Conclusie
1.Procesverloop
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
BNB2010/155 [8] en HR
BNB2010/227 [9] leidt de Rechtbank af dat de inspecteur niet een ambtelijk verzuim begaat door de aanslag vast te stellen in overeenstemming met de aangifte ondanks hem ter beschikking staande informatie die erop kan duiden dat de aangifte onjuist is, wanneer die informatie ook de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid openlaat dat de aangifte toch juist is. De Rechtbank overweegt dat de enkele omstandigheid dat de aangifte IB / PVV 2012 een (hoog) bedrag aan negatief resultaat uit overige werkzaamheden vermeldt, de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid openlaat dat de aangifte juist is. Hierbij neemt de Rechtbank in aanmerking dat de Inspecteur uit de hem ter beschikking staande informatie niet heeft kunnen afleiden dat dit resultaat verband houdt met een (onzakelijke) borgstelling. Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de Inspecteur daarom niet een ambtelijk verzuim begaan.
BNB2010/155 en HR
BNB2010/227 op dat een inspecteur niet een ambtelijk verzuim pleegt als hij bij de beoordeling van de aangifte over informatie beschikt die hem bij een behoorlijke vervulling van zijn aanslagregelende taak redelijkerwijs ertoe zou hebben moeten brengen daarover nadere vragen te stellen maar hij toch de aanslag conform de aangifte oplegt wanneer die informatie ook de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid openlaat dat de aangifte toch juist is. Naar het oordeel van het Hof vermeldt de aangifte IB / PVV 2012, die er overigens verzorgd uitziet en is ingediend door een fiscaal deskundige, weliswaar een (hoog) negatief resultaat uit overige werkzaamheden, maar kan niet de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid worden uitgesloten dat de aangifte wat dit aspect betreft (toch) juist kan zijn. [10] Hieraan doet niet af dat, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, de aangifte ondanks de uitworpredenen toch geautomatiseerd is afgedaan, omdat ook dan de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte wat het (hoge) negatieve resultaat uit overige werkzaamheden betreft juist is. [11]
3.Het geding in cassatie
BNB2010/155. [23] In dit arrest gaat het om een aangifte die een gerenseigneerde, aftrekbare lijfrentepremie en niet-gerenseigneerde, niet-aftrekbare lijfrentepremie bevat. Het arrest beslist dat het ontbreken van een renseignement niet zonder meer reden hoeft te zijn voor gerede twijfel aan de aftrek:
BNB2010/227. [24] Een gemoedsbezwaarde belastingplichtige vermeldt betaalde ziektekosten in de aangifte en ontvangen giften in de als bijlage bij de aangifte overgelegde jaarrekening van zijn onderneming. In geschil is of het vermoeden dat de ziektekosten niet drukken, berust op een ambtelijk verzuim. Het gerechtshof oordeelt van niet. Het arrest beslist:
BNB2013/181 formuleert de Hoge Raad dienaangaande een vuistregel, onder verwijzing naar beide voor(af)gaande arresten: [25]
BNB2013/181; A-G]. (…)
BNB2018/147 betreft een geval waarin een belastingplichtige aangifte doet met een door de Belastingdienst daartoe ter beschikking gesteld aangifteprogramma, dat automatisch toepassing geeft aan de inkomensafhankelijke combinatiekorting (iack) nadat de belastingplichtige heeft aangegeven in aanmerking te komen voor zelfstandigenaftrek. [27] De aangifte wordt ‘uitgeworpen’; de ‘uitworpreden’ vermeldt dat het saldo van de fiscale winstberekening niet is ingevuld en dat mogelijk ten onrechte ondernemers- en/of ondernemingsfaciliteiten zijn geclaimd. De inspecteur beoordeelt de uitworpreden en corrigeert zowel de zelfstandigen- als de startersaftrek, maar niet de iack. De correctie daarvan volgt niet eerder dan bij navorderingsaanslag. Het arrest overweegt hierover:
BNB2018/147 niet af aan het aannemen van een onderzoeksplicht van de inspecteur voor wat betreft de zelfstandigen- en startersaftrek. Zie dienaangaande onderdeel 3.19 hierna. Blijkens het arrest wordt zonder meer een onderzoek van de inspecteur gevergd naar aanleiding van hetgeen is vermeld als uitworpreden. Hierbij merk ik op dat een uitworpreden niet per se betekent dat het desbetreffende aangiftegegeven onjuist is; zoals het arrest vermeldt, wordt een risico – en dus een mogelijke onjuistheid in dit aangiftegegeven – gesignaleerd.
BNB2018/147 wordt het achterwege blijven van onderzoek waar een onderzoeksplicht bestaat, aangemerkt als een beoordelingsfout waarvoor artikel 16, lid 2, onder c, AWR niet een bevoegdheid tot herstel biedt. Daarvoor biedt artikel 16, lid 1, AWR net zo min een bevoegdheid tot herstel. [28]
BNB2018/147 dat hierboven is besproken.
BNB2018/147. Weliswaar is in het geval van dat arrest uitsluitend onderzoek achterwege gebleven naar een aangiftegegeven dat rechtstreeks verband houdt met de uitworpreden (namelijk: de iack) terwijl de uitworpreden zelf wél is onderzocht (namelijk de zelfstandigen- en startersaftrek) en is hier onderzoek achterwege gebleven naar de uitworpreden(en), maar dit verschil is zonder betekenis voor de onderzoeksplicht van de inspecteur. Deze plicht omvat blijkens HR
BNB2018/147 zowel de uitworpreden als de daarmee rechtstreeks verband houdende aangiftegegevens (zie 3.10). Laat de inspecteur onderzoek na waar een plicht daartoe bestaat, dan begaat hij opnieuw blijkens HR
BNB2018/147 een beoordelingsfout waarvoor een bevoegdheid tot navordering ontbreekt (zie 3.12), zoals in het geval van dat arrest voor de iack en zoals hier voor het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden.
BNB2018/147 speelde deze kans in het oordeel geen rol, naar mag worden aangenomen omdat hij niet aanwezig was. [32]
BNB2018/147 en impliceert dat het verzuimen van de verplichting om de uitworpredenen te onderzoeken, met zich brengt dat ongeacht de eventuele ‘niet-onwaarschijnlijke kans’ niet sprake is van een nieuw feit.
BNB2018/147 is geoordeeld dat de uitworp een verplichting voor de inspecteur tot onderzoek meebrengt. Daarmee is al gegeven dat het niet daaraan voldoen een verzuim betekent. Dit oordeel onderschrijf ik. De uitworp houdt in dat de inspecteur door de dienstleiding langs de weg van de door deze geprogrammeerde algoritmes erop wordt gewezen dat een onderdeel van de aangifte ‘verdacht’ is en aandacht dient te krijgen. Het signaal indiceert dat nu juist niet sprake is van de niet onwaarschijnlijke kans dat de aangifte juist is.