Conclusie
1.De feiten
[eiser]) is tot 18 november 2010 (middellijk) bestuurder geweest van de besloten vennootschap [A] B.V. (hierna ook:
[A]), een vennootschap die viel onder de werkingssfeer van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg (hierna: het
Pensioenfonds).
[betrokkene 1]), de aandelen in [A] verkocht en geleverd voor een bedrag van € 400,--.
2.Het procesverloop
rechtbank) een comparitie bevolen. [2] Van de op 4 juli 2013 gehouden comparitie is proces-verbaal opgemaakt.
Wet Bpf 2000). De rechtbank is uitgegaan van het wettelijke vermoeden dat de niet-betaling door [A] aan [eiser] is te wijten.
grieven 5 en 6betwiste - gronden toewijsbaar zijn. Het pensioenfonds heeft zich allereerst beroepen op artikel 23 lid 3 Wet Pro Bpf, op grond van welke bepaling de bestuurder persoonlijk aansprakelijk is voor de pensioenschulden van de vennootschap indien aannemelijk is dat het niet betalen van de bijdragen het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaar voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling. Daarnaast heeft het Pensioenfonds meer in het algemeen gesteld dat de onderhavige premieschade het gevolg is van onrechtmatig handelen van [eiser] .
hof). [7] De Hoge Raad heeft daartoe onder meer als volgt overwogen:
arrest). Het Pensioenfonds heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en heeft tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. [eiser] heeft geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. [eiser] heeft gerepliceerd en het Pensioenfonds heeft gedupliceerd.
3.De bespreking van de cassatiemiddelen
4 december 2009), [10] maar, gezien het oordeel van de Hoge Raad in het incidentele cassatieberoep, ook over de periode na de melding.” [cursivering in origineel, A-G]
4 december 2009” [onderstreping in origineel, A-G], daarbij aantekenend dat het hof in rov. 5.10 overweegt:
al deze omstandighedenmaken dat voldoende aannemelijk is dat de niet betaling van in dit geding aan de orde zijnde pensioenpremies over de periode kort voorafgaand aan de melding als bedoeld in artikel 23 lid 2 Bpf Pro en nadien over de relevante periode in 2010 het gevolg is van aan [eiser] te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur.” [onderstreping in origineel, A-G]
belastingschuldkon worden “geregeld”” [onderstreping in origineel, A-G]. Volgens het subonderdeel heeft [eiser] (blijkens zijn brief) die bedoeling nooit gehad en werd de door het hof aangehaalde belastingschuld immers door [eiser] zelf geregeld.
lege schuldenvennootschap buiten het bereik van schuldeisersnaar het buitenland te verplaatsen” [onderstreping in origineel, A-G].
geenbezittingen / vermogensbestanddelen (waaronder equipement) in eigendom.
[A]” [cursivering toegevoegd, A-G] zou aanwenden om winst te maken, reden waarom Kantras geen “lege vennootschap” zou zijn. Van dergelijke contacten/contracten en een daaraan gerelateerde bedoeling kan hoe dan ook geen sprake zijn als dit contacten/contracten zijn van een ander dan [A] , want van [B] B.V./ [eiser] . [54] Uit het voorgaande volgt dat die vlieger evenmin opgaat met betrekking tot de stellingen onder (a) en (b), die wel betrekking hebben op [A] (al dan niet in combinatie met de stellingen onder (c) en (d)). Dit behoeft geen nadere toelichting. De in het subonderdeel onder (e) opgebrachte stelling maakt het voorgaande omtrent de overwegingen van het hof in rov. 5.9 (uitmondend in rov. 5.9, zesde alinea, eerste zin over de toestand van [A] op 18 november 2010) naar de aard niet anders, ook niet in combinatie met de stellingen onder (a) t/m (d). Ik wend mij nu mede tot die stelling onder (e) in verband met rov. 5.9, zesde alinea, tweede zin, waar het hof [betrokkene 1] in verband brengt met het fenomeen “katvanger”.