie van deze bepaling)
“voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan”.
ondanks het nodige initiatief daartoe”, aldus steevast de Hoge Raad – géén gebruik heeft kunnen maken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging van een getuige ter terechtzitting, heeft het EHRM een beslissingsmodel in de vorm van een driestappentoets ontwikkeld die richtinggevend is voor het antwoord op de vraag of verdachtes aanspraak op een eerlijk proces is geschonden doordat de verklaring van de niet-ondervraagde getuige ten laste van de verdachte aan de bewijsvoering heeft bijgedragen. [6] Deze uit de zogenaamde Vidgen-jurisprudentie voortvloeiende regels zijn niet onverkort van toepassing in de ontnemingsprocedure. Die regels hebben echter wel betekenis indien en voor zover een in het verband van de ontnemingsprocedure te nemen beslissing inhoudt dat de betrokkene zelf een concreet aangeduid (‘ander’) strafbaar feit heeft begaan. [7]
nietom het horen van [betrokkene 1] als getuige verzocht. Evenmin heeft de verdediging in de procedure bij het hof – noch in de strafzaak noch in de ontnemingszaak – het verweer gevoerd dat de verklaringen van [betrokkene 1] niet ten laste van de betrokkene kunnen worden gebezigd op de grond dat de verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om hem te ondervragen.
tweede middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.