Conclusie
Nummer 20/01340
Zitting 27 november 2020
Feiten
Functieomschrijving
Vacaturekenmerken
Procesverloop
* Hij had uit de door [verweerster] verstrekte informatie over de aangeboden (via of met [C] te sluiten) overeenkomst, hoewel deze niet uitblonk door duidelijkheid, kunnen en moeten begrijpen dat deze pas op 1 januari 2019 in zou gaan.
* Het e-mailbericht van 4 december 2019 van [verzoeker] duidt eveneens erop dat hij dat daadwerkelijk ook zo heeft begrepen en daarmee heeft ingestemd. De periode daarvóór is dan als een (voorafgaand aan de te sluiten arbeidsovereenkomst vallende) proefperiode te duiden.
* Dat partijen niet (met zoveel woorden) een proeftijdbeding zijn overeengekomen maakt dit niet anders.
* [verweerster] heeft onweersproken gesteld dat in de horeca- en cultuursector proefplaatsingen veel voorkomen. Dat brengt te meer mee dat [verzoeker] niet erop heeft mogen vertrouwen dat hij vanaf zijn eerste inwerk- of meedraaiavond bij [verweerster] een arbeidsovereenkomst (voor bepaalde tijd van een jaar of zelfs voor onbepaalde tijd) met haar was aangegaan (rov. 3.4-3.10).
Bespreking van het cassatiemiddel
in het geheelgeen arbeidsovereenkomst hebben gesloten, ook niet met betrekking tot de ‘proefperiode’ in december 2018. [5] In enkele commentaren in de vakliteratuur wordt eveneens uitgegaan van de door het onderdeel bepleite lezing van de bestreden beschikking. [6]
uitsluitendheeft beoordeeld of – zoals [verzoeker] aan zijn hoger beroep ten grondslag heeft gelegd – [verzoeker] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hij met [verweerster] per 14 december 2018 een arbeidsovereenkomst is aangegaan
voor bepaalde tijd van een jaar dan wel voor onbepaalde tijden dat het hof (enkel) díe vraag ontkennend heeft beantwoord. In cassatie is niet bestreden dat, zoals het hof in rov. 3.3 heeft vastgesteld, de kern van het hoger beroep berust op het standpunt van [verzoeker] dat hij met [verweerster] per 14 december 2018 een arbeidsovereenkomst is aangegaan
voor bepaalde tijd van een jaar dan wel voor onbepaalde tijd. Daarmee staat in cassatie vast dat [verzoeker] niet aan zijn hoger beroep ten grondslag heeft gelegd dat partijen met betrekking tot de proefperiode in december 2018 een (separate) (arbeids)overeenkomst zijn aangegaan die niet kon worden opgezegd. Het hoger beroep had bovendien – zoals het hof in rov. 3.1 heeft vastgesteld – geen betrekking op de door de kantonrechter uitgesproken veroordeling van [verweerster] tot betaling van het achterstallige loon voor de overeengekomen werkdagen op 21 en 28 december 2018, die was gebaseerd op het oordeel van de kantonrechter dat de met betrekking tot de proefperiode gesloten voorovereenkomst een arbeidsovereenkomst is. De toewijsbaarheid van de vordering tot betaling van het achterstallige loon was dus niet aan het oordeel van het hof onderworpen (dit heeft het hof klaarblijkelijk ook tot uitdrukking willen brengen met zijn dictum waarin de beschikking van de kantonrechter is bekrachtigd met de toevoeging “
voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen”). Uitgaande van deze (beperkte) omvang van het hoger beroep, behoefde het hof niet te beoordelen of de afspraken met betrekking tot de proefperiode kwalificeerden als een (separate) arbeidsovereenkomst en heeft het hof zich hierover ook niet uitgelaten.
voor onbepaalde tijd. Aangevoerd wordt dat het hof “bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag” van de feiten zoals in dit verband gesteld door [verzoeker] in het beroepschrift onder 3.22-3.27 had behoren uit te gaan, en dat het hof, door dit na te laten, het dwingendrechtelijke karakter van titel 7.10 BW heeft miskend.
onderdeel 2C, omdat daarin niet duidelijk wordt gemaakt, met vermelding van vindplaatsen in de gedingstukken, welke aangevoerde feiten en omstandigheden het hof niet zou hebben meegewogen in zijn oordeel.